Jesaja
Chapter 41
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Eilanden, hoort Mij zwijgend aan, Wacht, volken, mijn bestraffing af. Laat ze komen en spreken, Wij samen voor de vierschaar treden!
1Слухайте мовчки мене, острови, ви же, народи, поновіте свою силу, а тодї приступіть й говоріть; станьмо разом на суд.
2Wie heeft in het oosten den zegerijke verwekt, Hem geroepen, zijn schreden te volgen; Wie heeft hem de volken overgeleverd, En koningen hem onderworpen? Zijn zwaard vergruizelt ze tot stof, Zijn boog tot dwarrelend kaf;
2Хто збудив-покликав од сходу мужа праведного, велїв йому йти за собою, підневолив йому народи та покорив царів? Та ж се він обернув їх мечем його в порох, — луком його в солому, рознесену вітром.
3Hij jaagt ze na, dringt ongedeerd voort, Op wegen, die hij nog nooit had betreden.
3Ось, він уганяє за ними, верстає байдужно дорогу, якою нїколи не ходив своїми ногами.
4Wie heeft het gedaan, wie bracht het tot stand? Ik, die van de aanvang af de eeuwen riep; Ik, Jahweh, die de Eerste ben, En die bij de laatsten zal zijn!
4Хто се вчинив і довершив? Той, хто від почину покликає до жизнї народи. Я — Господь, первий (з усього) й останній, я — все той самий?
5Sidderend zien de eilanden toe, De grenzen der aarde rillen er van;
5Побачили острови й полякались, окрайни землї затремтїли. Вони посходились до купи;
6Ze snellen elkander te hulp, En roepen elkander: Houd moed!
6Кожен помагає свому товаришові й приговорює свойму братові: кріпись!
7De gieter bemoedigt den goudsmid, De pletter, hem die het aambeeld slaat. Men zegt: het soldeersel is goed; Maar met spijkers slaat men het vast, dat het niet losgaat!
7Мідник додає духа виливальникові, а той, що бляшки вигладжує, кріпить того, що виковує на ковалї, та собі приговорює: добре споєне, та ще й цвяхами збиває, щоб добре держався.
8Maar gij, Israël, Mijn dienstknecht, Jakob, dien Ik heb uitverkoren, Kroost van Abraham, mijn vriend;
8Ти ж, Ізраїлю, слуго мій, ти, Якове, вибраний у мене, ти, Авраамове, друга мого, насїннє, —
9Dien Ik van de grenzen der aarde heb gehaald, En van haar eindpaal geroepen: Ik heb u gezegd: Gij zijt mijn dienstknecht, U heb ik verkoren en nimmer versmaad!
9Ти, що я його взяв від кінцїв землї, та покликав від її окраїн, і сказав тобі: ти мій слуга, я вибрав тебе й не одкину тебе,
10Ge moet niet vrezen, want Ik sta u bij; Niet radeloos rondzien, want Ik ben uw God! Ik maak u sterk, Ik kom u te hulp; Ik zal u steunen met de rechter van mijn ontferming!
10Не бійся, бо я з тобою; не лякайся, бо я — Бог твій; я додам тобі сили, буду помагати, і піддержу тебе вірною правицею моєю.
11Zie, die u bestoken, worden met schaamte en schande bedekt; Ze worden vernield en verdelgd, die tegen u strijden.
11Ось, стидом і соромом окриються всї отті, що проти тебе лютують; в нїщо обернуться й погибнуть супротивники твої.
12Ge zult ze zoeken, die met u twisten, maar ze niet vinden; Die u bekampen, zullen vergaan en verdwijnen.
12Будеш їх шукати, й не знайдеш їх, тих ворогів твоїх; ті, що проти тебе ярились, маною почезнуть;
13Want Ik ben Jahweh, uw God, Ik houd u vast bij de rechterhand; Ik zeg u: Wees niet bang, Ik zal u helpen!
13Я бо, — Господь Бог твій; я держу тебе за руку-правицю; я говорю тобі: не лякайся, я помагаю тобі!
14Wees niet angstig, wormpje van Jakob, Israël, mijn kindje; Ik ben uw helper, spreekt Jahweh, Ik uw verlosser, Israëls Heilige!
14Не бійся, Якове, червяку мій, Ізраїлю, малолюдку, — я помагаю тобі, — говорить Господь, твій відкупитель, Сьвятий Ізраїлїв.
15Zie, Ik maak een dorsslee van u, Nieuw geslepen, met scherpe punten: Bergen zult ge dorsen en pletten, En heuvels hakken tot kaf;
15Я зроблю тебе валом зубчастим, новим, гострим; молотити меш гори, розтирати горби на мілкий порох.
