Jesaja
Chapter 66
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Zo spreekt Jahweh: De hemel is mijn troon, En de aarde mijn voetbank! Waar wilt ge dan een huis voor Mij bouwen, En waar is de plaats, waar Ik zou rusten?
1Так говорить Господь: небо — престол мій а земля — підніжок ногам моїм; де ж ви збудуєте дом менї, і де місце спочинку мого?
2Mijn eigen hand heeft dat alles gemaakt, Van Mij is dit alles, spreekt Jahweh! Neen, slechts op hem zie Ik neer, Die nederig is en deemoedig van hart, Die van vrees voor mijn woord is vervuld!
2Все ж бо те зробила рука моя, й все од мене постало, говорить Господь. А ось, на кого я ласкаво спогляну: на смирного й сокрушеного духом та й на того, що тремтить перед словом моїм.
3Maar wie een stier slacht, doodt ook een mens; Die een schaap offert, wurgt ook een hond; Wie een spijsoffer brengt, draagt ook zwijnebloed op; Wie wierook brandt, vereert ook een afgod. Welnu, zoals zij hun eigen wegen verkiezen, En hun lust in hun gruwelen vinden,
3(Беззаконник же) той, що заколює вола, — він у мене те саме, що той, хто вбиває людину; хто приносить ягня в жертву — те саме, наче б пса задавив; хто приносить жертву хлїбну, — наче б жертвував свинину; хто палить на подяку кадило — наче той, що молиться до ідола; і як вони свою собі путь обрали, та як їх душа в гидотах кохається власних, —
4Zo zal Ik hun onheil verkiezen En gruwelen over hen brengen. Want niemand gaf antwoord, toen Ik riep; Zij luisterden niet, toen Ik sprak.
4Так само й я обійдусь із їх оманою, й наведу на них страшне їм; за те, що я кликав, а нїхто не озивався; я говорив, а вони не слухали, та чинили зло в очах моїх, і вибирали те, чим я гидував.
5Hoort Jahweh’s woord, Gij die van ontzag voor zijn woord zijt vervuld! Uw eigen broeders, die u haten, En om mijn Naam u verstoten, hebben gezegd: Laat Jahweh zijn glorie eens tonen, Dan kunnen wij uw vreugde eens zien; Maar ze zullen beschaamd komen staan!
5Почуйте ж слово Господнє, ви, що дрожите перед словом його: Ваше браттє, що не любить вас, і прогонить вас од себе задля імени мого, говорить: Нехай лиш явить себе в славі Господь, а ми побачимо вас веселих! Але їх окриє сором:
6Hoort, geraas uit de stad, gerommel uit de tempel: Het is de donder van Jahweh, Die wraak op zijn vijanden neemt!
6А от: гомін роздаєсь із міста, се голос Господень, що віддає заплату ворогам своїм.
7Maar Sion zal baren, eer zij krijt, Brengt haar zonen ter wereld, eer de weeën over haar komen!
7Ще й не мучилась, а вродила; нїм ще прийшли болї, а вже привела сина.
8Wie heeft er ooit van gehoord, Ooit zo iets mogen zien; Werd ooit een land op één dag gebaard, Een volk op eenmaal geboren? Maar als Sion weeën krijgt, heeft zij haar zonen al gebaard!
8Хто коли чував таке? Хто коли видав таке диво? Чи виринув коли який край в одну днину? Чи народився де нарід від разу, як от Сион, що ледви почав болїти, а вже й породив синів своїх?
9Of zou Ik de moederschoot openen, En niet laten baren, spreekt Jahweh; Hem sluiten, Ik die laat baren, zegt uw God?
9Чи то ж я доведу до породу, та й не дам уродити? — говорить Господь. Або даючи силу родити, — чи зачиню утробу? — говорить Бог твій.
10Verheugt u met Jerusalem, En jubelt met haar, Gij allen, die haar bemint; Juicht van blijdschap met haar, Gij allen, die over haar treurt;
10Звеселїться ж із Ерусалимом і радуйтесь ізза него всї, що любите його! возрадуйтесь із ним радістю, всї, що через него колись журились,
11Opdat ge tot verzadiging moogt zuigen Aan de borst van haar troost, En met verrukking moogt zwelgen Aan de boezem van haar glorie.
11Щоб вам ссати й насичуватись потїхами з грудей його, впиватись і роскошувати великим багацтвом слави його.
12Waarachtig, Jahweh heeft het gezegd! Zie, Ik leid haar de vrede toe als een stroom, De glorie der volken als een bruisende vloed. Haar zuigelingen worden op de heup gedragen, En op de knieën vertroeteld.
