Jesaja
Chapter 36
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1In het veertiende regeringsjaar van Ezekias trok Sinacherib, de koning van Assjoer, tegen alle versterkte steden van Juda op, en maakte zich er van meester.
1І сталось у чотирнайцятому роцї царювання Езекіїного, наступив царь Ассирийський Сеннахирим на всї утверджені городи Юдині та й поопановував їх.
2En van Lakisj uit zond de assyrische koning zijn opperbevelhebber met een sterke krijgsmacht naar Jerusalem tegen koning Ezekias. Toen de opperbevelhebber zich bij het kanaal van de Bovenvijver had opgesteld op de weg van het Blekersveld,
2І послав царь Ассирийський Рабсака з Лахиса до царя Езекії з потужним військом, і він отаборився коло водопроводу з вижнього ставу по дорозї до красильного поля.
3ging de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, naar hem toe, vergezeld van den schrijver Sjebna en van den kanselier Joach, den zoon van Asaf.
3І вийшли до його Еліяким Хелкієнко, що доглядав палат, та Себна, царський писарь, та Йоах Асафенко, лїтописець.
4De opperbevelhebber zeide tot hen: Gaat Ezekias berichten. Dit zegt de Opperkoning, de koning van Assjoer: Waar haalt ge toch uw vertrouwen vandaan?
4І каже їм Рабсак: Скажіте Езекії: Так говорить великий царь, царь Ассирийський: Що се за надїя, на яку ти вповаєш? На що ти вповаєш?
5Denkt ge misschien, dat woorden alleen al krijgsbeleid en krijgsmacht zijn? Op wien vertrouwt ge dan wel, om u tegen mij te verzetten?
5На мою думку — се самі пусті слова, а до війни треба розумної ради й сили; на кого ж ти вповаєш, що відорвавсь від мене?
6Zie, ge vertrouwt op Egypte, die geknakte rietstok, die iemand de hand doorboort en wondt, als hij er op steunt; ja, dat is Farao, de egyptische koning, voor iedereen die op hem vertrouwt.
6Ось, ти задумав опертись на Египет, — на тую надломану тростину, що кожному, хто обіпреться на неї, забється в руку й проколе її. Такий той Фараон, царь Египецький, до всїх, що покладають у йому надїю.
7Misschien zult ge zeggen: Wij vertrouwen op Jahweh, onzen God! Maar heeft Ezekias dan zijn offerhoogten en altaren niet laten verwijderen, en tot Juda en Jerusalem gezegd: Voor dit altaar alleen moet gij u neerwerpen.
7Коли ж відкажете менї: Ми на Господа, Бога нашого, вповаємо, то чи ж се не той самий, що його висоти та жертівники позносив Езекія, повелївши Юдї й Ерусалимові: Перед сим тілько жертівником ви маєте поклонятись.
8Welnu, ga eens een weddenschap aan met den koning van Assjoer, mijn meester: Ik zal u tweeduizend paarden geven; maar ik wed, dat gij er niet eens ruiters voor hebt.
8Оце ж увійди в умову з моїм паном, царем Ассирийським: — я дам тобі дві тисячі коней; тільки чи здобудешся на стільки їздецїв до них?
9En wanneer ge dit al den geringsten bevelhebber en dienaar van mijn meester moet weigeren, hoe kunt ge dan nog voor wagens en ruiters op Egypte vertrouwen!
9Як се ти думаєш відперти, хоча б одного з гетьманів самих меньших рабів пана мого, вповаючи на Египет задля колесниць його й комонника?
10En ben ik soms, zonder dat Jahweh het wil, tegen dit land opgetrokken, om het te verwoesten? Neen, Jahweh heeft mij gezegd: Trek op naar dit land, en verwoest het!
10Хиба я без Господньої волї наступив на сю землю, щоб її спустошити? Сам Господь сказав менї: Ійди проти сієї землї та спустош її.
11Eljakim, Sjebna en Joach zeiden tot den opperbevelhebber: Spreek maar aramees met uw dienaars; wij verstaan dat wel. Maar spreek geen joods tegen ons; want dan verstaat het volk op de muur het ook.
