Jesaja 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Want Jahweh zal zich over Jakob ontfermen, Israël weer aannemen, in zijn eigen land laten wonen. Vreemden zullen zich bij hem voegen, En zich aan het huis van Jakob hechten.
1Близько час його, й не загаяться днї його; бо Господь на Якова знов гляне ласкаво, знов приверне любов свою до Ізраїля; й оселить їх на землї їх рідній; прилучаться до них чужоземцї, й пристануть до Яковового дому.
2Volken zullen ze komen halen, Om ze naar hun woonplaats te brengen; Het huis van Israël neemt ze in dienst Als knechten en maagden in het land van Jahweh! Dan vangen zij hun gevangenbewaarders, Verdrukken zij hun verdrukkers!
2І візьмуть їх народи й приведуть на їх місце, а Ізраїль присвоїть їх собі на землї Господнїй за рабів і рабинь, і поневолить тих, що його в неволю були забрали, й буде він утискати тих, що його тиснули.
3En als Jahweh u rust heeft geschonken Van uw kwelling en angsten, En van de hardheid van uw slavernij, Waarmee men u heeft geknecht:
3І станесь тодї: як Господь тебе визволить від смутку твого й від страху й тяжкої неволї, що на тобі тяготїла,
4Op die dag zult ge dit spotlied zingen Op den koning van Babel, en zeggen: Hoe, is het met den tyran nu gedaan, En neemt de verdrukking een einde?
4То висьпіваєш у піснї побіду над царем Вавилонським і промовиш: Ось, не стало мучителя — скінчився грабіж!
5Gebroken heeft Jahweh de schepter der bozen, De staf der tyrannen:
5Поломав Господь палицю в безбожних, скипетр у тиранів,
6Die naties in hun woede sloegen, En rusteloos striemden; Die in hun gramschap volkeren knechtten, En onmeedogend vervolgden!
6Що побивав люто народи ударами безʼупинними, панував над племенами в гнїві, докучав без міри,
7De hele aarde heeft vrede en rust, En barst in juichtonen los; Zelfs de cypressen maken zich vrolijk om u
7Всї краї тепер оддихають в спокою, з радощів сьпівають;
8Met de Libanon-ceders: “Sinds gij zijt gevallen, Klimt niemand meer op, om òns te vellen!”
8Веселяться й кипариси та й кедри Ливанські: Від коли ти заснув, нас вже не рубають!
9Het dodenrijk in de diepte is in beroering gekomen, En snelt ù tegemoet; Het heeft om u de schimmen gewekt, Alle heersers der aarde; Van hun tronen gehaald Alle vorsten der volken.
9Глибінь пекольна зворушилась задля тебе, щоб стрічати тебе при ввіходї твоїм; всїх велетнїв побудила, всїх князїв землї; із престолів повставати всїм царям звелїла;
10Allen heffen ze aan, En zeggen tot u: Ook gij zijt gebroken als wij, En aan ons gelijk geworden!
10А всї вони гуртом до тебе промовлять: Так і ти, як ми, зробився вбогим слабосилком?!
11Uw glorie is in het graf gesmeten, Met het geruis van uw citers; De wormen spreiden uw bed, De maden worden uw dek.
11Гордощі твої й життє твоє шумне в пекло провалились; під тебе стеляться черви, й черви накривалом тобі!
12Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, Gij morgenster, en zoon van de ochtend: Hoe zijt gij op de aarde gesmeten, Gij volkentemmer!
12Як же се ти впав із неба, досьвітная зоре? Ти розбився об землю, що топтав народи!
13Gij, die in uw hart hebt gezegd: Ik klim naar de hemel; Boven de sterren van God Verhef ik mijn troon; Ik zet mij neer op de godenberg, In het hoge noorden;
13Ти ж говорив в серцї свойму: Взійду аж на небо, над Божими зорями престол мій поставлю, й засяду на горі між богами, на краю півночі;
14Ik stijg op de toppen der wolken omhoog, Den Allerhoogste gelijk!
14Взійду на висоти хмарні, рівнею тому зроблюсь, що Всевишнїм зветься.
15Ha! in de onderwereld zinkt gij neer. Diep in de grond!
15А тепер ти попав в пекло, — в глибінь преисподню.
16De toeschouwers gapen u aan, Om u beter te zien: Is dat nu de man, die de aarde liet beven, En koninkrijken beroerde;
16Хто тепер тебе бачить, придивляєсь зблизька: Чи се ж той — мовляв — що хитав землею, та трусив царствами?
17Die de wereld tot een woestijn heeft gemaakt, Haar steden verwoestte, haar gevangenen vasthield?
