1 Samuel
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nadat met dit al de ark van Jahweh zeven maanden op Filistijnse bodem had vertoefd,
1І перебула так скриня Господня у Филистійському займищі сїм місяців (і наповнилась земля їх мишами).
2riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers bijeen, en vroegen: Hoe moeten we doen met de ark van Jahweh; zegt ons, hoe wij ze naar haar plaats terug moeten sturen.
2Тодї поскликали Филистії жерців та ворожбитів та й промовили: Що нам чинити з ковчегом Господнїм? Навчіте нас, яким робом вернути нам його на його місце.
3Zij antwoordden: Stuurt gij de ark van Israëls God terug, dan moogt gij haar niet zo maar laten gaan, maar moet gij haar een zoenoffer brengen. Dan zult gij genezen, en zal het u duidelijk worden, waarom haar hand van u niet week.
3І відказали ті: Коли хочете відослати скриню Ізрайлевого Бога, так нехай не вертається впорожнї, а дайте їй те, що повинні у жертву за гріх; тодї одужаєте й знати мете, чому рука його не відступає од вас.
4Ze zeiden nu: Wat voor een zoenoffer moeten we haar brengen? Ze antwoordden: Naar het aantal van de Filistijnse tyrannen: vijf gouden aambeien en vijf gouden muizen, want dezelfde plaag heeft allen getroffen, volk zowel als tyrannen.
4А ті сказали: Що ж то за спокутню жертву маємо принести йому? Вони відказують: Поглядом на лїчбу князїв Филистійських — пять золотих ґуль і пять золотих мишей, бо кара одна мучить вас, як і ваших князїв.
5Gij moet dus afbeeldingen maken van uw aambeien en afbeeldingen van uw muizen, die het land verpesten; zo zult ge hulde brengen aan Israëls God. Misschien trekt Hij dan zijn hand van u terug, en van uw goden en uw land.
5Оце ж зробіть подобини ваших ґуль і подобини ваших мишей, що пустошять землю, та й ушануйте Бога Ізрайлевого; може він тодї не вагонїте ме рукою своєю на вас і над вашими богами і над вашою землею.
6Waarom zoudt ge u blijven verzetten, evenals de Egyptenaren en Farao dit hebben gedaan? Ze moesten hen toch laten gaan, zodra Hij zijn spel met hen begon te drijven.
6Про що вам показувати себе запеклими, як показали себе запеклими Египтїї та Фараон? Адже ж, як він покарав їх, то вони таки відпустили їх?
7Maakt dus een nieuwe wagen, haalt twee zogende koeien, die nog geen juk gedragen hebben, spant de koeien voor de wagen, en laat haar jongen op stal.
7Оце ж возьміть та й зробіть новий віз, і возьміть дві дійні корови, що не ходили ще в ярмі, позапрягайте корови до воза, а телята їх вернїте від них додому;
8Dan moet gij de ark van Jahweh nemen en haar op de wagen zetten, en de gouden voorwerpen, welke ge haar als zoenoffer brengt, in een kistje naast haar neerleggen. Laat de ark dan maar gaan,
8Тодї возьміте скриню Господню та й поставте на віз; золоті ж ті річи, що зробите яко покутну жертву, положіть в прискринок з боку її, та й нехай собі йде;
9en let op! Als zij de weg naar haar eigen land inslaat, naar Bet-Sjémesj, dan is zij het, die ons die vreselijke ramp heeft bezorgd; zo niet, dan weten we tenminste, dat niet haar hand ons het leed heeft berokkend, maar dat het ons bij toeval trof.
9А вважайте: коли вона простувати ме ʼд своїй граници на Бетсаміс, так се певно він зробив нам сю велику халепу; коли ж нї, так знати мемо, що не його рука побила нас, а сталось воно случаєм.
10De mensen deden aldus. Ze haalden twee zogende koeien en spanden die voor de wagen, terwijl ze haar jongen op stal hielden.
10Так і зробили люде; узяли дві дійні корови та й запрягли в воза, телята ж їх задержали дома.
11Ze laadden de ark van Jahweh op de wagen, eveneens het kistje met de gouden muizen en de afbeeldingen van hun gezwellen.
11І поставили скриню Господню на возї і ящик з золотими мишми й подобинами своїх ґуль.
