Jesaja 59
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
1Neen, Jahweh’s hand is niet te kort om te redden, Zijn oor is niet doof om te horen;
1耶和華的膀臂並非縮短,不能拯救, 耳朵並非發沉,不能聽見,
2Maar uw misdaden graven een klove tussen u en uw God, Uw zonden bedekken zijn aanschijn voor u, zodat Hij niet hoort.
2但你們的罪孽使你們與上帝隔絕; 你們的罪惡使他掩面不聽你們。
3Want uw handen zijn bezoedeld met bloed, Uw vingers met misdaad; Uw lippen spreken leugentaal, Uw tong lispelt boosheid.
3因你們的手被血沾染, 你們的指頭被罪孽沾污, 你們的嘴唇說謊言, 你們的舌頭出惡語。
4Niemand klaagt aan volgens recht, En niemand pleit eerlijk; Men steunt op verzinsels, spreekt valsheid, Gaat zwanger van gekonkel, baart onheil.
4無一人按公義告狀, 無一人憑誠實辯白; 都倚靠虛妄,說謊言。 所懷的是毒害; 所生的是罪孽。
5Addereneieren broeden zij uit, En spinnewebben weven ze aaneen: Wie van hun eieren eet, gaat dood; Breekt men ze open, een slang schiet er uit.
5他們菢毒蛇蛋, 結蜘蛛網; 人吃這蛋必死。 這蛋被踏,必出蝮蛇。
6Van hun webben kan men geen kleren maken, En zich met hun maaksels niet dekken; Hun daden zijn enkel onheilsdaden, En hun handen plegen geweld.
6所結的網不能成為衣服; 所做的也不能遮蓋自己。 他們的行為都是罪孽; 手所做的都是強暴。
7Hun voeten reppen zich naar het kwaad, En rennen, om onschuldig bloed te vergieten; Hun gedachten zijn onheilsgedachten, Verwoesting en vernieling bedekken hun paden.
7他們的腳奔跑行惡; 他們急速流無辜人的血; 意念都是罪孽, 所經過的路都荒涼毀滅。
8De weg van de vrede kennen ze niet, En in hun sporen vindt men geen recht; Hun paden maken ze krom, Wie ze betreedt, vindt geen vrede.
8平安的路,他們不知道; 所行的事沒有公平。 他們為自己修彎曲的路; 凡行此路的都不知道平安。
9Daarom blijft het recht ook verre van ons, En kan ons het heil niet bereiken; Wij wachten op licht, en zie, het blijft donker, Op zonnegloren, en wij wandelen in duisternis rond.
9因此,公平離我們遠, 公義追不上我們。 我們指望光亮,卻是黑暗, 指望光明,卻行幽暗。
10Als blinden tasten we langs de wand, Weifelend als die geen ogen hebben; Wij struikelen op klaarlichte dag, alsof het schemering was, Zijn in de bloei van het leven als doden.
10我們摸索牆壁,好像瞎子; 我們摸索,如同無目之人。 我們晌午絆腳,如在黃昏一樣; 我們在肥壯人中,像死人一般。
11Wij grommen allen als beren, En klagen als kirrende duiven; Wij wachten op recht, maar het wil niet komen, Op redding, maar zij blijft verre van ons.
11我們咆哮如熊, 哀鳴如鴿; 指望公平,卻是沒有; 指望救恩,卻遠離我們。
12Ja, onze misdaden zijn voor uw aanschijn zo talrijk, En onze zonden leggen tegen ons getuigenis af; Onze schuld staat ons altijd voor ogen, We zijn ons onze misdrijven bewust.
12我們的過犯在你面前增多, 罪惡作見證告我們; 過犯與我們同在。 至於我們的罪孽,我們都知道:
13Het is altijd: Jahweh verzaken, verloochenen, Ontrouw worden aan onzen God, Verzet en overtreding preken, Zwanger van leugentaal gaan, en die uit het binnenste stoten.
13就是悖逆、不認識耶和華, 轉去不跟從我們的上帝, 說欺壓和叛逆的話, 心懷謊言,隨即說出。
14Het recht wordt achteruitgedrongen, Gerechtigheid blijft op een afstand staan; De waarheid struikelt op straat, De eerlijkheid komt nergens binnen;
14並且公平轉而退後, 公義站在遠處; 誠實在街上仆倒, 正直也不得進入。
15De goede trouw is verbannen, En wie het kwade mijdt, stelt zich aan plundering bloot! Jahweh heeft het gezien, en is verontwaardigd, Omdat er geen recht meer bestaat.
15誠實少見; 離惡的人反成掠物。 那時,耶和華看見沒有公平, 甚不喜悅。
16Maar toen Hij zag, dat er niemand was, Vol verbazing, dat niemand kwam helpen: Toen heeft zijn eigen arm Hem geholpen, Zijn gerechtigheid Hem gesteund.
16他見無人 拯救 , 無人代求,甚為詫異, 就用自己的膀臂施行拯救, 以公義扶持自己。
17Hij gordde de gerechtigheid om als een pantser, Zette de helm van het heil op zijn hoofd, Trok de wraak als een wapenrok aan, Sloeg de ijverzucht om als een mantel.
17他以公義為鎧甲, 以拯救為頭盔, 以報仇為衣服, 以熱心為外袍。
18Naar de werken zal Hij vergelden: Gramschap voor zijn tegenstanders, Wraak over zijn vijanden, En de kustlanden geeft Hij hun loon.
18他必按人的行為施報, 惱怒他的敵人, 報復他的仇敵, 向眾海島施行報應。
19Dan zal men de Naam van Jahweh vrezen in het westen, En zijn glorie aan de opgang der zon: Want Hij komt als een bruisende stroom, Voortgezweept door de adem van Jahweh.
19如此,人從日落之處必敬畏耶和華的名, 從日出之地也必敬畏他的榮耀; 因為仇敵好像急流的河水沖來, 是耶和華之氣所驅逐的。
20Maar voor Sion komt een Verlosser, Voor wie zich in Jakob van hun zonde bekeren, spreekt Jahweh,
20必有一位救贖主來到 錫安 - 雅各 族中轉離過犯的人那裏。 這是耶和華說的。
21En dit zal mijn Verbond met hen zijn, zegt Jahweh: Mijn geest, die op u rust, De woorden, die Ik in uw mond heb gelegd, Zullen uit uw mond niet wijken, noch uit die van uw kroost, Noch uit de mond van het zaad van uw kroost, Zegt Jahweh: van nu af tot in eeuwigheid!
21耶和華說:「至於我與他們所立的約乃是這樣:我加給你的靈,傳給你的話,必不離你的口,也不離你後裔與你後裔之後裔的口,從今直到永遠;這是耶和華說的。」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.