Jeremia 42
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Nu traden alle legeroversten met Jochanan den zoon van Karéach, en Azarja den zoon van Hosjaäja, met heel het volk, van klein tot groot,
1Ὁ ΛΟΓΟΣ Ὁ ΓΕΝΟΜΕΝΟΣ ΠΡΟΣ ἹΕΡΕΜΙΑΝ παρὰ Κυρίου ἐν ἡμέραις Ἰωακεὶμ βασιλέως Ἰούδα, λέγων,
2op den profeet Jeremias toe, en zeiden tot hem: Doe toch wat wij u vragen, en smeek voor ons tot Jahweh, uw God, voor ons allen die zijn overgebleven; want wij zijn nog maar een kleine rest van de grote menigte, zoals ge met eigen ogen kunt zien.
2Βάδισον εἰς οἶκον Ἀρχαβεὶν, καὶ ἄξεις αὐτοὺς εἰς οἶκον Κυρίου, εἰς μίαν τῶν αὐλῶν, καὶ ποτιεῖς αὐτοὺς οἶνον.
3Laat Jahweh, uw God, ons de weg doen kennen, die wij hebben te volgen, en de beslissing, die wij moeten nemen.
3Καὶ ἐξήγαγον τὸν Ἰεχονιαν υἱὸν Ἱερεμὶν υἱοῦ Χαβασὶν, καὶ τοὺς ἀδελφοὺς αὐτοῦ, καὶ τοὺς υἱοὺς αὐτοῦ, καὶ πᾶσαν τὴν οἰκίαν Ἀρχαβεὶν,
4De profeet Jeremias gaf hun ten antwoord: Goed dan! Ik zal voor u tot Jahweh bidden, zoals ge verzocht hebt; en al wat Jahweh u antwoordt, zal ik u mededelen, zonder iets te verzwijgen.
4καὶ εἰσήγαγον αὐτοὺς εἰς οἶκον Κυρίου εἰς τὸ παστοφόριον υἱῶν Ἰωνὰν, υἱοῦ Ἀνανίου, υἱοῦ Γοδολίου ἀνθρώπου τοῦ Θεοῦ, ὅς ἐστιν ἐγγὺς τοῦ οἴκου τῶν ἀρχόντων τῶν ἐπάνω τοῦ οἴκου Μαασαίου υἱοῦ Σελὼμ, τοῦ φυλάσσοντος τὴν αὐλήν.
5Ze verzekerden Jeremias: Jahweh zij onze waarachtige en getrouwe getuige, dat wij alles zullen doen, wat Jahweh, uw God, door u ons beveelt.
5Καὶ ἔδωκα κατὰ πρόσωπον αὐτῶν κεράμιον οἴνου, καὶ ποτήρια, καὶ εἶπα, πίετε οἴνον.
6Of het ons goed schijnt of kwaad: naar de stem van Jahweh onzen God, tot wien wij u zenden, zullen we luisteren, opdat het ons goed gaat; waarachtig, naar de stem van Jahweh zullen we horen!
6Καὶ εἶπον, οὐ μὴ πίωμεν οἶνον, ὅτι Ἰωναδὰβ υἱὸς Ῥηχὰβ ὁ πατὴρ ἡμῶν ἐνετείλατο ἡμῖν, λέγων, οὐ μὴ πίητε οἶνον ὑμεῖς καὶ οἱ υἱοὶ υμῶν ἕως αἰῶνος,
7Tien dagen later werd het woord van Jahweh tot Jeremias gericht.
7καὶ οἰκίας οὐ μὴ οἰκοδομήσητε, καὶ σπέρμα οὐ μὴ σπείρητε, καὶ ἀμπελὼν οὐκ ἔσται ὑμῖν, ὅτι ἐν σκηναῖς οἰκήσετε πάσας τὰς ἡμέρας ὑμῶν, ὅπως ἂν ζήσητε ἡμέρας πολλὰς ἐπὶ τῆς γῆς, ἐφʼ ἧς διατρίβετε ὑμεῖς ἐπʼ αὐτῆς.
8Toen riep hij Jochanan, den zoon van Karéach, met al de legeroversten die bij hem waren, en heel het volk van klein tot groot om zich heen,
8Καὶ ἠκούσαμεν τῆς φωνῆς Ἰωναδὰβ τοῦ πατρὸς ἡμῶν, πρὸς τὸ μὴ πιεῖν οἶνον πάσας τὰς ἡμέρας ἡμῶν, ἡμεῖς καὶ αἱ γυναῖκες ἡμῶν, καὶ οἱ υἱοὶ ἡμῶν, καὶ αἱ θυγατέρες ἡμῶν,
9en zeide tot hen: Zo spreekt Jahweh, Israëls God, tot wien ge mij hebt gezonden, om Hem uw bede voor te dragen!
9καὶ πρὸς τὸ μὴ οἰκοδομεῖν οἰκίας τοῦ κατοικεῖν ἐκεῖ, καὶ ἀμπελὼν καὶ ἀγρὸς καὶ σπέρμα οὐκ ἐγένετο ἡμῖν.
10Als ge rustig in dit land blijft wonen, dan bouw Ik u op, en breek u niet af, dan plant Ik u neer, en ruk u niet uit, want Ik heb spijt van het onheil, dat Ik u heb berokkend.
10Καὶ ᾠκήσαμεν ἐν σκηναῖς, καὶ ἠκούσαμεν, καὶ ἐποιήσαμεν κατὰ πάντα ἃ ἐνετείλατο ἡμῖν Ἰωναδὰβ ὁ πατὴρ ἡμῶν.
11Weest niet bang voor den koning van Babel, voor wien ge beducht zijt; vreest hem niet, is de godsspraak van Jahweh; want Ik ben met u, om u te verlossen, en u uit zijn macht te bevrijden.
