1 Samuel
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1David trok daar dus weg, en vond een schuilplaats in de grot van Adoellam. Dit hoorden zijn broers en heel zijn familie, en ze kwamen daar bij hem.
1І вийшов Давид ізвідти та й утїк у Адолламську печеру в горах. Довідавшись про се брати його і уся родина його, поприходили до його.
2Ook sloten zich bij hem tal van mannen aan, die in moeilijkheden zaten of door een schuldeiser achtervolgd werden, en allerlei ontevredenen; en hij werd hun leider. Zo waren er ongeveer vierhonderd man bij hem.
2І скупились коло його всякі злиденники й задовжені, й всякі невдоволені люде, і зробився їх отаманом, і пристало до його чоловіка з чотириста.
3Vandaar vertrok David naar Mispe in Moab. Hij vroeg aan den koning van Moab: Laat mijn vader en mijn moeder bij u blijven, totdat ik weet, wat God met mij voor heeft.
3І пійшов Давид ізвідти в Массифу в Моабі і прохав царя Моабійського: Чи не можна б моєму панотцеві і паніматцї моїй перебути в вас, покіль я знати му, що Господь удїє зо мною?
4Hij liet hen dus bij den koning van Moab, en ze bleven bij hem, zolang David in de bergvesting was.
4І помістив їх між прибічники царя Моабійського і жили вони при йому, докіль Давид пробував у тому сховку.
5Maar David werd door den profeet Gad gewaarschuwd: Blijf niet in de bergvesting; ga liever naar het land Juda. Zo vertrok David, en kwam hij in het bos van Chéret terecht.
5Пророк же Гад сказав Давидові: Не сиди дальш у сїй рощілинї, а збирайся та йди в землю Юдину. І пійшов Давид та й прийшов у лїс Херет.
6Maar terwijl Saul in Giba onder de terebint op de heuvel zat, met zijn lans in zijn hand en al zijn dienaren om zich heen, vernam hij, dat David en de mannen, die bij hem waren, een bende hadden gevormd.
6І довідався Саул, що Давид із людьми явився. А седїв Саул саме тодї у Гиві під дубом на згіррі, з списом у руцї, а всї його надвірні слуги стояли кругом його.
7Daarom sprak Saul tot zijn dienaren, die om hem heen stonden: Luistert eens, Benjamieten! De zoon van Jesse zal natuurlijk aan u allen landerijen en wijngaarden schenken, en u allen aanstellen tot hoofdmannen van duizend en honderd!
7І каже Саул своїм слугам кругом себе: Слухайте, Беняминїї! чи то ж Ессеєнко дасть вам усїм і ниви й виноградники та й понаставляє вас тисячниками й сотниками,
8Want allen hebt ge tegen mij samengespannen. Niemand was er, die mij op de hoogte bracht, toen mijn zoon partij koos voor den zoon van Jesse; niemand van u, die zich om mij bekommerde en mij liet weten, dat mijn zoon een van mijn knechten tot verraad tegen mij opstookte, zoals nu blijkt.
8Що ви всї змовились проти мене і нїхто мене не сповістив, як мій син побратавсь із сином Ессея, і що нїхто не пожалував мене й не зʼясував менї, що мій син та підмовив проти мене раба мого, як се тепер показалось?
9Maar Doëg, de Edomiet, die bij de dienaren van Saul stond, nam het woord en sprak: Ik heb den zoon van Jesse te Nob zien komen, bij Achimélek, den zoon van Achitoeb.
9Озветься тодї Ідумій Доик, що стояв коло двораків Саулових: Бачив я, як Ессеєнко приходив до Ахимелеха Ахитувенка в Номві;
10Die heeft Jahweh voor hem geraadpleegd, hem proviand bezorgd, en het zwaard van Goliat, den Filistijn, gegeven.
10Той питав Господа про його, і харчі дав йому і меч Голіята Филистія.
11Daarom ontbood de koning den priester Achimélek, den zoon van Achitoeb, met heel zijn priesterfamilie uit Nob. Zij kwamen met hen allen bij den koning,
11І повелїв царь покликати до себе Ахимелеха, сина Ахитувового, сьвященника, й усю його родину, і сьвященників, що були в Номві. І всї вони зявились перед царем.
