Jesaja 57
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Intussen komt de rechtvaardige om, En er is niemand, die er op let; Worden de vromen weggerukt, En er is niemand, die inziet: Dat de rechtvaardige aan onheil ontrukt wordt,
1Праведний вмерає, та й нїхто сього не бере собі до серця; і люде побожні забераються з землї, та нїхто й не думає, що се праведник заберається з сьвіта, щоб не бачити ледарства.
2En heengaat in vrede; Dat hij op zijn rustplaats gaat rusten, Die de rechte weg heeft bewandeld.
2Він відходить туди, де впокій; всї, що ходять правою дорогою, спочнуть спокійно на ложах своїх.
3En gij, komt gij maar eens hier Gij heksenwichten, Ras van overspeler en hoer!
3Приступіте ж, ви, до мене, дїти чарівницї; ви, кодло перелюбників та блудниць!
4Over wien waagt ge het, u vrolijk te maken, Tegen wien de mond op te zetten, En uw tong uit te steken? Zijt ge geen kinderen der zonde, En leugenbroed?
4Із кого ви глузуєте? проти кого роззївлюєте роти, висолоплюєте язики? чи ви ж не зрадливі дїти, чи не кодло ложі?
5Gij ligt verhit van lust bij de eiken En onder elke groene boom; Gij slacht de kinderen in de dalen, En in de spelonken der rotsen.
5Ви, що в блудї з ідолами потопаєте під кожним деревом розлогим, і бовванам дїти заколюєте понад водою та під скелями щілястими?
6De glibberige stenen in het dal zijn uw deel, Die behoren u toe; Daarop giet gij uw plengoffer uit, en breng gij uw gave: En zou Ik er genoegen mee nemen?
6В гладких каменюках над бурчаками твоя роскіш; вони — вони твоє щастє; їм то ти приносиш жертви ливні і другі жертви; чи менї ж за се не гнївитись?
7Op grote en hoge bergen Hebt gij uw leger gespreid; Daar klimt gij omhoog, Om uw offers te brengen.
7На високій та видній горі своє ти поставляєш ложе, й туди підходиш приносити жертву.
8En achter deuren en posten Zet gij uw man-beeld; Uw dek slaat gij op, en beklimt het, En maakt er plaats voor in bed. Gij koopt voor u Wier bijslaap gij wenst; Gij bedrijft er veel overspel mee, En kijkt naar hun schaamte.
8За дверима й за лутками ставиш памятники-ідоли свої; одвернувшись від мене, ти обнажуєшся й підходиш; розстелюєш постїль, вишукуєш місце, змовляєшся з тими, котрі тобі любі.
9Gij zalft u met olie voor Molok, Met alle soorten van balsem; En zendt uw boden naar verre gewesten, Naar de diepten zelfs van het dodenrijk.
9Ти ходила й до царя з пахущими мастьми, та все їх намножувала; ще ж слала й посли в краї далекі, та понижувалась як найглибше.
10En als ge uitgeput zijt door uw jachten, Dan zegt ge nog niet: Ik houd er mee op; Ge vindt bevrediging in uw lust, En daarom geeft ge ‘t niet op.
10Утомлялась, блукаючи дорогами твоїми, та не сказала собі: „пуста надїя!‟ ти все ще знаходила силу в руцї своїй, і не впадала на силах.
11Wien vreest ge nog, wien ducht ge nog, Dat ge zo trouweloos zijt, En aan Mij niet meer denkt, U om Mij niet bekommert? Is het misschien, omdat Ik zweeg en mijn ogen sloot, Dat ge geen angst voor Mij hadt?
11Кого ж се злякалась ти, хто се тобі таким страшним здавався, що ти менї невірною зробилась, не думала про мене та й перестала носити в твойму серцї? Невже ж перестала ти боятись мене тому, що я довго мовчав?
12Dan stel Ik thans uw gerechtigheid aan de kaak, Met uw werken daarbij;
12О, я покажу праведність твою і вчинки твої, та вони не вийдуть у користь тобі.
13Dan zal uw godentroep u niet baten, En u niet redden, als ge roept; De wind neemt ze allemaal op, Een zucht vaagt ze weg! Maar wie op Mij vertrouwt, zal het Land ontvangen, En mijn heilige Berg bezitten;
13Як ти заголосиш, — чи ж поможе тобі збір твій? — та ж їх усїх понесе вітер, розвіє подих його; хто ж покладає надїю на мене, той унаслїдує землю, й посяде сьвяту гору мою.
14Ik zal zeggen: Baant, baant, effent het pad, Neemt het struikelblok weg van het pad van mijn volk.
14І сказав: Здіймайте, пробирайте, рівняйте дорогу, забірайте все спотичливе з дороги люду мого.
15Waarachtig, zo spreekt de Allerhoogste, Hij, die hoog is verheven; Die in eeuwigheid troont, En de Heilige heet! Ik woon in een hoge en heilige woning, Maar ook bij de vermorzelde, ootmoedige geest: Om de geest der ootmoedigen ten leven te wekken, Het hart der vermorzelden weer te doen leven.
15Так бо говорить високий, величній, вічно живущий, Сьвятий на імя: Я живу на висотах і в сьвятинї, та й з тими, в кого дух сокрушен, в кого серце смиренне, щоб оживляти духа смиренних і додавати життя серцям сокрушених.
16Neen, niet eeuwig blijf Ik vergramd, Niet altoos vertoornd; Want dàn zou hun geest voor mijn aanschijn versmachten, De zielen, die Ik zelf heb geschapen.
16Не до віку ж бо я судитись буду, не вічно гнївитись, бо знемігся б передо мною дух і всяка душа, що я сотворив.
17In mijn gramschap heb Ik mijn aanschijn verborgen, Zodat hij ging dolen, waar ‘t hart hem dreef.
17За гріх зажерливостї його я гнївивсь і карав його, скривав лице моє й досадував; він же ж відвернувся й пійшов по дорозї за своїм серцем.
18Maar nu heb Ik zijn wegen gezien: Ik zal hem genezen en leiden; Hèm troosten, en die met hem treuren,
18І бачив я дорогу його, та й сцїлю його, і буду водити його й потїшати його та й безʼутїшних у него.
19Een danklied op de lippen leggen. Vrede, vrede, voor hem die ver is, En voor hem, die nabij is: Spreekt Jahweh: Ik zal hem genezen!
19Я додержу слова: мир, упокій далекому й близькому, говорить Господь, — та й сцїлю його.
20Maar de bozen zijn als een onstuimige zee, Die nimmer eens tot rust kan komen, Wier golven slijk en modder braken:
20А безбожні — як море розбурхане, що не може втихомиритись, і води його викидають каломут і грязиво.
21Geen vrede voor de goddelozen, spreekt Jahweh!
21Нема миру безбожним — говорить Бог мій.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.