12Так бо говорить Господь: рікою направлю до його мир, а заливним потоком — багацтва й славу народів, — а все вам на осолоду, мов би вас на руках ношено, на колїнах голублено.
13Zoals men door zijn moeder getroost wordt, zal Ik u troosten, En zult gij in Jerusalem worden verkwikt.
13Як кого потїшає мати, так я вас буду потїшати; ви знайдете собі потїху в Ерусалимі.
14Als ge het ziet, zal uw hart zich verheugen, Uw gebeente bloeien als het jonge groen. Dan zal Jahweh’s hand worden geopenbaard aan zijn dienaars, Maar zijn toorn aan zijn vijanden!
14Побачите се, й звеселиться серце ваше, ба й костї ваші процьвітуть, як молода зелень, і розтулиться правиця Господня слугам його; на ворогів же своїх він гнївом запалає.
15Want zie, Jahweh komt als een vuur, Zijn wagens als een orkaan, Om zijn gramschap te tonen in vuur, zijn dreigen in vlammen;
15Ось бо Господь прийде в огнї, а колесницї його — мов той вихор, щоб пролити гнїв свій і досаду й кару свою з огнем палаючим.
16Want te vuur en te zwaard houdt Jahweh gericht over alle vlees, En onder de slagen van Jahweh vallen tallozen neer.
16Господь бо буде огнем та мечем своїм всяку плоть судити, й много буде Господом побитих.
17En zij die zich heiligen en reinigen, om naar de tuinen te gaan, Achter een leider, die zich in hun midden bevindt; Die zwijnevlees eten, ongedierte en muizen, Ook zij zullen gelijk met hun werken en plannen vergaan: Is de godsspraak van Jahweh!
17Ті, що сьвятять і очищують себе по дубровах, їдять свинину, миши й иншу гидоту, — всї погибнуть, говорить Господь.
18Maar dan zal Ik komen, om te verzamelen Alle volken en tongen! Ze zullen komen, en mijn glorie aanschouwen,
18Я бо знаю думки їх і дїла їх; та й прийду зібрати всї народи й язики, і прийдуть вони й взрять славу мою.
19En zal Ik tekenen onder hen doen. En die onder hen zijn gespaard, zal Ik tot de volken zenden, Naar Tarsjisj, Poet en Loed, naar Mésjek en Rosj, Naar Toebal en Jawan en verwijderde kusten, Die nog nooit mijn Naam hebben gehoord, Nooit mijn glorie aanschouwd: En zij zullen mijn glorie onder de volken verkonden!
19І положу на них знамено, й пошлю врятованих зміж них до народів: у Тарсис, у Пулу й Луду, до тих, що лука напинають; у Тубалу, Евану, й по далеких островах, що слави моєї не вбачали, й возвістять вони народам славу мою,
20Dan brengen ze al uw broeders weer terug, Met een offer voor Jahweh van alle volken, Op paarden, wagens, karossen, Op muildier en dromedarissen, Naar mijn heilige berg, Naar Jerusalem, spreekt Jahweh: Juist zoals Israëls zonen hun spijsoffer brengen, In reine vaten naar het huis van Jahweh!
20І зберуть вони всїх братів ваших зміж усїх народів на дар Господу на конях і возах, на носилах і на мулах та верблюдах — на сьвяту мою гору в Ерусалимі, говорить Господь, — так само, як Ізраїль приносить дар у дом Господнїй в чистій посудинї.
21En ook uit hen zal Ik Mij priesters kiezen, En levieten, zegt Jahweh!
21З них я буду брати в сьвященники й левіти, говорить Господь.
22Want zoals de nieuwe hemel, En de nieuwe aarde, die Ik ga scheppen, Voor mijn aanschijn blijven bestaan: is de godsspraak van Jahweh; Zo zal ook uw kroost blijven bestaan en uw naam!
22Бо як нове небо й земля нова, що я сотворю, все будуть передо мною, говорить Господь, так буде рід ваш і імя ваше.
23En van maan tot maan, van sabbat tot sabbat Zal al wat leeft Mij komen aanbidden, zegt Jahweh!
23Тодї місяць за місяцем, субота за суботою приходити ме всяка людина перед лице моє, щоб поклін менї оддавати, говорить Господь.
24En als zij opgaan, zullen ze de lijken aanschouwen Van de mannen, die Mij hebben verzaakt: Want hun worm zal niet sterven, hun vuur niet worden geblust; Een gruwel zijn ze voor al wat leeft!
24І будуть виходити й оглядати трупи людей, що одцурались мене; червяк їх не вмре й огонь їх не погасне; й будуть вони гидотою всякій тварі.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.