1 Samuel
Chapter 9
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu was er onder de Benjamieten een man, die Kisj heette; hij was een zoon van Abiël, den zoon van Seror, zoon van Bekorat, zoon van Afiach; hij was een Benjamiet, en een welvarend man.
1Був один чоловік із роду Беняминового, на ймя Кис, син Авиїла Зероренка, Бехоратенка, Афієнка, сина Емині, чоловік великої сили.
2Deze had een zoon, Saul genaamd, jong en flink. Niemand van de Israëlieten was zo flink als hij; met kop en schouder stak hij boven heel het volk uit.
2І був у його син, на ймя Саул, статний і вродливий. Не було між Ізрайлитянами вродливійшого над його. Головою висший був він над кожного в народї.
3Eens werden de ezelinnen van Kisj, den vader van Saul, vermist. Kisj zeide dus tot zijn zoon Saul: Neem een van de knechten met u mee, en vooruit, ga de ezelinnen zoeken.
3І зайшли були кудись пустопаш ослицї Киса, батька Саулового. І звелїв Кис свойму синові Саулові: Возьми одного кметя з собою та йди пошукати ослиць.
4Ze doorkruisten het Efraïmgebergte en vervolgens de landstreek Sjalisja, zonder iets te vinden. Daarna zwierven ze door de landstreek Sjaälim, maar ook daar waren ze niet. Ook zochten ze het land van Benjamin af, maar ze vonden niets.
4І перейшли вони гори Ефраїмові і перейшли займище Салиса, та й не знайшли; і пройшли вони землею Салимовою, та не було й там; тодї пройшли займищем Беняминовим, та не знайшли й там.
5Toen ze eindelijk in de landstreek Soef waren gekomen, zei Saul tot zijn knecht, die hem begeleidde: Laat ons maar teruggaan; anders maakt mijn vader zich nog meer bezorgd over ons, dan over de ezelinnen.
5Як же дойшли до займища Зуф, каже Саул свойму слузї, що був із ним: Ходїмо додому, ато панотець мій, замість ослиць, журити меться про нас.
6Hij antwoordde hem: Daar in die stad woont een man Gods, die hoog in aanzien staat; want alles wat hij zegt komt haarfijn uit. Laat ons daarheen gaan; misschien kan hij ons inlichten omtrent de weg, die we hebben te gaan.
6А той каже йому: Оттут у сьому городї живе Божий чоловік, чоловік славетний; все, що він скаже, так і сповнюєсь. Ходїм туди; може він справить нас на дорогу, якою б нам ійти.
7Saul zei tot den knecht: Wat kunnen we den man dan aanbieden, als we er heen gaan? Het brood in onze zakken is op, en we hebben geen geld; wat kunnen we den godsman dan aanbieden?
7Відказав же Саул свойму слузї: Добре, та як прийдемо туди, що принесемо тому чоловікові? бо хлїб увесь вийшов у торбах наших, а гостинця в нас немає, щоб тому Божому чоловікові принести. Що в нас є?
8De knecht hernam en zei tot Saul: Wel, ik heb nog een kwart zilveren sikkel, die ik den godsman zou kunnen aanbieden; dan zal hij ons wel inlichtingen geven over onze reis.
8І відказав слуга Саулові ще раз та й каже: У мене є четвертина срібного секеля; оддаймо Божому чоловікові, а він вкаже нам дорогу нашу.
9(Vroeger zei men namelijk in Israël, als men God ging bevragen: “Kom, laat ons naar den ziener gaan”; want de profeet van vandaag werd vroeger ziener genoemd.)
9Колись казано так в Ізраїлї, як йшли питати в Бога: Ходїмо до ворожбита: Бо тих, що тепер звуться пророками, звано в давнину віщунами.
10(a) Toen zei Saul tot den knecht: Uw voorstel is goed; kom, laat ons naar den ziener gaan. Ze gingen dus naar de stad waar de godsman woonde.
10І каже Саул свойму слузї: Твоя правда; ходїмо. От і пійшли в місто, де був Божий чоловік.
11Terwijl ze de helling naar de stad beklommen, kwamen ze meisjes tegen, die water gingen putten. Ze vroegen haar: Is de ziener thuis?
11Ійдучи в місто стежкою в гору, зустріли вони дївчат, що йшли по воду, і спитали їх: Чи тут є віщун?
12Ze antwoordden hun: Ja, de ziener is juist vóór u in de stad aangekomen; want er is vandaag op de hoogte een offer voor het volk.
12Ті відказали їм та й говорять: А ось він поперед тебе; тільки квапся, бо він саме прийшов у город, тому що люд справляє сьогоднї сьвято жертівне на вижинї.
13Als gij nu naar de stad gaat, kunt gij hem nog treffen, voordat hij de hoogte beklimt om te eten. Want het volk kan niet beginnen, voordat hij komt; hij moet immers het offer zegenen, dan pas kunnen de gasten eten. Gaat dus naar boven, dan zult gij hem nog juist kunnen treffen.
13Як прийдете в город, ще як раз застанете його, перш нїж пійде на висоту обідати; бо люде не їсти муть покіль він не прийде, тим що він благословляє жертівну трапезу, і тільки тодї їдять зазвані. Оце ж ідїте, бо саме тепер його застанете.
