Jeremia 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Maar Jahweh zeide tot Mij: Al stonden Moses en Samuël voor mijn aanschijn, Ik bekommerde Mij niet om dit volk; jaag ze weg uit mijn ogen, ze moeten heen!
1Καὶ εἶπε Κύριος πρὸς μὲ, ἐὰν στῇ Μωυσῆς καὶ Σαμουὴλ πρὸ προσώπου μου, οὐκ ἔστιν ἡ ψυχή μου πρὸς αὐτούς· ἐξαπόστειλον τὸν λαὸν τοῦτον, καὶ ἐξελθέτωσαν.
2En als ze u vragen, waar zullen we heen; dan moet ge hun zeggen: Zo spreekt Jahweh! Wie voor de dood is bestemd: naar de dood; wie voor het zwaard: naar het zwaard; wie voor de honger: naar de honger; wie voor de ballingschap: naar de ballingschap!
2Καὶ ἔσται ἐὰν εἴπωσι πρὸς σὲ, ποῦ ἐξελευσόμεθα; καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτοὺς, τάδε λέγει Κύριος, ὅσοι εἰς θάνατον, εἰς θάνατον· καὶ ὅσοι εἰς μάχαιραν, εἰς μάχαιραν· καὶ ὅσοι εἰς λιμὸν, εἰς λιμόν· καὶ ὅσοι εἰς αἰχμαλωσίαν, εἰς αἰχμαλωσίαν.
3Vier machten laat Ik op hen los, is de godsspraak van Jahweh: Het zwaard om te moorden, de honden om weg te slepen, de vogels uit de lucht om te verslinden, de beesten op aarde om te vernielen!
3Καὶ ἐκδικήσω ἐπʼ αὐτοὺς τέσσαρα εἴδη, λέγει Κύριος· τὴν μάχαιραν εἰς σφαγὴν, καὶ τοὺς κύνας εἰς διασπασμὸν, καὶ τὰ θηρία τῆς γῆς, καὶ τὰ πετεινὰ τοῦ οὐρανοῦ εἰς βρῶσιν καὶ διαφθοράν.
4Ik maak ze ten afschrik voor alle koninkrijken der aarde, om wat Manasses, de zoon van Ezekias, en koning van Juda, in Jerusalem heeft gedaan.
4Καὶ παραδώσω αὐτοὺς εἰς ἀνάγκας πάσαις ταῖς βασιλείαις τῆς γῆς, διὰ Μανασσῆ υἱὸν Ἐζεκίου βασιλέως Ἰούδα, περὶ πάντων ὧν ἐποίησεν ἐν Ἱερουσαλήμ.
5Jerusalem, wie zal nog deernis met u hebben, Wie u beklagen; Wie maakt er een omweg, Om naar uw welstand te vragen?
5Τίς φείσεται ἐπὶ σοὶ Ἱερουσαλήμ; καὶ τίς δειλιάσει ἐπὶ σοί; ἢ τίς ἀνακάμψει εἰς εἰρήνην σοι;
6Ge hebt Mij verworpen, spreekt Jahweh, Mij de rug toegekeerd. Daarom steek Ik mijn hand tegen u uit, om u te vernielen, Ik ben het zat, Mij nog te ontfermen.
6Σὺ ἀπεστράφης με, λέγει Κύριος, ὀπίσω πορεύσῃ· καὶ ἐκτενῶ τὴν χεῖρά μου, καὶ διαφθερῶ σε, καὶ οὐκέτι ἀνήσω αὐτούς·
7Ik ga ze wannen Voor de poorten van het land; Kinderloos maak Ik mijn volk, en richt het te gronde, Omdat ze zich niet hebben bekeerd.
7Καὶ διασπερῶ αὐτοὺς ἐν διασπορᾶ ἐν πύλαις λαοῦ μου ἠτεκνώθησαν, ἀπώλεσαν τὸν λαόν μου διὰ τὰς κακίας αὐτῶν.
8Hun weduwen maak Ik talrijker nog Dan het zand van de zee; Over de moeders van hun jongens Breng Ik ontzetting op klaarlichte dag, En stort geheel onverwacht Angst en verschrikking over haar uit.
8Ἐπληθύνθησαν αἱ χῆραι αὐτῶν ὑπὲρ τὴν ἄμμον τῆς θαλάσσης· ἐπήγαγον ἐπὶ μητέρα νεανίσκους, ταλαιπωρίαν ἐν μεσημβρίᾳ, ἐπέῤῥιψα ἐπʼ αὐτὴν ἐξαίφνης τρόμον καὶ σπουδήν.
9Die zeven kinderen baarde, bezwijmt, En zinkt in onmacht neer; Haar zon gaat onder midden op de dag, In beschaming en schande. En wat er overblijft, geef Ik prijs aan het zwaard, Aan hun vijanden, is de godsspraak van Jahweh!
9Ἐκενώθη ἡ τίκτουσα ἑπτὰ, ἀπεκάκησεν ἡ ψυχὴ αὐτῆς, ἐπέδυ ὁ ἥλιος αὐτῇ ἔτι μεσούσης τῆς ἡμέρας, κατῃσχύνθη καὶ ὠνειδίσθη· τοὺς καταλοίπους αὐτῶν εἰς μάχαιραν δώσω ἐναντίον τῶν ἐχθρῶν αὐτῶν.
10Wee mij, mijn moeder, dat ge mij hebt gebaard, Een man, met wien de hele wereld wil kijven en twisten; Ik ben niemands schuldeiser, ben niemand iets schuldig, En ze verwensen mij allen.
