Jeremia 26
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1In het begin der regering van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, werd dit woord door Jahweh tot Jeremias gericht.
no verse 1 in this text
2Zo spreekt Jahweh! Ge moet in de voorhof van Jahweh’s tempel gaan staan, en tot alle bewoners van Juda, die in de tempel van Jahweh komen aanbidden, al de woorden spreken, die Ik u bevolen heb, hun te zeggen; ge moogt er geen enkel van binnenhouden.
2ΤΗ ΑΙΓΥΠΤΩ ἘΠΙ ΔΥΝΑΜΙΝ ΦΑΡΑΩ ΝΕΧΑΩ ΒΑΣΙΛΕΩΣ ΑΙΓΥΠΤΟΥ, ὃς ἦν ἐπὶ τῷ ποταμῷ Εὐφράτῃ ἐν Χαρμεὶς, ὃν ἐπάταξε Ναβουχοδονόσορ βασιλεὺς Βαβυλῶνος, ἐν τῷ ἔτει τῷ τετάρτῳ Ἰωακεὶμ βασιλέως Ἰούδα.
3Misschien dat ze nog luisteren, en zich van hun boze werken bekeren, zodat Ik spijt van het onheil krijg, dat Ik van plan ben, hun om hun boze daden te berokkenen.
3Ἀναλάβετε ὅπλα καὶ ἀσπίδας, καὶ προσαγάγετε εἰς πόλεμον,
4Ge moet hun zeggen: Zo spreekt Jahweh! Wanneer ge Mij niet gehoorzaam zijt, niet leeft naar mijn wet die Ik u heb gegeven,
4καὶ ἐπισάξατε τοὺς ἵππους, ἐπίβητε οἱ ἱππεῖς, καὶ κατάστητε ἐν ταῖς περικεφαλαίαις ὑμῶν, προσβάλετε τὰ δόρατα, καὶ ἐνδύσασθε τοὺς θώρακας ὑμῶν.
5en niet luistert naar de woorden van de profeten, mijn dienaars, die Ik u van de vroege morgen tot de late avond heb gezonden, maar waarnaar ge niet hebt gehoord:
5Τί ὅτι αὐτοὶ πτοοῦνται, καὶ ἀποχωροῦσιν εἰς τὸ ὀπίσω; διότι οἱ ἰσχυροὶ αὐτῶν κοπήσονται, φυγῇ ἔφυγον, καὶ οὐκ ἀνέστρεψαν περιεχόμενοι κυκλόθεν, λέγει Κύριος.
6dan zal Ik met deze tempel doen, zoals Ik met Sjilo gedaan heb, en maak Ik deze stad tot een vloek voor alle volken der aarde.
6Μὴ φευγέτω ὁ κοῦφος, καὶ μὴ ἀνασωζέσθω ὁ ἰσχυρὸς ἐπὶ Βοῤῥᾶν· τὰ παρὰ τὸν Εὐφράτην ἠσθένησε, καὶ πεπτώκασι.
7De priesters, de profeten en heel het volk hoorden Jeremias aan, toen hij die woorden in de tempel van Jahweh verkondde.
7Τίς οὗτος ὡς ποταμὸς ἀναβήσεται, καὶ ὡς ποταμοὶ κυμαίνουσιν ὕδωρ;
8Maar nauwelijks had Jeremias alles gezegd wat Jahweh hem bevolen had, voor heel het volk te verkonden, of priesters, profeten en heel het volk grepen hem vast, en riepen: De dood zult ge sterven!
8Ὕδατα Αἰγύπτου ὡς ποταμὸς ἀναβήσεται· καὶ εἶπεν, ἀναβήσομαι, καὶ κατακαλύψω τὴν γῆν, καὶ ἀπολῶ τοὺς κατοικοῦντας ἐν αὐτῇ.
9Hoe durft ge in Jahweh’s Naam profeteren, dat het deze tempel als Sjilo zal gaan, en dat deze stad zal worden verwoest, en zonder bewoners zal zijn! En het hele volk stoof op Jeremias af in de tempel van Jahweh.
9Ἐπίβητε ἐπὶ τοὺς ἵππους, παρασκευάσατε τὰ ἅρματα, ἐξέλθατε οἱ μαχηταὶ Αἰθιόπων, καὶ Λίβυες καθωπλισμένοι ὅπλοις, καὶ Λυδοὶ ἀνάβητε, ἐντείνατε τόξον.
10Toen de aanvoerders van Juda hoorden wat er te doen was, kwamen zij uit het paleis van den koning naar boven, naar de tempel van Jahweh, en zetten zich neer voor de nieuwe poort van de tempel van Jahweh.
