1 Samuel
Chapter 14
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Op zekere dag zei Jonatan, de zoon van Saul, tot zijn wapendrager: Laat ons oversteken naar de Filistijnenpost daar aan de overkant! Hij had er echter niets van aan zijn vader verteld.
1Сталося ж одного дня, Йонатан, син Саулів, не переказавши свойму батькові, звелїв хлопцеві, що носив йому зброю: Ходїмо, перейдемо до Филистійської чати, що стоїть по тім боцї.
2Saul bevond zich toen aan de rand van Giba onder de granaatappelboom op de dorsvloer. Zijn gevolg bestond uit ongeveer zeshonderd man;
2Саул же седїв саме на Гивійській гряницї під гранатовим деревом, що під Мигроном; людей при йому було до шістьох сотень чоловіка,
3en Achija, de zoon van Achitoeb, die de broer was van I-Kabod, den zoon van Pinechas, zoon van Eli, den priester van Jahweh in Sjilo, droeg de efod. Ook het volk wist niet, dat Jonatan was heengegaan.
3І Ахія, син Ахитува, брата Йохаведового Пинеесенкового, сина Ілїйного, сьвященник Господнїй в Силомі, що носив тодї ефод. Люде ж не знали нїчого, куди Йонатан пійшов.
4Tussen de passen, waarlangs Jonatan een doortocht zocht naar de Filistijnenpost, bevond zich aan weerszijden een rotspunt; de een heette Boses, de andere Senne;
4А були між горами, куди Йонатан пробирався, щоб напасти на Филистійську чату, і по сїм і по тім боцї гострі скелї: Одну звали Бозез, другу Сене;
5de ene rotspunt stond noordelijk tegenover Mikmas, de andere zuidelijk tegenover Géba.
5Одна скеля стриміла на північньому боцї, навпроти Михмаса, друга на полуденньому боцї, навпроти Гиви.
6Jonatan zeide dus tot zijn wapendrager: Laat ons oversteken naar de post van die onbesnedenen. Misschien wil Jahweh voor ons ingrijpen; want het maakt voor Jahweh geen verschil, of Hij met een groot of met een klein aantal de zege verleent.
6От і каже Йонатан хлопцеві, що носив йому зброю: Перейдїмо лишень до чати сих необрізаних; може Господь за нас воювати ме, бо Господеві нема перепину, щоб допомогти чи через многих людей, чи через немногих.
7De wapendrager antwoordde hem: Doe wat uw hart u ingeeft; ik sta tot uw beschikking, en ik doe wat gij wilt.
7І відказав йому зброєноша: Чини, що тобі по серцї; я з тобою, і чого ти хочеш, те й я хочу!
8Jonatan sprak af: Welnu, als we naar die mannen oversteken, moeten we ons aan hen laten zien.
8І сказав Йонатан: Ну, так перейдїмо до тих людей, нехай нас побачять.
9Roepen ze ons toe: “Halt, totdat we bij u zijn, dan blijven we beneden staan en klimmen niet naar hen op”.
9Як вони скажуть нам: Стійте, покіль ми не наближились, то ми зʼупинїмось на свойму місцї, і не наближуймось до них,
10Maar roepen ze: “Kom op!” dan gaan we naar boven; want dat is voor ons het teken, dat Jahweh ze aan ons heeft overgeleverd.
10Коли ж скажуть: Ійдїть сюди до нас, тодї ми пійдемо, бо Господь подав їх нам у руки: се нехай буде нам ознакою.
11Toen beiden zich nu aan de Filistijnse wachtpost vertoonden, riepen de Filistijnen: Kijk eens, er komen Hebreën uit de holen gekropen, waarin ze zich verborgen hadden!
11Як же стали обидва на виду в Филистійської чати, то Филистії подумали: Се Евреї вилазять із нор, куди позалазили були.
12En de mannen van de wachtpost daagden Jonatan en zijn wapendrager uit met de kreet: Kom op! dan zullen we jullie eens laten zien! Nu sprak Jonatan tot zijn wapendrager: Volg me; want Jahweh heeft ze aan Israël overgeleverd.
12От і кликнули чатівники Йонатанові та його зброєноші: Ходїть сюди до нас; ми щось вам скажемо. І каже Йонатан свойму зброєноші: Іди слїдом за мною, бо Господь подав їх нам на поталу.
13Gevolgd door zijn wapendrager kroop hij op handen en voeten naar boven. En waar Jonatan verscheen, vielen de Filistijnen neer, en achter hem gaf zijn wapendrager hun de genadeslag.
13От і лїзе рачки Йонатан на руках і на ногах, а зброєноша його слїдом за ним. І падали вони перед Йонатаном, а зброєноша його добивав їх позад його.
14Deze eerste nederlaag, die Jonatan met zijn wapendrager hun toebracht, kostte hun ongeveer twintig man op een terrein van een halve morgen land.
