Jesaja 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Maar eenmaal zal de nacht verdwijnen, Zal er geen donker meer zijn, voor wie nu nog beangst is! Wel heeft Hij smaad gebracht over Zabulons land, Over het land van Neftali in vroegere tijden: Maar in de eindtijd herstelt Hij in ere De weg naar de zee, De overkant van de Jordaan, Het gewest van de heidenen.
1Переднїйший час впокорив землю Забулонову й землю Нефталїєву; та пізнїйший звеличить приморську дорогу, за-Йорданську сторону, Галилею поганську.
2Het volk, dat in duisternis wandelt, Zal dan een helder licht aanschouwen; Die wonen in het dal van de schaduw des doods, Een glans zal over hen stralen!
2Люд, що в темряві блукає, зʼуздрить сьвітло велике; живучим в країнї тїнї смертної, сьвітло засияє.
3Gij zult hun vreugde vermeerderen, hun blijdschap vergroten; Vrolijk zullen ze zijn voor uw aanschijn, Zoals men vrolijk is bij de oogst, Zoals men blij is bij het verdelen van buit!
3Ти розмножиш народ, даси йому радощі великі; звеселиться він перед тобою, як веселяться, коли обжинки справляють, як радуються, коли здобич дїлять.
4Want het juk, dat hem drukte, Het blok op zijn schouders, De stok van zijn drijver Breekt Gij als op de dag van Midjan stuk.
4Бо ярмо, що його давило, й палицю, що його побивала, й тростину у гнобителя його — ти поторощиш, як за Мидияма.
5Alle dreunend stampende laarzen En in bloed geverfde mantels Zullen worden verbrand, Door de vlammen verteerd.
5Бо вся обув жовнїра й одежа, в війнї кровю злита, пійде на спаленнє, на жир огневі.
6Want een Kind is ons geboren, een Zoon ons geschonken; De heerschappij wordt op zijn schouders gelegd. En zijn naam wordt genoemd: Wonderbaar raadsman, Goddelijke held, Vader voor immer, Vorst van de vrede!
6Бо хлопятко народилось нам — син даний нам; власть на раменах його, а дадуть імя йому: Дивний, Порадник, Бог кріпкий, Отець будучого віку, Князь мира.
7Grote macht zal Hij brengen, en eindeloze vrede Aan Davids huis en zijn rijk. Hij zal het steunen en stutten met recht en gerechtigheid Nu en voor immer: De ijver van Jahweh der heirscharen brengt het tot stand!
7Царству його й миру його не буде гряниць; на Давидовім престолї й царстві він сяде, щоб утвердити й укріпити його судом справедливим від тепер по віки. Ревнива любов Господа Саваота се вчинить.
8De Heer heeft een woord tot Jakob gezonden, En het valt in Israël neer;
8Слово посилає Господь до Якова, й спевняєсь воно на Ізраїлї,
9Het hele volk zal het ondervinden: Efraïm en de bewoners van Samaria! Want ze hebben gezegd in hun trots, En in de hoogmoed des harten:
9Щоб узнав (свою нерозвагу) ввесь народ — Ефраїм і осадники Самариї, що так згорда й надуто мовляють:
10De baksteen gevallen: we herbouwen met hardsteen; De moerbei geveld: ceders planten wij in haar plaats!
10Опала цегла, — побудуємо з тесаного каменя, вирубано сикомору, — заступимо її кедриною.
11Jahweh vuurde de verdrukkers van Resin tegen hen aan, En hitste de vijanden tegen hen op;
11І підніме Господь проти його ворогів Резинових, і узброіть неприятелїв його:
12Aram ten oosten, de Filistijnen ten westen Hebben Israël verslonden met gulzige mond; Maar toch bedaart zijn gramschap niet, Zijn hand blijft naar hen uitgestrekt!
12Сирийцїв од сходу, Филистіїв з заходу, й будуть вони Ізраїля повним ротом жерти. Та й ще гнїв його не одвернесь, і рука його все ще простягнута.
13Want het volk bekeerde zich niet tot Hem, die het sloeg, En zocht Jahweh der heirscharen niet.
13Та народ таки не обертаєсь до караючого його, й до Господа Саваота не прибігає.
14Daarom heeft Jahweh Israël kop en staart afgehouwen, Palmtak en riet op één dag:
14І відсїче Господь у Ізраїля голову й хвоста, зітне пальму й тростину одного дня:
15De oudsten en edelen waren de kop, De leugenprofeten de staart;
15Старець і знатний се — голова; а пророк, що вчить неправди, се — хвіст.
16Die dit volk moesten leiden, zijn zijn verleiders, Die geleid moesten worden, zijn op een doolweg gebracht.
16Провідники сього народу поведуть його блудом, а ті, що даються їм вести — погибнуть.
17Daarom spaarde de Heer hun jongelingen niet, Ontfermde zich niet over hun weduwen en wezen; Want ze zijn allen godvergeten en boos, En iedere mond spreekt goddeloze taal; Maar toch bedaart zijn gramschap niet, Zijn hand blijft tegen hen uitgestrekt!
17Тим не мати ме Господь утїхи й з хлопцїв у його, та й сиріт і вдовиць його не помилує; бо вони всї зледащіли, всї вони нещирі, та й всї уста безбожностї повні. Та й ще гнїв його не одвернесь і рука його все ще простягнута.
18Want de goddeloosheid brandt als een vuur, Dat doornen en distels verteert, Het dichte woud in vlammen zet, En in dwarrelende rookwolken hult.
18Бо беззаконність огнем загорілась; пожерає тернину й бодяки колючі, та палає в гущавинах лїса, що аж стовпами дим піднімаєсь.
19Door de gramschap van Jahweh is het land ontredderd, Het volk tot menseneters verlaagd:
19Лютість Господа Саваота спалить землю, і народ станеться жиром огня; чоловік не пощадить і брата свого.
20Men hapt naar rechts, en nog heeft men honger, Men bijt naar links, en wordt niet verzadigd. Niemand spaart zijn eigen broer, En allen verslinden het vlees van hun kroost:
20Різати муть управо, та й будуть голодні; будуть їсти на лїво, та й не будуть ситі; кожен їсти ме тїло, руки в себе:
21Manasse Efraïm, Efraïm Manasse, En met elkander weer Juda. Maar toch bedaart zijn gramschap niet. Zijn hand blijft tegen hen uitgestrekt!
21Манассій — Ефраїма, Ефраїм же Манассію, а оба разом — Юду.
no verse 22 in this text
22Та й тодї ще гнїв його не одвернесь, і рука його все ще простягнута.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.