1 Samuel 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Intussen stierf Samuël. Heel Israël kwam bijeen voor de dodenklacht, en men begroef hem in zijn huis te Rama. David trok verder, en week naar de woestijn van Maon uit.
1І вмер Самуїл, і зібравсь увесь Ізраїль та й оплакував його, і поховали його в дому його в Рамі. А Давид зібравсь та й пійшов у пустиню Фаран.
2Nu was er in Maon een man, die zijn bedrijf in Karmel had. De man was zeer vermogend, en de eigenaar van drieduizend schapen en duizend geiten. Bij gelegenheid van het scheren der schapen bevond hij zich toen in Karmel.
2Був же в Маонї чоловік, а майно його було в Кармелї. Чоловік той був вельми багатий; мав три тисячі овець і тисячу кіз; і був він саме на стриговинах овець своїх на Кармелї.
3Hij heette Nabal, zijn vrouw Abigil. Terwijl de vrouw een vlug begrip had en een. knap uiterlijk, was de man hardvochtig en kwaadaardig; het was een Kalebiet.
3Звали його на ймя Набал, а жінку його Абигея. Була вона собі молодиця з добрим розумом і хороша вродою, чоловік же був жорсткий та злющий; він походив з роду Калеба.
4Toen nu David in de woestijn vernomen had, dat bij Nabal de schapen geschoren werden,
4Почувши ж Давид у пустинї, що Набал стриже вівцї свої,
5zond hij tien knechten met de opdracht: Gaat naar Karmel en vervoegt u bij Nabal; ge moet hem namens mij begroeten en dit tegen mijn broeder zeggen:
5Послав десяток людей своїх і сказав: Ійдїть на Кармел, удайтесь до Набала і поздоровіте його від мене,
6De vrede aan u, vrede aan uw gezin, vrede aan allen, die u toebehoren!
6Та й промовте так: Щасти тобі, доле, й родинї твоїй і всьому твойму.
7Ik heb vernomen, dat men bij u de schapen scheert. Welnu, wij hebben uw herders, die in onze nabijheid waren, niet gehinderd, en nooit, zolang ze in Karmel waren, hebben ze ook maar iets vermist;
7Прочув я оце, що в тебе стриговини. Вівчарі твої пробували поблизу нас; ми не знущались із них, і не пропадало в них нїщо, поки вони на Кармелї були.
8vraag het uw knechten, en ze zullen het bevestigen. Laat daarom mijn knechten een gunstig onthaal bij u vinden, omdat we op een feestdag komen, en geef aan uw dienaren en aan uw zoon David wat ge kunt missen.
8Поспитай тільки в твоїх людей, вони тобі скажуть; і так нехай знайдуть слуги твої ласку в очах твоїх, ми ж прийшли в добрий час; дай же твоїм рабам і синові твойму Давидові, що в тебе тепер під рукою.
9Zo kwamen de knechten van David, brachten Nabal de boodschap namens David over, en wachtten af.
9І прийшли Давидові люде, і висказали всї отті слова в імя Давидове, та й умовкли.
10Maar Nabal gaf Davids dienaars ten antwoord: Wie is die David? Wie is die zoon van Jesse? Het wemelt tegenwoordig van knechten, die van hun meester zijn weggelopen!
10Набал же відказав Давидовим слугам так: Хто такий Давид і хто такий Ессей? Сими часами багацько постало таких слуг, що втїкають від панів своїх;
11En dan zou ik mijn brood en mijn water en het vlees, dat ik voor mijn scheerders geslacht heb, gebruiken, om het aan lieden te geven, van wie ik niet eens weet, waar ze vandaan komen?
11Не вже ж би то менї та взяти мій хлїб, мою воду й моє мясиво, що приладив про моїх постригачів, та й пооддавати людям, що не знаю не відаю, звідкіля вони взялись?
12Davids knechten maakten dus rechtsomkeer en vertelden hem bij hun terugkomst, hoe ze ontvangen waren.
12І вернулись люде Давидові назад, прийшли додому та й переказали йому всї слова отті.