14І впало в тім первім побою, що завдав Йонатан та зброєноша його, до двайцятьох чоловіка на просторі половини дня ораня одною парою волів.
15Maar de schrik sloeg ook over op het kamp en het veld. Al het volk, met de wachtposten en roversbenden werd bang; zelfs de aarde beefde, en er ontstond een vreselijke paniek.
15І обняв тодї страх табір і ввесь військовий люд; так само полякались чати і хижацькі купи. До сього ж іще затрусилась земля, і настав великий страх від Господа.
16Toen de schildwachten van Saul in Giba van Benjamin bemerkten, dat de menigte ontsteld in alle richtingen rende,
16І дивиться Саулова сторожа в Гиві Беняминовій, аж се товпа розбігається сюди й туди.
17gaf Saul aan zijn gevolg het bevel: Onderzoekt eens, wie ons verlaten heeft. En bij het onderzoek bleek, dat Jonatan en zijn wapendrager er niet waren.
17І повелїв Саул людям, що круг його були: зробіте перегляд і подивітесь, хто з нас відлучивсь. Як же зробили перегляд, аж нема Йонатана й його зброєноші.
18Toen zei Saul tot Achija: Breng de ark van God hierheen. Want de ark van God was weer in het bezit van Israël.
18І сказав тодї Саул Ахії: Пристав сюди скриню Господню, бо скриня Божа була тодї з синами Ізрайлевими.
19Maar terwijl Saul met den priester sprak, werd het rumoer in het kamp der Filistijnen hoe langer hoe erger. Daarom zei Saul tot den priester: Laat maar!
19Тим часом же, як Саул розмовляв із сьвященником, трівога та крик, робились все більші та більші в таборі Филистійському, і Саул сказав сьвященникові: Зложи руки твої.
20En met al het volk dat bij hem was, stortte hij als één man zich in het gevecht. Maar zie, reeds sloeg daar de een op den ander in, en was er een geweldige verwarring ontstaan.
20І зібравсь тодї Саул з усїм військом, що було при йому, і як прийшли на боєвище, аж кожен підіймає меча проти товариша свого; замішанє було дуже велике.
21Nu liepen ook de Hebreën over, die het vroeger met de Filistijnen gehouden hadden en met hen te velde waren getrokken, en kozen de partij van Israël, dat Saul en Jonatan volgde.
21Та ще й Евреї, що давно вже пристали були до Филистіїв і ходили з ними всюди в таборі, пристали тепер до Ізрайлитян, що держались Саула та Йонатана.
22Ook de Israëlieten, die zich in het Efraïmgebergte schuil hadden gehouden, sloten zich allen in het gevecht bij hen aan, zodra ze vernamen, dat de Filistijnen op de vlucht waren geslagen.
22І всї Ізрайлитяне, що поховались були в Ефраїм-горах, почувши, що Филистії повтекали, сполучились із своїми до бою.
23Zo werd Israël die dag door Jahweh bevrijd. Het gevecht strekte zich uit tot over Bet-wen,
23Так дарував Господь Ізраїлеві того дня побіду, а побоїще простягалось аж за Бет-Авену. (Всїх людей було з Саулом до десяти тисяч і битва розтягалась по цїлому містї на горі Ефраїмовій.)
24en het volk, dat zich aan de zijde van Saul schaarde, groeide aan tot ongeveer tienduizend man. Maar terwijl de strijd zich over heel het Efraïmgebergte verspreidde, beging Saul die dag een grote dwaasheid. Want Saul liet het volk zweren: Gevloekt de man, die iets durft eten voor vanavond, eer ik mij op mijn vijanden gewroken heb. Iedereen onthield zich dan ook van voedsel over het hele land.
24Ізрайлитяне були того дня вельми втомлені, та Саул учинив учинок необачний бо закляв люд таким закляттєм: Проклят, хто їсти ме що до вечора, аж покіль помщусь над моїми ворогами! Тим і не їв харчі нїхто з народу.
25Men kwam echter in een bos, waar de honing zo maar op de grond lag.
25І пійшов весь люд у лїс, і був там на полянї мед.
26Toen het volk bij de raten kwam, was de zwerm eruit verdwenen. Toch was er niemand, die de hand naar zijn mond bracht; zoveel ontzag had het volk voor de eed.
26Як наближився люд, каже: ось тече мед; та нїхто не простяг руки до рота, бо люде страхались проклону.
27Jonatan echter, die niet gehoord had, dat zijn vader het volk een eed had doen zweren, stak de punt van de stok, die hij in zijn hand had, omlaag, doopte die in de honingraat en bracht de hand naar zijn mond. Zijn ogen begonnen ervan te schitteren.
