Jesaja
Chapter 63
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Wie is het, die van Edom komt, In bloedrode kleren van Bosra, Stralend in zijn feestgewaad, Fier in zijn geweldige kracht? Ik ben het, wiens woord gerechtigheid is, Die machtig is, om te redden!
1Хто се йде з Едому, в червоній одежі з Босору, такий величний в своїй одежі, що виступає в повнотї сили своєї? — Се я, — той що в устах його справедливість, я, сильний до рятовання.
2Waarom is dan uw feestgewaad rood, Uw kleren, alsof Gij de wijnpers treedt?
2Чом же одїж твоя червона, а ризи твої — мов у того, що топтав виноград у тискарнї?
3Ik, Ik alleen heb de wijnpers getreden, En geen enkel volk stond Mij bij; Ik heb ze vertreden in mijn toorn, Ze vertrapt in mijn gramschap. Toen spatte hun bloed op mijn kleren, En besmeurde Ik heel mijn gewaad;
3Я топтав виноград сам один, не було зміж народів нїкого зо мною; і я потоптав їх у гнїву мойму, давив їх у досадї моїй; кров їх бризгала на мої ризи, от я й замаргав усю одїж мою;
4Want Ik had een dag van wraak beraamd, Gekomen was mijn jaar van verlossing!
4День бо помсти мав я на умі, і настав рік визволу людей моїх.
5Ik keek rond: Geen helper daar! Stond verbaasd: Er was niemand, die steunde! Toen heeft mijn eigen arm Mij geholpen, En mijn gerechtigheid Mij gesteund.
5Я дивився, й не було помічника; дивувався, що не було кому піддержати мене; та менї помогла рука моя, й досада моя — вона піддержала мене;
6Ik vertrapte de volkeren in mijn toorn, Maakte ze dronken van mijn gramschap; En Ik liet hun bloed Op de aarde stromen!
6І потоптав я ворогів в гнїву мойму, розбив їх у досадї моїй, і полив землю їх кровю.
7Ik wil de gunsten van Jahweh herdenken, De roemruchte werken van Jahweh: Al wat Jahweh voor ons heeft gedaan, Zijn grote goedheid voor Israëls huis; Wat Hij in zijn ontferming voor ons deed, En naar de volheid van zijn genade;
7О, вдячно буду згадувати змилуваннє Господнє, і буду славити Господа за все те, що Господь дарував нам; за всї блага для дому Ізраїля, які явив йому в милосердю свому і великій ласкавостї своїй.
8Hoe Hij zeide: Ze zijn toch mijn volk, Kinderen, die hun trouw niet verbreken!
8Він бо сказав: Вони ж народ мій, дїти, що не зломлять вірностї, — і він спасав їх.
9Hij was hun een Redder in al hun benauwdheid; Geen bode of engel: Hijzelf heeft ze gered. In zijn liefde en ontferming heeft Hij zelf ze verlost, Hen opgenomen, gedragen heel de vroegere tijd.
9В кожній недолї їх він не покидав їх, і ангел лиця його рятував їх; з любови своєї й з милосердя свого визволяв їх; підняв їх і носив по всї днї давні.
10Maar zij waren weerspannig, En bedroefden zijn heilige geest; Zo is Hij hun vijand geworden, Heeft Hij zelf ze bestreden.
10Та вони неслухняні бували й печалї завдавали духові його; за те ж він одвертався і ставав їм неприятельом; і сам воював проти них.
11Toen dacht zijn volk aan de vroegere dagen, Aan de dagen van Moses! Waar blijft Hij, die uit de wateren trok Den herder zijner kudde? Waar blijft Hij, die in diens hart Zijn heilige geest heeft gelegd;
11Тодї згадав народ часи давні, Мойсейові: де він — той, що вивів їх із моря з пастирем овець його? де той, що сьвятого духа свого вложив йому в серце?
12Die Moses met zijn rechterhand heeft geleid, En met zijn heerlijke arm? Die voor hen uit de wateren kliefde, Om zich een eeuwige naam te bereiden;
12Той, що вів Мойсея за праву руку величним рамям своїм; роздїлив перед ним води, щоб вічне вчинити імя собі;
13Hen door de watervloeden deed gaan, Zonder te struikelen, als een ros over de steppe?
13Той, що вів їх через безоднї, мов коня степом широким, та й не спотикались.
14Als een kudde, die naar de vlakte daalt, Heeft Jahweh’s geest hen geleid; Zó hebt Gij uw volk willen leiden, Dat Gij u een heerlijke naam hebt bereid!
14Мов стадо, що легко сходить у долину, так дух Господень вів їх до впокою. Оттак водив ти твій нарід, щоб собі імя славне вчинити.
15Ach, blik neer uit de hemel, Zie neer uit uw heilige en heerlijke woning! Waar blijft nu uw ijver en kracht, uw ontroering, ontferming?
15Споглянь же з небес, подивись із пробутку твого сьвятого й славного: Де любовний жар і кріпость твоя? — ласкавість твоя й милосердє твоє до мене — вони здержані!
16Onthoud ze ons niet: want Gij zijt onze Vader! Neen, Abraham kent ons niet eens, En Israël herkent ons niet meer; Maar Gij, Jahweh, blijft onze Vader, Gij heet onze Verlosser van ouds!
16Нї, тілько ти — отець наш; бо Авраам нас не відав, та й не знав про нас Ізраїль; ти, ти, Господь, — отець наш; від віків на імя тобі: Відкупитель наш.
17Waarom, Jahweh, hebt Gij ons van uw wegen laten verdwalen, Ons hart afgestompt, om U niet te vrezen? Ach, Heer, keer terug omwille van uw dienaars, Terwille van de stammen, die uw erfdeel zijn.
17Про що, Господи, допустив ти се на нас, щоб з путя твого ми збились, щоб закаменїло серце наше й перестало тебе боятись? Обернися ж задля слуг твоїх, задля поколїнь наслїддя твого.
18Waarom hebben de goddelozen uw tempel beschimpt, Onze vijanden uw heilige woning vertreden;
18На короткий час допалась вона народові сьвятостї твоєї, вороги бо наші взяли під ноги сьвятиню твою.
19Zijn wij geworden, als hadt Gij nooit over ons geregeerd, Als waren wij nooit naar U genoemd?
19Ми тепер такими стали, наче б ти нїколи й не володїв над нами, наче б імя твоє не йменувалось над нами.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.