11І сказали Елїяким та Себна та Йоах Рабсакові: Розмовляй з рабами твоїми по сирийській, бо ми розуміємо, а не розмовляй з нами по юдейськи в слух людей, що стоять на мурі.
12Maar de opperbevelhebber gaf hun ten antwoord: Heeft mijn meester mij soms met deze boodschap alleen tot u en uw koning gezonden, of ook tot die mannen daar op de muur, die hun eigen drek met u zitten te eten, en die hun eigen water drinken?
12Рабсак же відказав: Хиба ж мій пан послав мене тільки до твого пана й до тебе, щоб сї слова сказати? Нї, також і до тих людей, що седять на мурі, щоб вкупі з вами ковтати власне кало своє й мочу свою пити?
13Daarop kwam de opperbevelhebber nog dichter bij, en riep hardop in het joods: Hoort het woord van den Opperkoning van Assjoer!
13Тут виступив Рабсак і промовив голосно по юдейськи: Слухайте слова великого царя, царя Ассирийського!
14Dit zegt de koning: Laat Ezekias u niet bedriegen; want hij kan u niet redden.
14Так говорить царь: Нехай вас Езекія не баламутить, він бо вас не врятує;
15En laat Ezekias u ook niet op Jahweh doen rekenen, en zeggen: Jahweh zal ons zeker verlossen; deze stad zal niet in de handen van den koning van Assjoer vallen!
15І нехай не розважає вас Езекія надїєю на Господа, говорючи: Господь вирятує нас і не подасть города сього на поталу цареві Ассирийському.
16Luistert niet naar Ezekias; want dit zegt de koning van Assjoer: Sluit vrede met mij, en geeft u over; dan zal iedereen de vrucht van zijn wijnstok en vijgeboom eten, en het water drinken uit zijn put,
16Не слухайте Езекії, так бо говорить царь Ассирийський: Зробіте примиррє зо мною та й вийдїть до мене, так їсти мете кожен ягоди з винограду свого й з смоковницї своєї, і пити мете воду з колодязя свого,
17totdat ik u kom medenemen naar een land, dat op het uwe gelijkt: een land van koren en wijn, een land van brood en wijnbergen.
17Аж покіль я надійду та візьму вас у землю, однакову з вашою, в землю, повну зерна й винового соку, в землю повну хлїба й виноградників.
18Neen, laat Ezekias u niet misleiden, en zeggen: Jahweh zal ons verlossen! Hebben soms de goden van de andere volken hun land uit de macht van den assyrischen koning verlost?
18Нехай же не зводить вас Езекія, говорючи: Господь вирятує нас. Хиба ж боги народів урятували, кожен свою землю, з потали в царя Ассирийського?
19Waar zijn de goden van Chamat en Arpad, waar de goden van Sefarwáim en van het land van Samaria? Hebben zij Samaria uit mijn hand kunnen redden?
19Де боги Ематські й Арпадські? де боги Сефарваїмські? Хиба ж вони вирятували Самарию з моєї потали?
20Wie is er onder al de goden dier landen, die zijn gebied uit mijn macht heeft verlost? Zou Jahweh dan Jerusalem uit mijn hand kunnen redden!
20Котрий з усїх богів сих земель вирятував свою землю з руки моєї? І чи ж спасе Господь Ерусалим із моєї потали?
21Men zweeg, en antwoordde hem met geen woord; want de koning had bevel gegeven: Ge moet hem niets terugzeggen.
21І мовчали вони мовчки, не відказали йому нї словом, так бо гласив наказ царський: Не відказуйте йому.
22Maar de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilki-jáhoe, en Sjebna de schrijver, en de kanselier Joach, de zoon van Asaf, scheurden hun kleren, en ging naar Ezekias terug, om hem de woorden van den opperbevelhebber over te brengen.
22І прийшли Еліяким Хелкієнко, домозверхник, та Себна, писарь, та Йоах Асафенко, лїтописець, в роздертих одежах до Езекії та й оповіли йому, слова Рабсакові.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.