27Йонатана ж не було при тому, як батько його заклинав людей. От він достав меду кінцем палицї, що держав у руцї, та й скоштував меду. Тодї знов заяснїли очі в його.
28Maar iemand uit het volk sprak hem aan, en zeide: Uw vader heeft het volk deze plechtige eed laten zweren: “Gevloekt de man, die vandaag iets eet!” Daar echter het volk uitgeput was,
28Один же військовий озвавсь до його та й каже: Твій панотець закляв люд такою клятьбою: Проклят, хто що їсти ме сьогоднї; люд же був утомлений.
29gaf Jonatan ten antwoord: Dan heeft mijn vader het land in het ongeluk gestort! Zie maar eens, hoe mijn ogen schitteren, nu ik een beetje van die honing geproefd heb!
29І відказав Йонатан: Панотець мій стрівожив землю; от дивітесь, як мої очі засьвітились, коли скоштував я трошки сього меду;
30Hoeveel groter zou de nederlaag der Filistijnen geweest zijn, als het volk vandaag genoeg had gegeten van de buit, die het op zijn vijanden heeft behaald.
30А й надто коли б люде попоїли добре сьогоднї ворожого лупу, що здобули, то чи ж не більший ще був би побій між Филистіями?
31Die dag ve rsloeg het volk de Filistijnen van Mikm as tot Ajjalon. Maar toen was het ook zo uitgeput,
31Тож побивали вони Филистіїв того дня від Михмасу до Аялону, і військовий люд потомивсь вельми.
32dat het zich op de buit stortte, schapen, runderen en kalveren nam, ze zo maar op de grond slachtte, en ze met bloed en al opat.
32І кинулись люде на луп, брали вівцї, корови, телята, і заколювали на землї, та й їли люде з кровю.
33Toen men aan Saul berichtte, dat het volk tegen Jahweh zondigde, door ze met bloed en al te eten, sprak hij tot hen, die het hem kwamen vertellen: Rol ogenblikkelijk een grote steen hier naar toe.
33Як же сповіщено Саулові: Провинили люде Господеві, що їли з кровю, промовив він: Се ледарство; прикотїть менї великого каменя.
34En Saul ging voort: Verspreidt u onder het volk en zegt hun: Laat iedereen zijn rund of schaap bij mij brengen en hierop slachten; dan kunt gij eten en hoeft gij niet tegen Jahweh te zondigen, door ze met bloed en al te eten. Toen bracht iedereen van het volk, wat hij bemachtigd had, daar naar toe, en slachtte het daar.
34І повелїв Саул: Розійдїтесь проміж людьми і промовте до них, нехай кожен приводить свою корову і вівцю та й заколює оттут, а тодї нехай їсть, щоб не грішити перед Господом, ївши з кровю. І приводив кожен з людей вола чи що мав при руцї, та й заколювали там.
35En Saul bouwde een altaar voor Jahweh; dit was het eerste altaar, dat hij voor Jahweh bouwde.
35І спорудив Саул жертівника Господеві. Се первий жертівник, що поставив Саул Господеві.
36Toen sprak Saul: Laat ons vannacht de Filistijnen achtervolgen en ze uitplunderen tot de morgen aanlicht, zonder iemand van hen te sparen. Men antwoordde: Doe wat u goeddunkt! Maar de priester zeide: We moeten ons eerst hier tot God wenden.
36І наважився Саул: Уганяти мемо й у ночі за Филистіями, і будемо їх непокоїти аж покіль розвидниться; не лишимо й ноги. І промовили: Чини все, як тобі здається гаразд. Та сьвященник промовив: Ходїмо перш перед Господа.
37Saul vroeg dus aan God: Zal ik de Filistijnen achtervolgen, en zult Gij ze aan Israël overleveren? Maar hij kreeg toen geen antwoord.
37І поспитав Саул у Господа: Чи вганяти менї за Филистіями? Чи подаси їх Ізраїлеві на поталу? Та не було йому того дня нїякого відказу.
38Daarom beval Saul: Aanvoerders van het volk, komt allen hierheen en brengt aan het licht, bij wien de schuld hiervan ligt.
38І повелїв Саул: Приступіть усї начальники між людьми та розпитайтесь, від кого провина сьогоднї сталась?
39Zowaar Jahweh leeft, de bevrijder van Israël, al was het mijn eigen zoon Jonatan, de dood zal hij sterven! Maar niemand van het volk durfde hem antwoorden.
39Бо так вірно, як те, що живе Господь подарувавший Ізраїлеві сьогоднї побіду, коли вона й на синї мойму Йонатанї покажесь, смерть і йому! Та нїхто з усїх людей не відказував йому.
40Nu sprak hij tot de Israëlieten: Gij moet aan de ene kant gaan staan; ik met mijn zoon Jonatan zullen aan de andere kant blijven. Het volk gaf Saul ten antwoord: Doe wat u goeddunkt.