13Toen beval David zijn mannen: Laat ieder zijn zwaard in de gordel steken! En iedereen stak zijn zwaard in de gordel. Ook David omgordde zich met zijn zwaard, en terwijl tweehonderd man bij de legertros bleven, gingen er ongeveer vierhonderd met David mee.
13І повелїв Давид своїм людям: Підперезуй кожен меча свого. І попідперізували вони мечі свої, та й Давид підперезав меча свого, й пійшли вони за приводом Давидовим до чотирьох сот чоловіка потуги, двістї ж остались при саквах в обозї.
14Intussen had Abigil, Nabals vrouw, van een der knechten de boodschap gekregen: David heeft uit de woestijn boden gezonden, om onzen heer te begroeten; maar hij heeft hen uitgescholden.
14Тим часом один зі слуг передав Абигеї, жінцї Набаловій, звістку: оце присилав Давид із пустинї посли привітати нашого пана, та він відправив їх нечемно;
15Toch zijn die lieden zeer goed voor ons geweest. Toen we buiten waren, hebben we van hen geen hinder ondervonden, en zolang we met hen omgingen, hebben we niets vermist.
15Люде ж сї вельми добрі до нас; не зневажали нас і нїщо в нас нїде не дїлось як були ми з ними, покіль ми в полі обертались;
16Nacht en dag waren zij voor ons een muur, zolang wij in hun nabijheid de schapen hoedden.
16Були вони охороною нашою й в день і в ночі, докіль ми пасли вівцї поблизу їх;
17Welnu, denk eens na, of gij er iets aan kunt doen; want de wraak op onzen heer en heel zijn huis kan niet uitblijven. Hij is nu eenmaal een Belialskind; er valt met hèm niet te praten.
17Тим подумай і розваж, що маєш тепер чинити, бо певно грозить від них біда нашому панові й всїй господї його; а він такий злющий, що з ним шкода й говорити.
18Terstond haalde Abigáil tweehonderd broden en twee zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf maten geroosterd graan, en honderd rozijnen-en tweehonderd vijgenkoeken.
18І взяла Абигея хутенько двістї боханцїв, два бурдюки вина, пятеро зготовлених овечат, наложила на осли,
19Zij liet dat alles op ezels laden, en zonder iets aan haar man te vertellen, sprak zij tot haar knechten: Gaat mij vooruit; ik kom achter u aan.
19Та й звелїла своїм людям, не сказавши нїчого чоловікові: Йдїть поперед мене, я йти му за вами слїдом.
20Toen zij nu, rijdend op haar ezel, langs een holle weg de bergen afdaalde, kwam David met zijn mannen aan de andere kant naar beneden, zodat ze hen moest ontmoeten.
20Тим же часом, як вона їхала на ослї з гори, несподївано показався Давид із людьми своїми зустріч неї, так що вона з ними зіткнулась.
21David dacht juist: Dus heb ik voor niets op alles gepast, wat dien kerel in de woestijn toebehoort! Van al zijn eigendom is er niet het minste vermist, en nu gaat hij mij goed met kwaad vergelden!
21Давид же сказав собі навперід: Шкода було менї стерегти майно його в пустинї, так що нїщо з усього добра його не пропало; він віддячує менї злом за добро.
22God mag David zo doen en nog erger, als er morgenvroeg van al de zijnen nog één mannelijk wezen over is!
22Нехай же те й те вдїє Бог з ворогами Давидовими, коли я з усього добра його зоставлю до завтра й того, що мочить на стїну!
23Zodra Abigáil David zag, gleed zij van haar ezel en boog zich eerbiedig voor David ter aarde neer.
23Як же загледїла Абигея Давида, зоскочила вона з осла, та й розпростерлась на землї ниць перед Давидом;
24Ze bleef aan zijn voeten liggen en sprak: Heer, op mij rust de schuld! Maar laat uw dienstknecht tot u spreken, en luister naar de worden van uw dienstmaagd
24Потім упала йому в ноги, та й промовила: На менї лежить вина, пане мій; дозволь твоїй рабинї озватись перед тобою, й прихили ухо твоє до слова рабинї твоєї!