14Ze gingen dus naar de stad. Juist toen ze de poort binnenkwamen, liep Samuël hun tegemoet, daar hij naar buiten ging, om zich naar de hoogte te begeven.
14І пійшли вони в город. Як же прийшли саме в середину міста, аж іде звідтіля зустріч їм Самуїл, щоб взійти на узгіррє.
15Nu had Jahweh daags voor de komst van Saul aan Samuël geopenbaard:
15Господь же днем перед приходом Саула зробив ось який обяв Самуїлові:
16Morgen om deze tijd zal Ik een man sturen uit het gebied van Benjamin; dien moet ge zalven tot vorst over mijn volk Israël. Hij zal mijn volk verlossen uit de macht der Filistijnen. Want Ik heb op mijn volk neergezien, daar zijn geroep tot Mij is doorgedrongen.
16Завтра о сїй добі надішлю я тобі чоловіка з Беняминової землї, і ти помажеш його в князї над моїм народом Ізраїлем. Визволить він мій народ із потали Филистійської: бо я зглянувсь на тїсноту люду мого, і дойшло до мене кликаннє його.
17Toen nu Samuël Saul bemerkte, zeide Jahweh tot hem: Dat is de man, van wien Ik u gesproken heb; hij zal heersen over mijn volk.
17Як же побачив Самуїл Саула, дав йому звістку Господь: Се той чоловік, що глаголав я про його. Він панувати ме над моїм людом.
18Intussen was Saul onder de poort op Samuël toegetreden. Hij vroeg: Wees zo goed, en vertel me, waar het huis van den ziener staat.
18І наближився Саул до Самуїла в воротах та й питає: Скажи менї, де живе віщун?
19Samuël gaf Saul ten antwoord: Ik zelf ben de ziener. Ga voor mij uit naar de hoogte, en eet vandaag bij mij; morgen zal ik u uitgeleide doen, en u alles vertellen, wat u op het hart ligt.
19І відказав Самуїл Саулові: Се я віщун; ійди поперед мене на узгіррє. Сьогоднї ви трапезувати мете зо мною; завтра ж уранцї відправлю тебе, і про все, що в тебе на серцї, скажу тобі.
20Wat die ezelinnen betreft, die ge nu sinds drie dagen mist, heb daar geen zorg over; want ze zijn teruggevonden. Maar aan wien zal ten deel vallen, wat heel Israël zich wenst? Aan wien anders dan aan u en aan uw gehele familie?
20А про ослицї, що вже третий день як десь дїлись, ти не журися, вони бо знайшлись. І кому ж буде все дороге в Ізраїлї? Чи не тобі та домові батька твого?
21Saul antwoordde en sprak: Ik ben toch maar een Benjamiet, uit de kleinste stam van Israël, en mijn geslacht is het onbeduidendste onder alle geslachten van de stam Benjamin. Waarom zegt ge mij dan zo iets?
21І відказав Саул: Я ж тільки Беняминїй, потомок з найменьшого поколїння Ізрайлевого, та ще ж і рід мій найменьший з усїх родів поколїння Беняминового; про що ж так говориш до мене?
22Nu nam Samuël Saul en zijn knecht met zich mee, en bracht ze naar een kamer, waar hij hun een plaats gaf aan het hoofd van de ongeveer dertig genodigden.
22Самуїл же взяв Саула й слугу його і завів їх в сьвітлицю та й указав їм переднє місце між зазваними; а було їх з трийцяток чоловіка.
23En tot den kok zei Samuël: Dien het gerecht op, dat ik u gegeven heb, en dat ik u verzocht, apart te houden.
23І звелїв Самуїл кухарові: Подай сюди частину, що передав я тобі, тую, що я тобі казав про неї: Приховай її.
24De kok diende dus de schenkel op met wat daarbij hoort, en zette die voor Saul neer. Samuël zeide: Eet wat u wordt voorgezet; want het werd voor u bestemd, toen ik het volk voor dit feest bijeenriep. Zo at Saul die dag bij Samuël;
24І принїс кухар лопатку та й положив перед Саулом. І рече Самуїл: Се тобі дано зайве, бери перед себе й їж, бо нарочно се приховано для тебе, як я зазивав людей. От і обідав Саул того дня з Самуїлом.
25daarna daalden zij van de hoogte naar de stad af. Men spreidde voor Saul een bed op het terras,
25І спустились вони з гори в місто, і розмовляв Самуїл із Саулом в горішній сьвітлицї, і постелено Саулові там на крівлї, і лїг він спати.
26en hij ging slapen. Zodra de morgen was aangebroken, riep Samuël tot Saul, die op het terras was: Sta op, dan kan ik u uitgeleide doen. Saul stond dus op, en ging vergezeld van Samuël naar buiten.
26Як зачервонїла ж зоря вранцї, покликнув Самуїл до Саула на горищі: Встань, я проведу тебе. І встав Саул, і вийшли вони оба з дому, він та Самуїл.
27Toen ze tot het einde der stad waren afgedaald, sprak Samuël tot Saul: Zeg tegen den knecht, dat hij ons vooruit moet lopen. Blijf zelf een ogenblik stil staan, dan zal ik u Gods woord verkondigen.
27Наближуючись до границї міської, сказав Самуїл Саулові: Звели слузї, щоб випередив нас, сам же зупинись, а я відкрию тобі Боже слово.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.