Jesaja
Chapter 43
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Maar nu spreekt Jahweh, Die u heeft geschapen, o Jakob, Die u heeft gevormd, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u vrij gekocht; Bij uw naam u geroepen: Gij zijt de mijne!
1А тепер так говорить Господь, творець твій, Якове, той, що утворив тебе, Ізраїлю: Не лякайся, бо я тебе визволив з неволї, дав тобі імя: ти мій.
2Toen ge door de wateren trokt, was Ik met u, Of door stromen: ze konden u niet overstelpen; Al moest ge door vuur, ge kondt niet verbranden, En de vlammen verzengden u niet.
2Чи ти через води йти меш, — я з тобою, чи через ріки, ти не потонеш; чи пійдеш через огонь, не попечешся, і поломє не обпалить тебе.
3Want Ik ben Jahweh, uw God, Israëls Heilige, Uw Redder! Ik gaf voor u Egypte prijs, En Koesj en Seba in ruil;
3Я бо твій Господь, Сьвятий Ізрайлїв — спаситель твій; я оддав у викуп за тебе Египет, Етиопию й Сабу.
4Want ge waart kostbaar in mijn ogen, Hooggeschat, Ik had u lief; Landen gaf Ik voor u weg, Volken tot pand voor uw leven!
4Дорогий в очу ти в мене, многоцїнний і любий менї; то ж я віддам других людей за тебе, й — народи за душу твою.
5Wees dus niet bang, Want Ik ben met u! Van het oosten zal Ik uw kroost laten komen, Ik breng u weer van het westen bijeen;
5Не лякайсь, бо я з тобою; від сходу сонця приведу твоє насїннє, позбіраю тебе від заходу.
6Tot het noorden zeg Ik: Geef op, Tot het zuiden: Weerhoud ze niet! Breng terug van verre mijn zonen, Mijn dochters van de grenzen der aarde:
6Півночі скажу: Оддай їх; а полудню: Не вдержуй; приведи сини мої здалека й дочки мої від окраїн землї;
7Allen, die naar mijn Naam zijn genoemd, Die Ik schiep tot mijn glorie, die Ik vormde en maakte.
7Кожного, хто називається імям моїм, кого я сотворив на славу менї, кого зʼобразував і устроїв.
8Laat gaan het volk, dat ogen heeft, maar blind was geworden, De doven, ofschoon ze oren hebben!
8Виведи слїпих, що мають нїби зрячі очі, і глухих, що нїби мають уші.
9Laat alle volken samen komen, De naties bijeen! Wie van de goden kan zoiets voorspellen, Het verkonden vooraf? Dat ze hun getuigen brengen, en hun beweringen staven; Men zal ze horen, en zeggen: ‘t Is waar!
9Нехай зберуться всї народи разом, зійдуться всї племена докупи. Хто ж ізміж них проповів се наперед? нехай скажуть, що було од початку; нехай поставлять сьвідків від себе й докажуть, щоб, вислухавши, можно сказати: Се правда!
10Maar mijn getuigen, zegt Jahweh, zijt gij, Mijn dienaars, die Ik heb uitverkoren; Opdat zij erkennen, in Mij geloven, En goed begrijpen, dat Ik het ben: Dat vóór Mij geen god heeft bestaan, En ná Mij geen ander zal zijn!
10А мої сьвідки, — говорить Господь — ви й слуга мій, що я його вибрав, щоб ви знали й вірили менї та й зрозуміли, що се — я: передо мною не було Бога, та й опісля не буде.
11Ik, Ik ben Jahweh; Er is geen ander redder dan Ik!
11Я, я — Господь, та й нема спасителя крім мене.
12Ik ben het ook, die de redding voorspelde, En verkondde vooraf! Ik ben geen vreemde onder u, En gij zijt mijn getuigen, is de godsspraak van Jahweh! Ik ben God van eeuwigheid af,
12Я прорік та й спас, так як заповів; а иншого не було в вас, проте ви сьвідки у мене, що я — Бог, говорить Господь.
13En zal het in de toekomst ook zijn! Niemand, die uit mijn hand kan redden; Als Ik het doe, wie zal het beletten?
13Із віку й віку я — той самий, і нїхто не врятує од руки моєї; я вчиню, а хто те переіначить?