25Laat mijn heer zich toch niet storen aan dien deugnietmvan een Nabal; want zoals hij heet, zo is hij: “dwaas” is zijn naam en dwaasheid is zijn faam. Ik, uw dienares, heb de knechten niet gezien, die mijn heer had gestuurd.
25Нехай же мій пан не уважає на такого злого чоловіка, на Набала, бо як зветься він, такий й він. Набал зветься він і дурнота його з ним. Я ж, твоя рабиня, не бачила людей мого пана, що ти прислав їх.
26Welnu, mijn heer, zowaar Jahweh leeft: Jahweh heeft niet toegelaten, dat ge u in bloedschuld verwikkelde en u zelf met de vuist recht verschafte. Moge het met Nabal gaan als met al uw vijanden en met allen, die uw ongeluk willen!
26Тепер же, мій пане, як певно те, що живе Господь і ти живеш, Господь зʼупинив тебе впасти в крівавий гріх і здержав руку твою від пімсти; а тепер нехай стануть вороги твої як Набал, і всї, хто задумав заподїяти зло панові мойму.
27Aanvaard dit huldeblijk, dat uw dienstmaagd voor mijn heer heeft meegebracht, en laat het gegeven worden aan de knechten, die mijn heer op zijn schreden volgen.
27Оце ж сей гостинець, що принесла рабиня твоя, віддай людям твоїм, що йдуть походом за тобою.
28Wil zo de onachtzaamheid van uw dienstmaagd vergeven. Waarachtig, Jahweh zal het huis van mijn heer bestendigen; want mijn heer voert Jahweh’s krijg, en heel uw leven is er geen kwaad in u gevonden!
28Прости вину рабинї твоїй; Господь бо спорудить панові мойму твердий дім, бо пан мій веде війни Господнї, і нїякої кривди не знайдеться в тобі поки й віку твого.
29Wel is er iemand opgestaan, om u te vervolgen en uw leven te belagen; maar dank zij Jahweh, uw God, zal het leven van mijn heer geborgen zijn in de buidel des levens4, terwijl het leven van uw vijanden wordt weggeslingerd uit de holte van de slinger.
29Коли б який чоловік піднявсь тебе гонити чи то чигати на душу твою, дак нехай душа пана мого буде ввязана в узол живих у Господа, Бога твого, душі ж ворогів твоїх розкине він як пращею.
30En wanneer Jahweh aan mijn heer al het goed zal hebben volbracht, dat Hij hem heeft beloofd, wanneer Hij u tot leider van Israël zal hebben gesteld,
30І коли Господь учинить на мойму панї все, що обітував тобі доброго, і поставить тебе в князї над Ізраїлем,
31moge het dan nooit voor u, mijn heer, een reden tot ongerustheid en gewetenswroeging zijn, dat mijn heer nodeloos bloed heeft vergoten en zichzelf recht heeft verschaft! En wanneer Jahweh mijn heer voorspoed zal hebben geschonken, laat hij dan aan zijn dienstmaagd denken.
31То нехай се не буде серцю пана мого на каяннє й неспокій совістї, що мій пан пролив безвинну кров і допоміг собі власною рукою. Коли ж Господь мого пана вщасливить, так спогадай рабиню твою.
32Toen sprak David tot Abigáil: Gezegend zij Jahweh, de God van Israël, die u heden op mijn weg gezonden heeft!
32І відказав Давид Абигеї: Благословен Господь, Бог Ізраїлїв, що послав тебе сьогоднї зустріч мене.
33Gezegend uw doorzicht en gezegend gijzelf, dat gij mij heden verhinderd hebt, mij in bloedschuld te verwikkelen en mijzelf met de vuist recht te verschaffen.
33Благословен і розум твій, і ти благословенна, що зупинила мене сьогоднї, що я не пійшов на пролив крови, щоб пімститись за себе власною рукою.