16Ge zult ze wannen, en de wind waait ze weg, De stormwind zal ze verstrooien; Maar gij zult u in Jahweh verblijden, En in Israëls Heilige roemen!
16Віяти меш їх, а вітер буде розносити їх, ти ж Господом будеш радоватись, хвалитись Сьвятим Ізрайлевим.
17De armen en ellendigen zoeken water, ze vinden het niet, En hun tong is verdroogd van de dorst. Ik. Jahweh, zal ze verhoren, Ze niet verlaten, Israëls God.
17Злиденні й убогі шукають води, — не знаходять; сохне язик їх від згаги; я ж, Господь, почую їх, я, Бог Ізрайлїв, не опущу їх.
18Op kale rotsen laat Ik stromen ontspringen, En bronnen te midden der krochten; Ik maak een vijver van de woestijn, Van het dorstige land een fontein.
18На горах вітворю ріки й бурчаки по байраках; озером степ ізроблю, а сухі суходоли — повними криничин.
19Ik zal de steppe met ceders beplanten. Met acacia, oleaster, olijf; In de wildernis cypressen zetten, Naast platanen en dennen:
19Засаджу пустиню кедром, сосною, оливою й миртом; украшу степ явором, буком та кипарисом,
20Opdat ze zien en erkennen, Het begrijpen en het verstaan, Dat de hand van Jahweh het doet, Israëls Heilige het wrocht!
20Нехай бачять і знають і розумно всїм буде, що рука Господня вчинила все те, й Сьвятий Ізрайлїв се сотворив.
21Komt uw goed recht nu eens bepleiten, Spreekt Jahweh; En brengt dan uw afgoden mee, Zegt Jakobs Koning.
21Тепер же прийдїть ви, з справою вашою, говорить Господь; подайте докази ваші, говорить царь Яковів.
22Laat ze komen en ons verkonden, Wat in de toekomst geschiedt, Of wat ze vroeger hebben voorspeld:Dan kunnen we dat eens onderzoeken. Laat ons de toekomst eens horen,
22Нехай вони приступлять і скажуть нам, що має настати; нехай звістять що-небудь передом, заки ще постало, а ми станемо умом доходити та й збагнемо, на який конець воно вийшло, — нехай скажуть нам наперед, що ще буде.
23En zegt ons wat er later gebeurt; Als we het dan in vervulling zien gaan, Dan weten we, dat gij goden zijt. Ja doet maar iets, of goed of kwaad, Dan kunnen we zien, en ons meten!
23Будущину возвістїте, нехай же ми знаєм, що ви боги, або зробіть що-небудь, добре або хоч і лихе, щоб ми здивовались, та разом із вами побачили.
24Maar zelf zijt ge niets, en uw werken zijn niets: Schande voor die ‘t met u houdt!
24Та ви — нїщо, та й витвір ваш неварт нїчого; гидота той, хто вас вибирає.
25Maar Ik heb er een uit het noorden verwekt: en hij kwam, Uit het oosten hem bij zijn naam geroepen: daar is hij gekomen; Als slijk vertrapt hij de vorsten, Zoals een pottenbakker het leem.
25Я розбудив його від півночі, й він прийшов; та й на сходї сонця буде він призивати імя моє, й топтати можних, як болото, й місити, мов той ганчар глину.
26Wie heeft nu vroeger voorspeld, wat we thans zien gebeuren, Tevoren: zodat we zeggen: ‘t komt uit?
26Хто звістив се з початку, щоб ми те знали, хто заздалегідь наперід, — щоб ми могли були сказати: Се правда? Нї, нїхто не звістив, нїхто не чув із вас слова!
27Ik heb het ‘t eerst aan Sion verkondigd: En zie, hier is hij; En aan Jerusalem de blijde boodschap gebracht! Maar niemand uwer heeft het voorspeld, Niemand van u het verkondigd; Niemand heeft uw woorden gehoord,
27Я первий сказав Сионові: Ось він! і дав Ерусалимові благовістника.
28Niemand van al die Ik zie. Neen, niemand der goden weet raad, Niemand, dien Ik kan vragen en antwoord bekomen.
28Я розглядався, та не було нїкого, й між ними не найшовся порадник, щоб я міг запитатись, і менї відказано.
29Ze zijn allemaal niets, en hun werken zijn niets, Hun beelden enkel wind en lucht.
29От-що: всї вони — одно нїщо, й вироблено їх надармо; вітер порожній — божища їх!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.