Jeremia
Chapter 19
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Brento…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Jahweh sprak: Ge moet met enige oudsten van het volk en der priesters een aarden kruik kopen,
1Τότε εἶπε Κύριος πρὸς μὲ, βάδισον, καὶ κτῆσαι βικὸν πεπλασμένον ὀστράκινον, καὶ ἄξεις ἀπὸ τῶν πρεσβυτέρων τοῦ λαοῦ καὶ ἀπὸ τῶν ἱερέων,
2naar het Ben-Hinnom-dal gaan tegenover de Schervenpoort, en daar de woorden verkondigen, die Ik tot u ga spreken.
2καὶ ἐξελεύσῃ εἰς τὸ πολυάνδριον υἱῶν τῶν τέκνων αὐτῶν, ὅ ἐστιν ἐπὶ τῶν προθύρων πύλης τῆς Χαρσείθ· καὶ ἀνάγνωθι ἐκεῖ πάντας τοὺς λόγους τούτους, οὓς ἂν λαλήσω πρὸς σὲ,
3Ge moet hun zeggen: Hoort het woord van Jahweh, koningen van Juda en bewoners van Jerusalem! Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Zie, Ik ga rampen brengen over deze plaats, waarvan de oren tuiten van iedereen die het hoort.
3καὶ ἐρεῖς αὐτοῖς, Ἀκούσατε τὸν λόγον Κυρίου, βασιλεῖς Ἰούδα, καὶ ἄνδρες Ἰούδα, καὶ οἱ κατοικοῦντες ἐν Ἱερουσαλὴμ καὶ οἱ εἰσπορευόμενοι ἐν ταῖς πύλαις ταύταις· τάδε λέγει Κύριος ὁ Θεὸς Ἰσραὴλ, ἰδοὺ ἐγὼ ἐπάγω ἐπὶ τὸν τόπον τοῦτον κακὰ, ὥστε παντὸς ἀκούοντος αὐτὰ ἠχήσει τὰ ὦτα αὐτοῦ·
4Want ze hebben Mij verlaten, deze plaats van Mij vervreemd, en daar wierook gebrand voor vreemde goden, die zijzelf, noch hun vaderen, noch Juda’s koningen hebben gekend. Zij hebben deze plaats met het bloed van onschuldigen gedrenkt,
4Ἀνθʼ ὧν ἐγκατέλιπόν με, καὶ ἀπηλλοτρίωσαν τὸν τόπον τοῦτον, καὶ ἐθυμίασαν ἐν αὐτῷ θεοῖς ἀλλοτρίοις, οἷς οὐκ ᾔδεισαν αὐτοὶ καὶ οἱ πατέρες αὐτῶν· καὶ οἱ βασιλεῖς Ἰούδα ἔπλησαν τὸν τόπον τοῦτον αἱμάτων ἀθώων,
5en offerhoogten voor Báal gebouwd, om hun zonen en dochters als offer voor Báal te verbranden; wat Ik toch zeker niet heb geboden, en wat Mij nooit in de gedachte is gekomen.
5καὶ ᾠκοδόμησαν ὑψηλὰ τῇ Βάαλ, τοῦ κατακαίειν τοὺς υἱοὺς αὐτῶν ἐν πυρὶ, ἃ οὐκ ἐνετειλάμην, οὐδὲ διενοήθην ἐν τῇ καρδίᾳ μου.
6Daarom zullen de dagen komen, spreekt Jahweh, dat men deze plaats niet meer Tófet zal noemen en Ben-Hinnom-dal, maar “Moord-dal”.
6Διατοῦτο ἰδοὺ ἡμέραι ἔρχονται, λέγει Κύριος, καὶ οὐ κληθήσεται τῷ τόπῳ τούτῳ ἔτι Διάπτωσις καὶ Πολυάνδριον υἱοῦ Ἐννὼμ, ἀλλʼ ἢ Πολυάνδριον τῆς σφαγῆς.
7Want Ik zal Juda en Jerusalem radeloos maken op deze plaats, ze voor hun vijanden doen vallen door het zwaard en door de hand van hen, die hun naar het leven staan, en hun lijken tot aas werpen voor de vogels uit de lucht en voor de beesten op aarde.
7Καὶ σφάξω τὴν βουλὴν Ἰούδα, καὶ τὴν βουλὴν Ἱερουσαλὴμ ἐν τῷ τόπῳ τούτῳ, καὶ καταβαλῶ αὐτοὺς ἐν μαχαίρᾳ ἐναντίον τῶν ἐχθρῶν αὐτῶν, καὶ ἐν χερσὶ τῶν ζητούντων τὰς ψυχὰς αὐτῶν· καὶ δώσω τοὺς νεκροὺς αὐτῶν εἰς βρῶσιν τοῖς πετεινοῖς τοῦ οὐρανοῦ καὶ τοῖς θηρίοις τῆς γῆς·
8Ik zal van deze stad een wildernis maken en een bespotting; wie er voorbijgaat, verstart, en zal met haar plagen gaan spotten.