10Καὶ ἡ ἡμέρα ἐκείνη Κυρίῳ τῷ Θεῷ ἡμῶν ἡμέρα ἐκδικήσεως, τοῦ ἐκδικῆσαι τοὺς ἐχθροὺς αὐτοῦ· καὶ καταφάγεται ἡ μάχαιρα Κυρίου, καὶ ἐμπλησθήσεται, καὶ μεθυσθήσεται ἀπὸ τοῦ αἵματος αὐτῶν, ὅτι θυσία τῷ Κυρίῳ ἀπὸ γῆς Βοῤῥᾶ ἐπὶ ποταμῷ Εὐφράτῃ.
11Nu riepen de priesters en de profeten tot de aanvoerders en tot het hele volk: Deze man heeft de dood verdiend, omdat hij tegen deze stad profeteert, zoals ge met eigen oren gehoord hebt.
11Ἀνάβηθι Γαλαὰδ, καὶ λάβε ῥητίνην τῇ παρθένῳ θυγατρὶ Αἰγύπτου· εἰς τὸ κενὸν ἐπλήθυνας ἰάματά σου, ὠφέλεια οὐκ ἔστιν ἐν σοί.
12Maar nu nam Jeremias het woord, en sprak tot alle aanvoerders en het hele volk: Jahweh heeft mij gezonden, om alles, wat ge gehoord hebt, te profeteren tegen dit huis en tegen deze stad.
12Ἤκουσαν ἔθνη φωνήν σου, καὶ τῆς κραυγῆς σου ἐπλήσθη ἡ γῆ, ὅτι μαχητὴς πρὸς μαχητὴν ἠσθένησαν, ἐπιτοαυτὸ ἔπεσαν ἀμφότεροι.
13Verbetert liever uw handel en wandel, en luistert naar Jahweh, uw God; dan krijgt Jahweh nog spijt van het onheil, waarmee Hij u heeft bedreigd.
13Ἃ ἘΛΑΛΗΣΕ ΚΥΡΙΟΣ ἐν χειρὶ Ἱερεμίου, τοῦ ἐλθεῖν τὸν βασιλέα Βαβυλῶνος τοῦ κόψαι γῆν Αἰγύπτου.
14Wat mijzelf betreft: ik ben in uw handen, en ge kunt met mij doen wat ge wilt!
14Ἀναγγείλατε εἰς Μαγδωλὸν, καὶ παραγγείλατε εἰς Μέμφιν· εἴπατε, ἐπίστηθι, καὶ ἑτοίμασον, ὅτι κατέφαγε μάχαιρα τὴν σμίλακά σου.
15Maar weet het wel, als ge mij vermoordt, dat ge onschuldig bloed op u laadt: op uzelf, op deze stad en die er in wonen; want, waarachtig, Jahweh heeft mij tot u gezonden, om u dit alles te verkonden.
15Διατί ἔφυγεν ἀπὸ σοῦ ὁ Ἄπις; ὁ μόσχος ὁ ἐκλεκτός σου οὐκ ἔμεινεν· ὅτι Κύριος παρέλυσεν αὐτόν.
16Toen zeiden de aanvoerders en heel het volk tot de priesters en profeten: Deze man heeft de dood niet verdiend; want hij heeft tot ons in de Naam van Jahweh gesproken!
16Καὶ τὸ πλῆθός σου ἠσθένησε, καὶ ἔπεσε· καὶ ἕκαστος πρὸς τὸν πλησίον αὐτοῦ ἐλάλει, ἀναστῶμεν, καὶ ἀναστρέψωμεν πρὸς τὸν λαὸν ἡμῶν εἰς τὴν πατρίδα ἡμῶν, ἀπὸ προσώπου μαχαίρας Ἑλληνικῆς.
17Nu stonden ook enige mannen op uit de oudsten van het land, en spraken voor heel het verzamelde volk:
17Καλέσατε τὸ ὄνομα Φαραὼ Νεχαὼ βασιλέως Αἰγύπτου, Σαὼν ἑσβειὲ μωήδ.
18Ook Mikeas, de man van Morésjet, profeteerde ten tijde van Ezekias, den koning van Juda, en hij heeft tot heel het volk van Juda durven zeggen: Zo spreekt Jahweh der heirscharen! Sion zal worden omgeploegd als een akker, Jerusalem zal een puinhoop worden, De tempelberg een heuvel met struiken!
18Ζῶ ἐγὼ, λέγει Κύριος ὁ Θεὸς, ὅτι ὡς τὸ Ἰταβύριον ἐν τοῖς ὄρεσι, καὶ ὡς ὁ Κάρμηλος ὁ ἐν τῇ θαλάσσῃ, ἥξει.