12en Saul begon: Luister eens, zoon van Achitoeb. Deze antwoordde: Tot uw dienst, heer!
12І промовив Саул: Слухай лишень, Ахитувенку! І відказав той: Слухаю, мій повелителю!
13En Saul vroeg hem: Waarom hebt gij met den zoon van Jesse tegen mij samengespannen, door hem proviand en een zwaard te geven, en God voor hem te ondervragen, zodat hij jegens mij verraad kon plegen, zoals nu is gebleken?
13І питає Саул: Чого ви, ти да Ессеєнко, проти мене змовились, що ти дав йому хлїба й меча і питав Бога про його, так щоб він виступив проти мене ворогом, як я тепер дознавсь?
14Achimélek gaf den koning ten antwoord: Maar wie is er van al uw dienaren zo betrouwbaar als David: de schoonzoon des konings, het hoofd van uw lijfwacht, en geëerd in uw huis?
14І відказав Ахимелех цареві: Хто ж між усїма твоїми слугами так вірен, як Давид? Він же й царський зять, і повнить прикази твої, а в дому твойму в повазї.
15Is het vandaag soms de eerste maal, dat ik God voor hem raadpleeg? Immers neen! Laat dus de koning zijn dienaar en heel zijn familie geen verwijt maken; want uw dienaar heeft in heel dat voorval niet het minste kwaad gezien.
15Хиба ж я вперше тепер питав Бога про його? Нї; нехай царь не винуватить раба свого й усю родину мою, бо раб твій не відав у сїй справі нїчого, нї малого нї великого.
16Maar de koning besliste: Gij zult sterven, Achimélek; gijzelf en heel uw familie.
16Царь же каже: Мусиш умерти, Ахимелеше, сам ти й увесь дім отця твого.
17En hij gaf bevel aan de wachten, die om hem heen stonden: Vooruit, doodt de priesters van Jahweh! Want zelfs zij steunen David; ofschoon ze wisten, dat hij op de vlucht was, hebben ze mij niet op de hoogte gebracht. Maar de dienaars van den koning wilden geen hand uitsteken, om de priesters van Jahweh neer te stoten.
17І повелїв царь слугам, що стояли побіч його: Йдїте, повбивайте сьвященників Господнїх, бо й їх рука з Давидом, і не сповістили мене, хоч і знали, що він утїк. Слуги ж царські затялись ізняти руки на сьвященників Господнїх.
18En daarom sprak de koning tot Doëg, den Edomiet: Vooruit, gij dan; stoot de priesters neer! En Doëg de Edomiet trad vooruit, stootte de priesters neer, en doodde die dag vijf en tachtig man, die het linnen borstkleed droegen.
18І повелїв царь Доикові: Йди, повбивай сьвященників! І пійшов Ідумій Доик, та й повбивав сьвященників, і завдав смерть вісїмдесятьом і пятьом, що носили лняне оплїччє.
19Ook de priesterstad Nob werd neergesabeld; mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, met rundvee, ezels en schapen werden over de kling gejaagd.
19І Номву, сьвященниче місто, вигубив мечем, і чоловіків і жінок, і хлопят і немовлят, і коров й вівцї й осли, все повбивав.
20Slechts één zoon van Achimélek, den zoon van Achitoeb, namelijk Ebjatar wist te ontkomen. Hij vluchtte naar David,
20Тільки один син Ахимелехів Ахитувенків, на ймя Абіятар, утїк і пристав до Давидових людей.
21en vertelde David, dat Saul de priesters van Jahweh vermoord had.
21І сповістив Абіятар Давида: Саул побив сьвященники Господнї!
22En David zeide tot Ebjatar: Ik verwachtte het al, toen Doëg de Edomiet daar was, dat hij het aan Saul zou verraden. Ik ben dus aansprakelijk voor het leven van geheel uw familie.
22І сказав Давид Абіятарові: Я знав се ще тодї, коли Ідумій Доик там був, що він се виявить Саулові. Я винуватий за всї душі дому отця твого.
23Blijf bij mij, en maak u niet ongerust; want wie u naar het leven staat, staat ook mij naar het leven. Bij mij zijt ge veilig.
23Бувай безпечен у мене: Хто чигати ме на мою душу, той чигати ме на твою душу; ти будеш у мене під охороною.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.