17Що в пустиню обернув сьвіт, його міста побурив, полонянам не давав вертатись в домівку?
18Alle vorsten der volken rusten in ere, Elk in zijn tombe:
18Всї царі в народів, всї спочивають, кожен в честї у своїй домівцї;
19Maar gij wordt weggegooid, zonder graf, Als een naamloze misdracht. Het omhulsel der doden, die door het zwaard zijn gevallen, Wordt in een praalgraf gelegd:
19Ти ж покинутий за гробовищем, як пуста галузка, мов одежа вбитих, мечем посїчених, що їх вкидають у вапяні ями, — ти, мов те падло, що його топчуть,
20Gij wordt weggetrapt als een kreng, en bij hen niet begraven Want gij hebt uw eigen land verwoest, uw volk vermoord! Nooit zal iemand nog spreken Van het geslacht van dien booswicht!
20Не будеш із ними в могилї; ти бо спустошив землю твою, вбивав народ твій: о, по віки не спогадаєсь рід лиходїїв!
21Maar men maakt voor zijn zonen een slachtbank gereed, Om de schuld van hun vader; En nooit meer rukken ze op, om de aarde te veroveren, En de wereld met puin te bedekken.
21Готуйте різанину синам його за беззаконностї батька їх, щоб не піднялись і не заволодїли землею, та не сповнили сьвіт ворожнечею.
22Ik zal tegen hen opstaan, Is de godsspraak van Jahweh der heirscharen! Ik zal Babel verdelgen, met naam en geslacht, Met kroost en met spruit, is de godsspraak van Jahweh!
22Так, встану на них — говорить Господь Саваот — і вигублю імя Вавилону до нащадку — й сина й внука, говорить Господь.
23Ik maak het tot een reigersnest, En tot een stinkend moeras, Vaag het met de bezem der vernieling weg, Is de godsspraak van Jahweh der heirscharen!
23І вчиню його пробутком їжа та болотом, і вимету його мітлою, витираючою до чистого, говорить Господь Саваот.
24Zo heeft Jahweh der heirscharen Gezegd en gezworen: Waarachtig, zoals Ik het uitdacht, zal het geschieden, Zoals Ik beslist heb, zal het gebeuren!
24Клянучись, говорить Господь сил: Як я задумав, так воно й буде; як я призначив, так і станеться,
25Ik zal Assjoer breken in mijn land, En op mijn bergen hem vertrappen; Zijn juk zal worden afgenomen, Zijn last hen van de schouders glijden:
25Щоб стерти Ассирийця в землї моїй й розтоптати його на горах моїх; а тодї спаде з них ярмо його, й здійметься тягар із плечей в їх.
26Dit is het besluit voor de hele aarde, Dit is de hand, over alle volken gestrekt!
26Так призначено, так постановлено про всї (поганські) землї, а се рука, простягнута на всї ті народи;
27En als Jahweh der heirscharen het heeft besloten, Wie zal het beletten; Als zijn hand is gestrekt, Wie trekt ze terug!
27Бо се призначив Господь сил, і хто зможе те відмінити? рука його простягнута, — хто її відверне?
28In het sterfjaar van koning Achaz werd deze godsspraak uitgesproken:
28В роцї ж, коли вмер царь Ахаз, було ось таке пророче слово:
29Wees niet zo uitgelaten en blij, Filistea, Omdat de stok, die u sloeg, is gebroken; Want uit de wortel der adder schiet een ratelslang op, En haar vrucht is een vliegende draak.
29Не радуйся, земле Филистійська, що поломана палиця, побивавша тебе; бо з кореня змиїного вийде гаспид, а плодом із його буде лїтаючий дракон.
30De zwaksten vinden nog weide, De armen een veilige rustplaats, Maar uw wortel zal Ik van honger doen sterven, En wat van u overblijft, doden.
30А тодї бідні стануть насичені, а злиденні безпечно будуть спочивати; твій же корінь уморю голодом, а й нащадок у тебе вигублю.
31Huilt, poorten; stad, schreeuw het uit, Filistea, sidder van boven tot onder; Want een rookwolk komt uit het noorden, Geen van haar zuilen blijft achter.
31Ридайте ж, ворота, вий голосно, місто! Розпадешся ти, земле Филистійська; ось бо — від півночі ковпіт димом надходить, а нема втомленого в їх полках.
32Wat antwoord wordt er gegeven Aan de boden van uw volk: Dat Jahweh Sion heeft gegrond, Daar vindt het benarde volk een toevlucht!
32І що ж тодї скажуть вістники народу? Ось те, — що Господь утвердив Сиона, що в йому знайдуть захист убогі з народу його.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.