19Heeft Ezekias, de koning van Juda, of iemand uit Juda, hem daarom vermoord? Is men niet eerder Jahweh gaan vrezen, en Jahweh genade gaan smeken, zodat Jahweh spijt heeft gekregen van het onheil, waarmee Hij hen had bedreigd? En zouden wij onze ziel met zo’n grote misdaad bezwaren?
19Σκεύη ἀποικισμοῦ ποίησον σεαυτῇ κατοικοῦσα θύγατερ Αἰγύπτου, ὅτι Μέμφις εἰς ἀφανισμὸν ἔσται, καὶ κληθήσεται Οὐαὶ, διὰ τὸ μὴ ὑπάρχειν κατοικοῦντας ἐν αὐτῇ.
20Er was toen echter nog een andere man, die in Jahweh’s Naam profeteerde. Het was Oeri-ja, de zoon van Sjemajáhoe uit Kirjat-Jearim; ook hij profeteerde tegen deze stad en dit land juist hetzelfde als Jeremias.
20Δάμαλις κεκαλλωπισμένη Αἴγυπτος, ἀπόσπασμα ἀπὸ Βοῤῥᾶ ἦλθεν ἐπʼ αὐτὴν,
21Maar toen koning Jojakim met al zijn officieren en aanvoerders van zijn preken had gehoord, wilde de koning hem doden. Oeri-ja vernam het, en vluchtte in zijn angst naar Egypte.
21καὶ οἱ μισθωτοὶ αὐτῆς ἐν αὐτῇ, ὥσπερ μόσχοι σιτευτοὶ τρεφόμενοι ἐν αὐτῇ· διότι καὶ αὐτοὶ ἐπεστράφησαν, καὶ ἔφυγον ὁμοθυμαδόν· οὐκ ἔστησαν, ὅτι ἡμέρα ἀπωλείας ἦλθεν ἐπʼ αὐτοὺς, καὶ καιρὸς ἐκδικήσεως αὐτῶν.
22Doch koning Jojakim zond hem enige mannen naar Egypte achterna, namelijk Elnatan, den zoon van Akbor, met zijn mannen,
22Φωνὴ αὐτῶν ὡς ὄφεως συρίζοντος, ὅτι ἐν ἄμμῳ πορεύονται, ἐν ἀξίναις ἥξουσιν ἐπʼ αὐτήν·
23die Oeri-ja uit Egypte haalden, en voor koning Jojakim brachten. Deze doodde hem met het zwaard, en liet zijn lijk op de begraafplaats van het gewone volk werpen.
23ὡς κόπτοντες ξύλα ἐκκόψουσι τὸν δρυμὸν αὐτῆς, λέγει Κύριος, ὅτι οὐ μὴ εἰκασθῇ, ὅτι πληθύνει ὑπὲρ ἀκρίδα, καὶ οὐκ ἔστιν αὐτοῖς ἀριθμός.
24Het was dan ook alleen aan Achikam, den zoon van Sjafan, te danken, dat Jeremias niet aan het volk werd uitgeleverd, om te worden gedood.
24Κατῃσχύνθη ἡ θυγάτηρ Αἰγύπτου, παρεδόθη εἰς χεῖρας λαοῦ ἀπὸ Βοῤῥᾶ.
no verse 25 in this text
25Ἰδοὺ ἐγὼ ἐκδικῶ τὸν Ἀμμὼν τὸν υἱὸν αὐτῆς ἐπὶ Φαραὼ, καὶ ἐπὶ τοὺς πεποιθότας ἐπʼ αὐτῷ.
no verse 27 in this text
27Σὺ δὲ μὴ φοβηθῇς δοῦλός μου Ἰακὼβ, μηδὲ πτοηθῇς Ἰσραήλ· διότι ἐγὼ ἰδοὺ σώζων σε μακρόθεν, καὶ τὸ σπέρμα σου ἐκ τῆς αἰχμαλωσίας αὐτῶν· καὶ ἀναστρέψει Ἰακὼβ, καὶ ἡσυχάσει καὶ ὑπνώσει, καὶ οὐκ ἔσται ὁ παρενοχλῶν αὐτόν.
no verse 28 in this text
28Μὴ φοβοῦ παῖς μου Ἰακὼβ, λέγει Κύριος, ὅτι μετὰ σοῦ ἐγώ εἰμι· ἡ ἀπτόητος καὶ τρυφερὰ παρεδόθη· ὅτι ποιήσω ἔθνει συντέλειαν ἐν παντὶ ἔθνει εἰς οὓς ἔξωσά σε ἐκεῖ, σὲ δὲ οὐ μὴ ποιήσω ἐκλιπεῖν, καὶ παιδεύσω σε εἰς κρίμα, καὶ ἀθῶον οὐκ ἀθωώσω σε.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.