40І повелїв усьому Ізраїлеві: Станьте по однім боцї, а я з сином Йонатаном станемо по другім боцї. А люд відказав Саулові: Чини, що тобі здається гаразд.
41En Saul bad tot Jahweh: God van Israël; waarom hebt Gij heden uw dienaar geen antwoord gegeven? Jahweh, God van Israël, zo de schuld bij mij of mijn zoon Jonatan ligt, geef dan Oerim; zo de schuld bij uw volk Israël ligt, geef dan Toemmim. Jonatan en Saul werden aangewezen, en het volk ging vrij uit.
41Озвавсь тодї Саул: Господи, Боже Ізрайлїв, чом не відказав єси слузї твойму сьогоднї? Коли ся провина вагонить на менї або на мойму синові Йонатанї, Господи, Боже Ізраїлїв, дай нам знак. Коли ж вона на народї твойму, дай йому осьвященнє. І виявлено Йонатана та Саула, люд же вийшов оправданим.
42Toen beval Saul: Werpt nu het lot tussen mij en mijn zoon Jonatan. En Jonatan werd aangewezen.
42І повелїв Саул. Жеребуйте між мною й моїм сином Йонатаном. І впав жереб на Йонатана.
43Nu sprak Saul tot Jonatan: Vertel me, wat hebt ge gedaan? En Jonatan vertelde hem: Met de punt van de stok, die ik in mijn hand had, heb ik een beetje honing geproefd; ik ben bereid te sterven.
43Питає ж тодї Саул у Йонатана: Признайсь менї, що ти вчинив? І признавсь йому Йонатан та й каже: Кінцем палицї, що держав у руцї, скоштував я трохи меду — за се менї смерть!
44Saul sprak: Zo moge God met mij doen en nog erger, als ge de dood niet zult sterven, Jonatan!
44І відказав Саул: Нехай Бог вчинить зо мною се і те, та ще і причинить; мусиш сьогоднї умерти, Йонатане!
45Maar het volk zeide tot Saul: Moet dan Jonatan sterven, hij, die deze grote overwinning bevochten heeft in Israël? Néén, zo waar Jahweh leeft, geen haar van zijn hoofd zal ter aarde vallen; want met de hulp van Jahweh heeft hij ze heden bevochten! Zo werd Jonatan door het volk bevrijd, en hoefde hij niet te sterven.
45Та люд озвавсь до Саула: Чи ж то Йонатана стратити, що сю велику побіду вчинив в Ізраїлї? Нї, сьому не бути! Як живе Господь, і волосинка не впаде на землю з голови його, бо за Божою підмогою він учинив її. І визволив люд Йонатана від смертї.
46Saul staakte de achtervolging van de Filistijnen, en de Filistijnen trokken zich in hun woonplaatsen terug.
46І вернувся Саул від погонї за Филистіями, Филистії ж пійшли собі додому.
47Nadat Saul het koningschap over Israël had aanvaard, voerde hij krijg aan alle kanten tegen zijn vijanden: tegen Moab, tegen de Ammonieten, tegen Edom, tegen de koningen van Soba en tegen de Filistijnen; en wie hij ook aanviel, werd door hem overwonnen.
47Утвердивши своє царюваннє над Ізраїлем, воював Саул навкруги проти ворогів своїх: проти Моаба, проти Аммонїїв, проти Едому, проти царя Соби та проти Филистіїв, і куди нї обертавсь, усюди подужував.
48Hij ontplooide zulk een kracht, dat hij zelfs Amalek versloeg, en Israël bevrijdde uit de macht van die het plunderden.
48І зібравши військо, побив Амалика і визволив Ізраїля з потали в грабителїв його.
49De zonen van Saul waren Jonatan, Jisjwi en Malkisjóea; de oudste zijner beide dochters heette Merab, de jongste Mikal.
49Сини в Саула були: Йонатан, Ессуй, та Мелхисуя, а двох дочок його звали: старшу Мерова, меншу Мелхола.
50Zijn vrouw heette Achinóam, en was een dochter van Achimáas. Zijn legeroverste heette Abner, en was een zoon van Ner, den oom van Saul.
50А жону Саулову звали Ахиноама Ахимаазова; а гетьмана війська його звали Абенир, син Нира, Саулового дядька.
51Want Kisj, de vader van Saul, en Ner, de vader van Abner, waren zonen van Abiël.
51Як Саулів отець Кис, так і батько Абенирів, Нир, були сини Авиїлові.
52Zolang Saul leefde, was het een harde strijd tegen de Filistijnen; en telkens als Saul een flinke kerel zag of een dapper held, verbond hij hem aan zijn dienst.
52І була упорна війна з Филистіями покіль було віку Саулового; і де побачить було Саул хороброго і сильного чоловіка, того й приймав до себе.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.