8Καὶ κατάξω τὴν πόλιν ταύτην εἰς ἀφανισμὸν, καὶ εἰς συρισμόν· πᾶς ὁ παραπορευόμενος ἐπʼ αὐτῆς σκυθρωπάσει, καὶ συριεῖ ὑπὲρ πάσης τῆς πληγῆς αὐτῆς.
9Ik zal ze het vlees van hun zonen en dochters doen eten; ze zullen elkanders vlees verslinden in de nood en benauwdheid, waarin hun vijanden, en die hun naar het leven staan, hen zullen brengen.
9Καὶ ἔδονται τὰς σάρκας τῶν υἱῶν αὐτῶν, καὶ τὰς σάρκας τῶν θυγατέρων αὐτῶν· καὶ ἕκαστος τὰς σάρκας τοῦ πλησίον αὐτοῦ ἔδονται ἐν τῇ περιοχῇ, καὶ ἐν τῇ πολιορκίᾳ ᾗ πολιορκήσουσιν αὐτοὺς οἱ ἐχθροὶ αὐτῶν.
10Daarna moet ge de kruik verbrijzelen voor de ogen der mannen, die met u mee zijn gegaan,
10Καὶ συντρίψεις τὸν βικὸν κατʼ ὀφθαλμοὺς τῶν ἀνδρῶν τῶν ἐκπορευομένων μετὰ σοῦ,
11en tot hen zeggen: Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Ik zal het volk en deze stad verbrijzelen, zoals men een aarden pot verbrijzelt, die men niet meer kan maken. In de Tófet zal men begraven bij gebrek aan plaats.
11καὶ ἐρεῖς, τάδε λέγει Κύριος, οὕτως συντρίψω τὸν λαὸν τοῦτον, καὶ τὴν πόλιν ταύτην, καθὼς συντρίβεται ἄγγος ὀστράκινον, ὃ οὐ δυνήσεται ἰαθῆναι ἔτι.
12Zo zal Ik ook deze plaats en haar bewoners behandelen, is de godsspraak van Jahweh, en van deze stad een Tófet maken.
12Οὕτως ποιήσω, λέγει Κύριος, τῷ τόπῳ τούτῳ, καὶ τοῖς κατοικοῦσιν ἐν αὐτῷ, τοῦ δοθῆναι τὴν πόλιν ταύτην, ὡς τὴν διαπίπτουσαν.
13En Jerusalems huizen en de paleizen van Juda’s koningen zullen even onrein zijn als de plaats van de Tófet: al die huizen, waar men op het dak wierook gebrand heeft voor heel het heir aan de hemel, en plengoffers voor vreemde goden heeft gebracht.
13Καὶ οἶκοι Ἱερουσαλὴμ, καὶ οἶκοι βασιλέων Ἰούδα ἔσονται καθὼς ὁ τόπος ὁ διαπίπτων, ἀπὸ τῶν ἀκαθαρσιῶν αὐτῶν ἐν πάσαις ταῖς οἰκίαις, ἐν αἷς ἐθυμίασαν ἐπὶ τῶν δωμάτων αὐτῶν πάσῃ τῇ στρατιᾷ τοῦ οὐρανοῦ, καὶ ἔσπεισαν σπονδὰς θεοῖς ἀλλοτρίοις.
14Daarna ging Jeremias weg van de Tófet, waar Jahweh hem had heengezonden om te profeteren. Hij ging in de voorhof staan van het huis van Jahweh, en zeide nu tot heel het volk:
14Καὶ ἦλθεν Ἱερεμίας ἀπὸ τῆς διαπτώσεως, οὗ ἀπέστειλεν αὐτὸν Κύριος ἐκεῖ, τοῦ προφητεῦσαι· καὶ ἔστη ἐν τῇ αὐλῇ οἴκου Κυρίου, καὶ εἶπε πρὸς πάντα τὸν λαὸν,
15Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Zie, Ik ga over deze stad en alle omliggende steden al de rampen brengen, waarmee Ik ze heb bedreigd; want ze blijven hardnekkig, en luisteren niet naar mijn woorden!
15τάδε λέγει Κύριος, ἰδοὺ ἐγὼ ἐπάγω ἐπὶ τὴν πόλιν ταύτην, καὶ ἐπὶ πάσας τὰς πόλεις αὐτῆς, καὶ ἐπὶ τὰς κώμας αὐτῆς, ἅπαντα τὰ κακὰ ἃ ἐλάλησα ἐπʼ αὐτὴν, ὅτι ἐσκλήρυναν τὸν τράχηλον αὐτῶν, τοῦ μὴ εἰσακούειν τῶν ἐντολῶν μου.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.