Jesaja 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Maar eenmaal zal de nacht verdwijnen, Zal er geen donker meer zijn, voor wie nu nog beangst is! Wel heeft Hij smaad gebracht over Zabulons land, Over het land van Neftali in vroegere tijden: Maar in de eindtijd herstelt Hij in ere De weg naar de zee, De overkant van de Jordaan, Het gewest van de heidenen.
1כי לא מועף לאשר מוצק לה כעת הראשון הקל ארצה זבלון וארצה נפתלי והאחרון הכביד דרך הים עבר הירדן גליל הגוים׃
2Het volk, dat in duisternis wandelt, Zal dan een helder licht aanschouwen; Die wonen in het dal van de schaduw des doods, Een glans zal over hen stralen!
2העם ההלכים בחשך ראו אור גדול ישבי בארץ צלמות אור נגה עליהם׃
3Gij zult hun vreugde vermeerderen, hun blijdschap vergroten; Vrolijk zullen ze zijn voor uw aanschijn, Zoals men vrolijk is bij de oogst, Zoals men blij is bij het verdelen van buit!
3הרבית הגוי לא הגדלת השמחה שמחו לפניך כשמחת בקציר כאשר יגילו בחלקם שלל׃
4Want het juk, dat hem drukte, Het blok op zijn schouders, De stok van zijn drijver Breekt Gij als op de dag van Midjan stuk.
4כי את על סבלו ואת מטה שכמו שבט הנגש בו החתת כיום מדין׃
5Alle dreunend stampende laarzen En in bloed geverfde mantels Zullen worden verbrand, Door de vlammen verteerd.
5כי כל סאון סאן ברעש ושמלה מגוללה בדמים והיתה לשרפה מאכלת אש׃
6Want een Kind is ons geboren, een Zoon ons geschonken; De heerschappij wordt op zijn schouders gelegd. En zijn naam wordt genoemd: Wonderbaar raadsman, Goddelijke held, Vader voor immer, Vorst van de vrede!
6כי ילד ילד לנו בן נתן לנו ותהי המשרה על שכמו ויקרא שמו פלא יועץ אל גבור אביעד שר שלום׃
7Grote macht zal Hij brengen, en eindeloze vrede Aan Davids huis en zijn rijk. Hij zal het steunen en stutten met recht en gerechtigheid Nu en voor immer: De ijver van Jahweh der heirscharen brengt het tot stand!
7למרבה המשרה ולשלום אין קץ על כסא דוד ועל ממלכתו להכין אתה ולסעדה במשפט ובצדקה מעתה ועד עולם קנאת יהוה צבאות תעשה זאת׃
8De Heer heeft een woord tot Jakob gezonden, En het valt in Israël neer;
8דבר שלח אדני ביעקב ונפל בישראל׃
9Het hele volk zal het ondervinden: Efraïm en de bewoners van Samaria! Want ze hebben gezegd in hun trots, En in de hoogmoed des harten:
9וידעו העם כלו אפרים ויושב שמרון בגאוה ובגדל לבב לאמר׃
10De baksteen gevallen: we herbouwen met hardsteen; De moerbei geveld: ceders planten wij in haar plaats!
10לבנים נפלו וגזית נבנה שקמים גדעו וארזים נחליף׃
11Jahweh vuurde de verdrukkers van Resin tegen hen aan, En hitste de vijanden tegen hen op;
11וישגב יהוה את צרי רצין עליו ואת איביו יסכסך׃
12Aram ten oosten, de Filistijnen ten westen Hebben Israël verslonden met gulzige mond; Maar toch bedaart zijn gramschap niet, Zijn hand blijft naar hen uitgestrekt!
12ארם מקדם ופלשתים מאחור ויאכלו את ישראל בכל פה בכל זאת לא שב אפו ועוד ידו נטויה׃
13Want het volk bekeerde zich niet tot Hem, die het sloeg, En zocht Jahweh der heirscharen niet.
13והעם לא שב עד המכהו ואת יהוה צבאות לא דרשו׃
14Daarom heeft Jahweh Israël kop en staart afgehouwen, Palmtak en riet op één dag:
14ויכרת יהוה מישראל ראש וזנב כפה ואגמון יום אחד׃
15De oudsten en edelen waren de kop, De leugenprofeten de staart;
15זקן ונשוא פנים הוא הראש ונביא מורה שקר הוא הזנב׃
16Die dit volk moesten leiden, zijn zijn verleiders, Die geleid moesten worden, zijn op een doolweg gebracht.
16ויהיו מאשרי העם הזה מתעים ומאשריו מבלעים׃
17Daarom spaarde de Heer hun jongelingen niet, Ontfermde zich niet over hun weduwen en wezen; Want ze zijn allen godvergeten en boos, En iedere mond spreekt goddeloze taal; Maar toch bedaart zijn gramschap niet, Zijn hand blijft tegen hen uitgestrekt!
17על כן על בחוריו לא ישמח אדני ואת יתמיו ואת אלמנתיו לא ירחם כי כלו חנף ומרע וכל פה דבר נבלה בכל זאת לא שב אפו ועוד ידו נטויה׃
18Want de goddeloosheid brandt als een vuur, Dat doornen en distels verteert, Het dichte woud in vlammen zet, En in dwarrelende rookwolken hult.
18כי בערה כאש רשעה שמיר ושית תאכל ותצת בסבכי היער ויתאבכו גאות עשן׃
19Door de gramschap van Jahweh is het land ontredderd, Het volk tot menseneters verlaagd:
19בעברת יהוה צבאות נעתם ארץ ויהי העם כמאכלת אש איש אל אחיו לא יחמלו׃
20Men hapt naar rechts, en nog heeft men honger, Men bijt naar links, en wordt niet verzadigd. Niemand spaart zijn eigen broer, En allen verslinden het vlees van hun kroost:
20ויגזר על ימין ורעב ויאכל על שמאול ולא שבעו איש בשר זרעו יאכלו׃
21Manasse Efraïm, Efraïm Manasse, En met elkander weer Juda. Maar toch bedaart zijn gramschap niet. Zijn hand blijft tegen hen uitgestrekt!
21מנשה את אפרים ואפרים את מנשה יחדו המה על יהודה בכל זאת לא שב אפו ועוד ידו נטויה׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.