34Want zowaar Jahweh leeft, de God van Israël, die mij verhinderd heeft, u kwaad te doen: waart gij mij niet aanstonds tegemoet gekomen, dan was er bij de dageraad geen man van Nabal overgebleven!
34От же, так певно, як живе Господь, Бог Ізрайлїв, що зупинив мене заподїяти зло тобі, коли б ти не встигла менї зустріч поспіти, не зосталось би Набалові, покіль заднився б ранок, і того, що мочить на стїну.
35En David nam van haar aan, wat zij voor hem had meegebracht, en hij sprak tot haar: Ga in vrede naar huis! Zie, ik heb naar uw verzoek geluisterd en ben u gunstig gestemd.
35І прийняв Давид від неї, що вона принесла йому, і рече їй: Йди супокійно додому; бач, я прихилив ухо моє до тебе і пошанував лице твоє.
36Toen Abigáil naar Nabal terugkeerde, was er waarachtig in zijn huis een feest als een koningsmaal. En daar Nabal zeer vrolijk was en zwaar beschonken, vertelde zij hem vóór de volgende morgen niet het minste of geringste.
36Як вернулась Абигея до Набала, аж се в його в дому такий бенкет, як у царя, й серце в Набала розвеселилось; він же впився тяжко. Тим не сказала йому нїчогісїнько, покіль настав ранок.
37Maar toen de volgende morgen Nabal zijn roes had uitgeslapen, en zijn vrouw hem vertelde, wat er gebeurd was, stokte zijn hart en hij werd als een steen.
37Уранцї ж, як вийшов хміль із голови в Набала, оповідує жінка йому, що сталось, і замерло серце в його і став він мов камяний.
38En een dag of tien later sloeg Jahweh hem, en Nabal stierf.
38І ледві минуло днїв десять, убив Господь Набала, й він умер.
39Toen David vernam, dat Nabal dood was, zeide hij: Gezegend zij Jahweh, die de mij aangedane smaad op Nabal heeft gewroken, zijn dienaar van een misstap weerhield en de fout van Nabal op zijn eigen hoofd heeft doen neerkomen! En David zond boden naar Abigáil, om haar voor zich tot vrouw te vragen.
39Як прочув Давид, що Набал умер, сказав так: Благословен Господь, що відплатив за мою зневагу від Набала і вдержав слугу свого від зла; Господь обернув злобу Набала на його ж голову. І послав Давид сказати Абигеї, що хоче взяти її собі за жінку.
40De dienaren van David kwamen dus bij Abigáil in Karmel, en zeiden tot haar: David heeft ons tot u gezonden; want hij wil u tot vrouw nemen.
40І прийшли Давидові слуги до Абигеї в Кармель і промовили так: Давид посилає нас до тебе, щоб узяти тебе йому за жінку.
41Zij stond op, boog zich diep ter aarde, en sprak: Hier hebt ge uw dienstmaagd tot slavin, om de voeten van mijns meesters knechten te wassen.
41Вона піднялась, потім припала ниць ід землї й промовила: Отсе рабиня твоя нехай буде як служебка, готова обмивати ноги слугам пана мого.
42En aanstonds maakte Abigáil zich gereed; ze ging op haar ezel zitten, en door haar vijf dienstmaagden gevolgd, reed zij achter de boden van David aan. En ze werd zijn vrouw.
42І зібралась Абигея хутенько та й сїла на осла свого; так само й пятеро дївчат з її прислуги, й прибула вона слїдом за посланцями Давидовими та й зробилась йому жінкою.
43Daarenboven huwde David Achinóam uit Jizreël, zodat ze beiden zijn vrouw waren.
43І Ахиноаму взяв Давид із Езрееля, і були обідві жінками йому.
44Saul had echter zijn dochter Mikal, Davids vrouw, aan Palti gegeven, den zoon van Láisj uit Gallim.
44Саул же віддав дочку свою Мелхолу, жінку Давидову, Фалтієві Лайшенкові із Галлиму.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.