14Zo spreekt Jahweh, uw Verlosser, Israëls Heilige.
14Так говорить Господь, ваш відкупитель, Сьвятий Ізраїля: Задля вас я, наче б уже післав у Вавилон, та покрушив всї засови, й Халдеїв, що так своїми кораблями величались.
15Om uwentwil zal Ik er een naar Babel zenden, En alle grendels doen vallen, De Chaldeën vernielen, Hun jubel in weeklacht verkeren: Ik, Jahweh, uw Heilige, Ik, Israëls Schepper, uw Koning!
15Я бо — Господь, Сьвятий ваш, творець Ізраїля, царь ваш.
16Zo spreekt Jahweh, die een weg door de zee had gebaand, Een pad door de onstuimige wateren;
16Так говорить Господь, той, що відкрив дорогу в морі, в глибинах водних — стежку,
17Die wagens en paarden er over liet gaan, Met krijgsmacht en strijders: Maar ze lagen neer, en stonden niet op, Uitgedoofd als een kwijnende pit!
17Той, що вивів колесницї й конї; військо й силу; а вони всї разом лягли, щоб уже не встали; потахли, наче каганець, — погасли.
18Blijft nu niet staren op wat vroeger gebeurde, En staat bij het verleden niet stil;
18Та ви про минуле не згадуєте, про давне не думаєте.
19Zie, Ik ga iets nieuws beginnen: Het is al ontloken, bemerkt ge het niet? Thans maak Ik door de stèppe een weg, En stromen in de woestijn!
19Проте я вчиню щось нове; воно, наче б уже сталось; чи вже ж ви й сього не схочете знати? Я пробю дорогу в пустинї, на степах пролию ріки.
20De wilde beesten zullen Mij loven, Jakhalzen en struisen: Want Ik breng water in de woestijn, En in de wildernis stromen, Om mijn uitverkoren volk te drenken,
20Буде мене вихваляти зьвіррє степове, шакалі та струсї, за те дам воду в пустинї, — ріки в степі сухому, щоб поїти (новий) вибраний нарід мій.
21Het volk dat Ik Mij vormde, en dat mijn lof zal verkonden!
21Нарід сей виобразую я для себе; він мене прославить.
22Toch Jakob, hebt ge Mij niet aangeroepen, Israël, u om Mij niet bekommerd;
22Ти бо, Якове, не призивав мене; ти, Ізраїлю, не пильнував моєї хвали.
23Gij hebt Mij geen schapen ten offer gebracht, Met uw slachtoffers Mij niet geëerd; Met spijsoffers ben Ik u niet lastig gevallen, Om wierook plaagde Ik u niet!
23Ти (наче б і) не приносив менї ягнят твоїх у всепаленнє, і жертвами твоїми не віддавав менї шани. Та я й не допевнявсь у тебе хлїбових приносів і не силував кадилом кадити.
24Ge hebt Mij geen reukwerk gekocht met uw geld, Mij niet met het vet van uw offers verzadigd: Met uw zonden zijt ge Mij lastig gevallen, Met uw misdaden hebt ge Mij geplaagd!
24Ти (наче б) не куповав за гроші пахощів про мене, не засичовав мене жиром жертівним; нї, ти гріхами твоїми причиняв труду менї, та проступками твоїми обтяжував мене.
25Neen, Ik, Ikzelf delg uw misdaden uit, Uit eigen beweging gedenk Ik uw zonden niet meer!
25Я, я сам (з ласки) затираю проступки твої задля себе самого, та не памятаю гріхів твоїх.
26Kom mijn geheugen te hulp, en laat ons pleiten tegen elkaar; Spreek op, zo gij u rechtvaardigen wilt!
26Пригадай менї; станьмо на суд; говори ти, як можеш оправдатись.
27Uw eerste vader heeft tegen Mij al gezondigd, En uw leiders waren Mij ontrouw!
27Праотець твій согрішив, та й посередники твої відступали від мене.
28Daarom heb Ik de heilige vorsten onteerd, Jakob met banvloek, Israël met schande geslagen!
28За те ж я відберав старшинам сьвятого пробутку їх сьвященство, побивав Якова проклоном, передавав Ізраїля на поругу.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.