Jesaja 59
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Neen, Jahweh’s hand is niet te kort om te redden, Zijn oor is niet doof om te horen;
1Ось, рука Господня коротша не стала, щоб рятувати, й ухо його не вглухло, щоб чути.
2Maar uw misdaden graven een klove tussen u en uw God, Uw zonden bedekken zijn aanschijn voor u, zodat Hij niet hoort.
2Нї, се переступи ваші з Богом вас розлучили, й гріхи ваші лице його од вас одвернули, щоб не вислухувати.
3Want uw handen zijn bezoedeld met bloed, Uw vingers met misdaad; Uw lippen spreken leugentaal, Uw tong lispelt boosheid.
3Бо ваші руки опоганені кровю, палцї — беззаконством; уста ваші торочять лож, язик ваш лепече неправду.
4Niemand klaagt aan volgens recht, En niemand pleit eerlijk; Men steunt op verzinsels, spreekt valsheid, Gaat zwanger van gekonkel, baart onheil.
4Нїхто не підносить голосу за справедливістю, за правду нїхто не озветься; надїються на нїчо і говорять льжу, вагонїють злом, а роджають злодїйство;
5Addereneieren broeden zij uit, En spinnewebben weven ze aaneen: Wie van hun eieren eet, gaat dood; Breekt men ze open, een slang schiet er uit.
5Висїдають гадючі яйця, тчуть паутину; хто попоїсть яєць їх, — умре, а як роздавить, — василиск вилазить.
6Van hun webben kan men geen kleren maken, En zich met hun maaksels niet dekken; Hun daden zijn enkel onheilsdaden, En hun handen plegen geweld.
6Паутиннє їх не придатне на одежу, й вони не окриються своїм виробом; дїла їх — се дїла неправедні, в руках у них здирство.
7Hun voeten reppen zich naar het kwaad, En rennen, om onschuldig bloed te vergieten; Hun gedachten zijn onheilsgedachten, Verwoesting en vernieling bedekken hun paden.
7Ноги в них швидкі до зла, — скорі вони до проливу безвинної крові; гадки їх — гадки безбожні, пустошеннє й пагуба на дорогах їх.
8De weg van de vrede kennen ze niet, En in hun sporen vindt men geen recht; Hun paden maken ze krom, Wie ze betreedt, vindt geen vrede.
8Мирні путї їм незнані, й справедливого суду нема на стежках у них; дороги їх криві, а хто ними ходить, не мати ме миру.
9Daarom blijft het recht ook verre van ons, En kan ons het heil niet bereiken; Wij wachten op licht, en zie, het blijft donker, Op zonnegloren, en wij wandelen in duisternis rond.
9Тим то далеко від нас суд, і правосуддє не досягає нас; дожидаєм сьвітла, а ось темрява, — ясноти, а ходим у тьмі.
10Als blinden tasten we langs de wand, Weifelend als die geen ogen hebben; Wij struikelen op klaarlichte dag, alsof het schemering was, Zijn in de bloei van het leven als doden.
10Мацяєм, як слїпий стїну, і, наче безʼокі, ходимо помацки; спотикаємся в південь, як смерком, між живими — як мертві.
11Wij grommen allen als beren, En klagen als kirrende duiven; Wij wachten op recht, maar het wil niet komen, Op redding, maar zij blijft verre van ons.
11Всї ревемо ведмедями, а то знов гудемо голубами; суду ждемо, та й немає, — пільги, та вона далеко від нас.
12Ja, onze misdaden zijn voor uw aanschijn zo talrijk, En onze zonden leggen tegen ons getuigenis af; Onze schuld staat ons altijd voor ogen, We zijn ons onze misdrijven bewust.
12Бо переступів наших много перед тобою, і гріхи наші сьвідчать проти нас; бо ж переступи наші перед нами, й провини наші ми знаємо.
13Het is altijd: Jahweh verzaken, verloochenen, Ontrouw worden aan onzen God, Verzet en overtreding preken, Zwanger van leugentaal gaan, en die uit het binnenste stoten.
13Спроневірились ми перед Господом і зʼолгали, та й відступили від Бога нашого; говорили обмову й зраду, вагонїли й роджали з серця слова неправди.
14Het recht wordt achteruitgedrongen, Gerechtigheid blijft op een afstand staan; De waarheid struikelt op straat, De eerlijkheid komt nergens binnen;
14Відступив від нас суд, оддалїк зісталась справедливість; бо справедливість спотикнулась на майданї, й правота не знаходить входу.
15De goede trouw is verbannen, En wie het kwade mijdt, stelt zich aan plundering bloot! Jahweh heeft het gezien, en is verontwaardigd, Omdat er geen recht meer bestaat.
15Зникла правда; хто ж ледарства одцурався, терпить зневагу. І побачив се Господь, і погано було се в очах його, що нема суду.
16Maar toen Hij zag, dat er niemand was, Vol verbazing, dat niemand kwam helpen: Toen heeft zijn eigen arm Hem geholpen, Zijn gerechtigheid Hem gesteund.
16Бачив він, що нема й чоловіка (праведного), й дивився, що нема кому заступитись; та помогла йому рука його, й справедливість його піддержала його.
17Hij gordde de gerechtigheid om als een pantser, Zette de helm van het heil op zijn hoofd, Trok de wraak als een wapenrok aan, Sloeg de ijverzucht om als een mantel.
17І вложив він на себе справедливість, неначе панцирь, і шолом спасення — на голову собі; і одїгся ризою помсти, як одежою, та окрив себе ревностю, мов би наміткою.
18Naar de werken zal Hij vergelden: Gramschap voor zijn tegenstanders, Wraak over zijn vijanden, En de kustlanden geeft Hij hun loon.
18По заслузї одплатить він повною міркою супротивникам своїм — строгостю, ворогам своїм — помстою; віддасть островам їх заслуженину.
19Dan zal men de Naam van Jahweh vrezen in het westen, En zijn glorie aan de opgang der zon: Want Hij komt als een bruisende stroom, Voortgezweept door de adem van Jahweh.
19І злякаються імени Господнього на заходї, й величі його — на сходї сонця. Хоч би ворог, як ріка, наступив, — прожене його подих Господень.
20Maar voor Sion komt een Verlosser, Voor wie zich in Jakob van hun zonde bekeren, spreekt Jahweh,
20І прийде Одкупитель Сионові й синам Якововим, — тим, що навернуться од безбожностї — говорить Господь.
21En dit zal mijn Verbond met hen zijn, zegt Jahweh: Mijn geest, die op u rust, De woorden, die Ik in uw mond heb gelegd, Zullen uit uw mond niet wijken, noch uit die van uw kroost, Noch uit de mond van het zaad van uw kroost, Zegt Jahweh: van nu af tot in eeuwigheid!
21А се завіт мій з ними, говорить Господь: Дух мій, що на тобі, і слова мої, що я вложив в уста тобі, не одступлять від уст твоїх і од уст потомства твого, анї од уст синів внуків твоїх від тепер і по віки, говорить Господь.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.