10Οἴμοι ἐγὼ, μῆτερ, ὡς τινά με ἔτεκες ἄνδρα δικαζόμενον, καὶ διακρινόμενον πάσῃ τῇ γῇ· οὔτε ὠφέλησα, οὔτε ὠφέλησέ με οὐδείς· ἡ ἰσχύς μου ἐξέλιπεν ἐν τοῖς καταρωμένοις με.
11Toch, Jahweh, heb ik U trouw gediend, Bij U voor mijn vijand ten beste gesproken In tijden van onheil en nood:
11Γένοιτο δέσποτα κατευθυνόντων αὐτῶν· εἰ μὴ παρέστην σοι ἐν καιρῷ τῶν κακῶν αὐτῶν, καὶ ἐν καιρῷ θλίψεως αὐτῶν, εἰς ἀγαθὰ πρὸς τὸν ἐχθρόν.
12Maar kan men ijzer uit ‘t noorden en koper breken?
12Εἰ γνωσθήσεται σίδηρος; καὶ περιβόλαιον χαλκοῦν ἡ ἰσχύς σου.
13-
13Καὶ τοὺς θησαυρούς σου εἰς προνομὴν δώσω ἀντάλλαγμα, διὰ πάσας τὰς ἁμαρτίας σου, καὶ ἐν πᾶσι τοῖς ὁρίοις σου.
14-
14Καὶ καταδουλώσω σε κύκλῳ τοῖς ἐχθροῖς σου, ἐν τῇ γῇ ᾗ οὐκ ᾔδεις· ὅτι πῦρ ἐκκέκαυται ἐκ τοῦ θυμοῦ μου, ἐφʼ ὑμᾶς καυθήσεται.
15Gij weet het Jahweh! Wees mijner indachtig, Kom mij te hulp, en wreek mij op die mij vervolgen; Stort door uw lankmoedigheid mij niet in ‘t verderf, Gedenk, dat ik gehoond word om U!
15Κύριε μνήσθητί μου, καὶ ἐπίσκεψαί με, καὶ ἀθώωσόν με ἀπὸ τῶν καταδιωκόντων με, μὴ εἰς μακροθυμίαν· γνῶθι, ὡς ἔλαβον περὶ σοῦ ὀνειδισμὸν
16Zodra ik uw woorden ontving, heb ik ze verslonden, Uw woord was mij een vreugde en blijdschap des harten; Want uw Naam is over mij uitgeroepen, o Jahweh, God der heirscharen!
16ὑπὸ τῶν ἀθετούντων τοὺς λόγους σου· συντέλεσον αὐτούς· καὶ ἔσται ὁ λόγος σου ἐμοὶ εἰς εὐφροσύνην καὶ χαρὰν καρδίας μου, ὅτι ἐπικέκληται τὸ ὄνομά σου ἐπʼ ἐμοὶ, Κύριε παντοκράτωρ.
17Nooit zat ik in vrolijke kringen, Nooit heb ik blijdschap gekend; Door ùwe hand zat ik eenzaam, Want Gij hebt mij met gramschap vervuld.
17Οὐκ ἐκάθισα ἐν συνεδρίῳ αὐτῶν παιζόντων, ἀλλὰ εὐλαβούμην ἀπὸ προσώπου χειρός σου· καταμόνας ἐκαθήμην, ὅτι πικρίας ἐνεπλήσθην.
18Waarom is er dan geen eind aan mijn smart, En schrijnt mijn wonde, ongeneeslijk? Waarom zijt Gij voor mij als een onbetrouwbare beek, Waar men nooit op water kan rekenen?
18Ἱνατί οἱ λυποῦντές με κατισχύουσί μου; ἡ πληγή μου στερεὰ, πόθεν ἰαθήσομαι; γινομένη ἐγενήθη μοι ὡς ὕδωρ ψευδὲς, οὐκ ἔχον πίστιν.
19Daarom spreekt Jahweh: Wanneer gij aan Mij u overgeeft, Dan geef Ik u weer, Dat ge voor mijn aanschijn moogt staan. En wanneer ge waardige woorden spreekt, niets minderwaardig, Dan moogt ge mijn mond zijn: Zij moeten zich richten naar u, Gij moet u niet richten naar hen!
19Διατοῦτο τάδε λέγει Κύριος, ἐὰν ἐπιστρέψῃς, καὶ ἀποκαταστήσω σε, καὶ πρὸ προσώπου μου στήσῃ· καὶ ἐὰν ἐξαγάγῃς τίμιον ἀπὸ ἀναξίου, ὡς τὸ στόμα μου ἔσῃ· καὶ ἀναστρέψουσιν αὐτοὶ πρὸς σὲ, καὶ σὺ οὐκ ἀναστρέψεις πρὸς αὐτούς.
20Dan maak Ik u tegenover dit volk Tot een onneembare koperen muur; En wanneer zij tegen u strijden, Kunnen ze u niet overwinnen. Dan blijf Ik bij u, om u te helpen, Om u te redden, spreekt Jahweh;
20Καὶ δώσω σε τῷ λαῷ τούτῳ, ὡς τεῖχος ὀχυρὸν, χαλκοῦν· καὶ πολεμήσουσι πρὸς σὲ, καὶ οὐ μὴ δύνωνται πρὸς σὲ, διότι μετὰ σοῦ εἰμι τοῦ σώζειν σε,
21Dan zal Ik u redden uit de hand van de bozen, U bevrijden uit de greep van uw beulen!
21καὶ τοῦ ἐξαιρεῖσθαί σε ἐκ χειρὸς πονηρῶν, καὶ λυτρώσομαί σε ἐκ χειρὸς λοιμῶν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.