11Καὶ ἐγενήθη ὅτε ἀνέβη Ναβουχοδονόσορ ἐπὶ τὴν γῆν, καὶ εἴπαμεν εἰσελθεῖν, καὶ εἰσήλθομεν εἰς Ἱερουσαλὴμ, ἀπὸ προσώπου τῆς δυνάμεως τῶν Χαλδαίων, καὶ ἀπὸ προσώπου τῆς δυνάμεως τῶν Ἀσσυρίων, καὶ ᾠκοῦμεν ἐκεῖ.
12Ik zal u bij hem genade doen vinden; hij zal zich uwer ontfermen, en u op uw eigen grond laten wonen.
12Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς μὲ, λέγων,
13Maar als ge zegt: Wij willen niet in dit land blijven wonen, niet luisteren naar Jahweh, uw God;
13οὕτως λέγει Κύριος, πορεύου, καὶ εἰπὸν ἀνθρώπῳ Ἰούδα, καὶ τοῖς κατοικοῦσιν Ἱερουσαλὴμ, οὐ μὴ λάβητε παιδείαν τοῦ ἀκούειν τοὺς λόγους μου;
14neen, we willen naar het land van Egypte, waar wij geen oorlog meer zien, geen krijgsbazuin horen, geen broodsgebrek hebben; dáár willen we wonen:
14Ἔστησαν ῥῆμα υἱοὶ Ἰωναδὰβ υἱοῦ Ῥηχὰβ, ὃ ἐνετείλατο τοῖς τέκνοις αὐτοῦ πρὸς τὸ μὴ πιεῖν οἶνον, καὶ οὐκ ἐπίοσαν· καὶ ἐγὼ ἐλάλησα πρὸς ὑμᾶς ὄρθρου, καὶ οὐκ ἠκούσατε.
15hoort dan ook het woord van Jahweh, Juda’s rest! Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Wanneer ge blijft bij uw plan, om naar Egypte te trekken, om daar te gaan wonen,
15Καὶ ἀπέστειλα πρὸς ὑμᾶς τοὺς παῖδάς μου τοὺς προφήτας, λέγων, ἀποστράφητε ἕκαστος ἀπὸ τῆς ὁδοῦ αὐτοῦ τῆς πονηρᾶς, καὶ βελτίω ποιήσατε τὰ ἐπιτηδεύματα ὑμῶν, καὶ οὐ πορεύεσθε ὀπίσω θεῶν ἑτέρων τοῦ δουλεύειν αὐτοῖς, καὶ οἰκήσετε ἐπὶ τῆς γῆς, ἧς ἔδωκα ὑμῖν, καὶ τοῖς πατράσιν ὑμῶν· καὶ οὐκ ἐκλίνατε τὰ ὦτα ὑμῶν, καὶ οὐκ εἰσηκούσατε.
16dan zal het zwaard, waarvoor ge beducht zijt, u daar in het land van Egypte achterhalen; zal de honger, waarvoor ge zo bang zijt, u daar in Egypte achtervolgen, en daar zult ge sterven.
16Καὶ ἔστησαν υἱοὶ Ἰωναδὰβ υἱοῦ Ῥηχὰβ τὴν ἐντολὴν τοῦ πατρὸς αὐτῶν, ὁ δὲ λαὸς οὗτος οὐκ ἤκουσέ μου.
17Alle mannen, die koppig vasthouden, naar Egypte te trekken, om daar te gaan wonen, zullen sterven door het zwaard, de honger en pest, en niemand van hen zal het onheil ontvluchten, het onheil ontsnappen, dat Ik hun zal berokkenen!
17Διατοῦτο οὕτως εἶπε Κύριος, ἰδοὺ ἐγὼ φέρω ἐπὶ Ἰούδαν καὶ ἐπὶ τοὺς κατοικοῦντας Ἱερουσαλὴμ πάντα τὰ κακὰ ἃ ἐλάλησα ἐπʼ αὐτούς.
18Want zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God: Zoals Ik mijn grimmige toorn over de bewoners van Jerusalem heb uitgestort, zo zal Ik mijn woede aan u koelen, als ge naar Egypte durft gaan; dan wordt ge een vloek en een afschrik, een verwensing en spot, en nimmer zult ge deze plaats meer aanschouwen!
18Διατοῦτο οὕτως εἶπε Κύριος, ἐπειδὴ ἤκουσαν υἱοὶ Ἰωναδὰβ υἱοῦ Ῥηχὰβ τὴν ἐντολὴν τοῦ πατρὸς αὐτῶν ποιεῖν καθότι ἐνετείλατο αὐτοῖς ὁ πατὴρ αὐτῶν,
19Het is Jahweh, die tot u spreekt, Juda’s rest! Trekt niet op naar Egypte! Denkt er aan, dat ik u heden gewaarschuwd heb, en dat ge uw leven verspeelt.
19οὐ μὴ ἐκλείπῃ ἀνὴρ τῶν υἱῶν Ἰωναδὰβ υἱοῦ Ῥηχὰβ παρεστηκὼς κατὰ πρόσωπόν μου πάσας τὰς ἡμέρας τῆς γῆς.
20Zelf hebt ge mij tot Jahweh, uw God, gezonden, en gezegd: Smeek voor ons tot Jahweh, onzen God; verkondig ons al wat Jahweh, onze God, zal zeggen; en wij zullen er naar handelen.
no verse 20 in this text
21Ik heb het u heden verkondigd. Luistert ge niet naar de stem van Jahweh, uw God, naar al wat Hij mij voor u heeft gelast:
no verse 21 in this text
22denkt er dan aan, dat ge sterven zult door het zwaard, door honger en pest, op de plaats, waar ge wilt heen gaan, om er te wonen!
no verse 22 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.