Jesaja
Chapter 9
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Maar eenmaal zal de nacht verdwijnen, Zal er geen donker meer zijn, voor wie nu nog beangst is! Wel heeft Hij smaad gebracht over Zabulons land, Over het land van Neftali in vroegere tijden: Maar in de eindtijd herstelt Hij in ere De weg naar de zee, De overkant van de Jordaan, Het gewest van de heidenen.
1A však ne tak obklíčí mrákota té země, kteráž ssoužena bude, jako když se ponejprv nepřítel dotkl země Zabulon a země Neftalím, ani jako potom, když více obtíží, naproti moři, při Jordánu Galilei lidnou.
2Het volk, dat in duisternis wandelt, Zal dan een helder licht aanschouwen; Die wonen in het dal van de schaduw des doods, Een glans zal over hen stralen!
2Nebo lid tento chodě v temnostech, uzří světlo veliké, a bydlícím v zemi stínu smrti světlo zastkví se.
3Gij zult hun vreugde vermeerderen, hun blijdschap vergroten; Vrolijk zullen ze zijn voor uw aanschijn, Zoals men vrolijk is bij de oogst, Zoals men blij is bij het verdelen van buit!
3Rozmnožil jsi tento národ, ale nezveličils veselé. A však veseliti se budou před tebou, tak jako se veselí ve žni, jako se radují, když dělí kořisti,
4Want het juk, dat hem drukte, Het blok op zijn schouders, De stok van zijn drijver Breekt Gij als op de dag van Midjan stuk.
4Když jho břemene jeho a prut ramene jeho, hůl násilníka jeho polámeš, jako za dnů Madianských,
5Alle dreunend stampende laarzen En in bloed geverfde mantels Zullen worden verbrand, Door de vlammen verteerd.
5Kdyžto všickni bojovníci předěšeni, a roucha ve krvi zbrocena, ano což hořeti mohlo, i ohněm spáleno.
6Want een Kind is ons geboren, een Zoon ons geschonken; De heerschappij wordt op zijn schouders gelegd. En zijn naam wordt genoemd: Wonderbaar raadsman, Goddelijke held, Vader voor immer, Vorst van de vrede!
6Nebo dítě narodilo se nám, syn dán jest nám, i bude knížetství na rameni jeho, a nazváno bude jméno jeho: Předivný, Rádce, Bůh silný, Rek udatný, Otec věčnosti, Kníže pokoje.
7Grote macht zal Hij brengen, en eindeloze vrede Aan Davids huis en zijn rijk. Hij zal het steunen en stutten met recht en gerechtigheid Nu en voor immer: De ijver van Jahweh der heirscharen brengt het tot stand!
7K rozmnožování pak toho knížetství a pokoje, jemuž nebude konce, sedne na stolici Davidově, a na království jeho, až je i v řád uvede, a utvrdí v soudu a v spravedlnosti, od tohoto času až na věky. Horlivost Hospodina zástupů to učiní.
8De Heer heeft een woord tot Jakob gezonden, En het valt in Israël neer;
8Slovo poslal Pán Jákobovi, a padlo v Izraeli.
9Het hele volk zal het ondervinden: Efraïm en de bewoners van Samaria! Want ze hebben gezegd in hun trots, En in de hoogmoed des harten:
9A zvíť všecken lid, Efraim, i obyvatelé Samařští, kteříž v pýše a vysokomyslnosti srdce říkají:
10De baksteen gevallen: we herbouwen met hardsteen; De moerbei geveld: ceders planten wij in haar plaats!
10Padly cihly, ale my tesaným kamenem stavěti budeme; planí fíkové podťati jsou, a my to v cedry směníme.
11Jahweh vuurde de verdrukkers van Resin tegen hen aan, En hitste de vijanden tegen hen op;
11Ale zvýší Hospodin protivníky Rezinovy nad něj, a nepřátely jeho svolá,
12Aram ten oosten, de Filistijnen ten westen Hebben Israël verslonden met gulzige mond; Maar toch bedaart zijn gramschap niet, Zijn hand blijft naar hen uitgestrekt!
12Syrské po předu, a Filistinské po zadu. I budou žráti Izraele celými ústy, aniž ve všem tom odvrátí se prchlivost jeho, ale ruka jeho předce bude vztažená.
13Want het volk bekeerde zich niet tot Hem, die het sloeg, En zocht Jahweh der heirscharen niet.
13Protože se lid ten nenavrací k tomu, kterýž jej bije, a Hospodina zástupů nehledají,
14Daarom heeft Jahweh Israël kop en staart afgehouwen, Palmtak en riet op één dag:
14Protož odetne Hospodin od Izraele hlavu i ocas, ratolest i sítí jednoho dne.
15De oudsten en edelen waren de kop, De leugenprofeten de staart;
15(Stařec a vzácný člověk, onť jest hlava, prorok pak, kterýž učí lži, onť jest ocas.)
16Die dit volk moesten leiden, zijn zijn verleiders, Die geleid moesten worden, zijn op een doolweg gebracht.
16Nebo vůdcové lidu tohoto jsou svůdcové, a kteříž se jim vésti dadí, zhynuli.
17Daarom spaarde de Heer hun jongelingen niet, Ontfermde zich niet over hun weduwen en wezen; Want ze zijn allen godvergeten en boos, En iedere mond spreekt goddeloze taal; Maar toch bedaart zijn gramschap niet, Zijn hand blijft tegen hen uitgestrekt!
17Protož z mládenců jeho nepotěší se Pán, a nad sirotky a vdovami jeho neslituje se; nebo všickni jsou pokrytci a zločinci, a každá ústa mluví nešlechetnost. Aniž ve všem tom odvrátí se prchlivost jeho, ale předce ruka jeho bude vztažená.
18Want de goddeloosheid brandt als een vuur, Dat doornen en distels verteert, Het dichte woud in vlammen zet, En in dwarrelende rookwolken hult.
18Nebo roznícena jsouc jako oheň bezbožnost, bodláčí a trní pálí, potom zapálí i houště lesu; pročež rozptýleni budou jako dým u povětří.
19Door de gramschap van Jahweh is het land ontredderd, Het volk tot menseneters verlaagd:
19Pro hněv Hospodina zástupů zatmí se země, a ten lid bude jako pokrm ohně. Žádný ani bratra svého šanovati nebude,
20Men hapt naar rechts, en nog heeft men honger, Men bijt naar links, en wordt niet verzadigd. Niemand spaart zijn eigen broer, En allen verslinden het vlees van hun kroost:
20Ale krájeje sobě po pravé straně, však lačněti bude, a zžíraje po levé, však nenasytí se. Jeden každý maso ramene svého žráti bude,
21Manasse Efraïm, Efraïm Manasse, En met elkander weer Juda. Maar toch bedaart zijn gramschap niet. Zijn hand blijft tegen hen uitgestrekt!
21Manasses Efraima a Efraim Manessesa, oba pak spolu proti Judovi budou. Ve všem tom však neodvrátí se prchlivost jeho, ale předce ruka jeho bude vztažená.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.