12De koeien liepen recht voor zich uit in de richting van Bet-Sjémesj; al loeiend liepen ze altijd rechtdoor, zonder naar rechts of links af te wijken. De tyrannen der Filistijnen bleven ze volgen tot aan het grondgebied van Bet-Sjémesj.
12Корови ж побігли просто дорогою на Бетсаміс; вони йшли все одним шляхом, ревучи, але не звертали нї праворуч нї лїворуч. Князї ж Филистійські йшли за ними аж до Бетсаміського займища.
13De inwoners van Bet-Sjémesj waren juist bezig met het binnenhalen van de tarweoogst in de vallei. Toen ze opkeken en de ark bemerkten, liepen ze haar verheugd tegemoet.
13Бетсаміські ж люде жали саме пшеницю в долинї, а споглянувши, побачили ковчега, і зрадїли, що його узріли.
14Op de akker van Jehosjóea, een inwoner van Bet-Sjémesj aangekomen, bleef de wagen stilstaan, en omdat zich daar een grote steen bevond, hakte men de planken van de wagen aan stukken en droeg de koeien als een brandoffer aan Jahweh op.
14Віз же дойшов до поля Йозуї, Бетсамія, і там зупинив ся. А був там величезний камінь. І порубали вони воза на дрова, а корови принесли Господеві на всепаленнє.
15Het waren de levieten, die de ark van Jahweh en het bijbehorend kistje met de gouden voorwerpen aflaadden en op de grote steen plaatsten; en de bevolking van Bet-Sjémesj bracht die dag brandoffers en slachtoffers aan Jahweh.
15Левії ж здоймили скриню Господню і прискринок із золотими річами в йому, та й поставили на великому каменї. А Бетсаміські люде приносили всепалення і заколювали в той день Господеві жертви.
16Toen de vijf tyrannen der Filistijnen het gezien hadden, keerden ze diezelfde dag naar Ekron terug.
16І бачили се всї пятеро князїв Филистійських, та й вернулись того ж дня в Аккарон.
17Hier volgt een lijst van de gouden aambeien, die de Filistijnen als zoenoffer aan Jahweh hadden meegegeven: één van Asjdod, één van Gaza, één van Asjkelon, één van Gat en één van Ekron.
17Ось які були болячкові ґулї з золота, що вистачили Филистії Господеві на спокутню жертву: за Азот одна, за Газу одна, за Аскалон одна, за Гет одна, за Аккарон одна:
18Het getal der gouden muizen beantwoordde aan dat der Filistijnse steden, die aan de vijf tyrannen onderhorig waren, vestingen zowel als boerendorpen. De getuige ervan, de grote steen, waarop men de ark van Jahweh neerliet, bevindt zich vandaag nog op de akker van Jehosjóea, den Bet-Sjemiet.
18До того й золоті миши по лїчбі всїх міст Филистійських, що під пятьма князями, від міст утверджених аж до відкритих сїл, та до величезного каменя, що на йому поставили скриню Господню, та що і по сей день на полї Йозуї, Бетсамія.
19Maar de zonen van Jekonja hadden zich niet met de inwoners van Bet-Sjémesj verheugd, toen zij de ark van Jahweh aanschouwden. Daarom doodde Hij van hen zeventig man, zodat de bevolking in rouw was gedompeld, omdat Jahweh zulk een vreselijke slag onder het volk had aangericht.
19Ехоніенкам же склалась біда між людьми Бетсаміськими, що вони розглядували ковчега Господнього. Убив бо він з них пятьдесять тисяч і сїмдесять чоловіка. І заплакав народ, що Господь учинив між людом таку погубу.
20En de inwoners van Bet-Sjémesj zeiden: Wie kan het bestaan voor Jahweh, dien heiligen God; naar wien moet Hij nu heen?
20І промовляли Бетсамії: Хто встоїть поблизу Господа, сього сьвятого Бога? До кого він тепер пійде від нас?
21Toen zonden ze boden naar de bewoners van Kirjat-Jearim met de uitnodiging: De Filistijnen hebben de ark van Jahweh teruggebracht. Komt, en vervoert ze naar u.
21І послали до осадників Киріятяриму і звелїли сказати: Филистії вернули назад скриню Господню. Прибувайте та возьміте її до себе.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.