1 Samuel 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen stond David op en vertrok, terwijl Jonatan naar de stad terugkeerde. David ging nu naar Nob, naar den priester Achimélek. Ontsteld liep Achimélek David tegemoet, en vroeg hem: Waarom zijt ge alleen, en is er niemand bij u?
1І прийшов Давид у Номву до сьвященника Ахимелеха. Ахимелех же здивувався, стрічаючи Давида, та й питає; Що се прийшов єси самотою і нема при тобі нїкого?
2David gaf den priester Achimélek ten antwoord: De koning heeft mij iets opgedragen en tot mij gezegd: “Niemand mag ook maar iets weten van de zaak, waarvoor ik u uitzend, en die ik u heb opgedragen”. Daarom heb ik mijn knechten naar die en die plaats besteld.
2І відказав Давид Ахимелехові, сьвященникові: царь дав менї наказ кажучи: нехай нїхто не знає нїчого про ту річ, що з нею посилаю тебе і що звірився тобі в їй. Тим я оставив люде на певному місцї.
3Nu iets anders; wat hebt gij in voorraad? Geef mij vijf broden mee, of wat ge bij de hand hebt.
3Тепер же, коли в тебе є пять боханцїв хлїба, дай менї їх, чи й ще що небудь, коли маєш.
4De priester antwoordde David: Gewoon brood heb ik niet in voorraad; wel is er heilig brood. Maar hebben de knechten zich wel van vrouwen onthouden?
4І відказав сьвященник Давидові: хлїба звичайного нема в мене під рукою, а є тільки сьвященний хлїб, коли тільки люде чисті від жінок.
5David verzekerde den priester: Ja; vrouwen zijn ons ontzegd. Want steeds als ik uittrek, zijn de knechten op dat punt rein; en dan is dat nog maar een gewone tocht. Hoeveel te meer zullen ze dan nu op dat punt rein zijn.
5І відказав Давид сьвященникові та й каже: Від жінок ми вчера і три днї тому, від коли вийшли, здержались, і посуди слуг твоїх чисті, а хоч дорога нечиста, то хлїб останеться чистим в посудинах.
6Toen gaf de priester hem heilig brood; want er was geen ander brood, dan de toonbroden, die uit Jahweh’s tegenwoordigheid worden weggenomen, om ze dan telkens door vers brood te vervangen.
6І дав сьвященник йому сьвященного хлїба, не було бо иншого хлїба, як показний хлїб, що його тодї знято зперед лиця Господнього, щоб на його місце положити сьвіжі хлїби.
7Nu was daar die dag één van Sauls dienaren, die voor het aanschijn van Jahweh moest blijven. Het was Doëg, de Edomiet, het hoofd van de wachters van Saul.
7Був же там того дня перед Господом один із слуг Саулових, на імя Доик, Ідумій, старший над пастухами Сауловими.
8Daarna vroeg David aan Achimélek: Is hier niet een lans of een zwaard bij de hand; want er was zoveel haast bij de opdracht des konings, dat ik zwaard noch wapenen heb kunnen meenemen.
8І поспитав Давид ув Ахимелеха: Чи нема в тебе якого списа або меча під рукою? Бо я не взяв із собою нї меча нї иншої зброї, бо наказ царській був спішний.
9De priester antwoordde: Ja, het zwaard van Goliat, den Filistijn, dien ge in het Terebintendal verslagen hebt. Daar staat het, in een doek gewikkeld achter de efod. Als ge dat wilt, neem het dan mee; want hier is geen ander. En David sprak: Er is geen beter; geef het me mee. En hij gaf het hem.
9І каже йому сьвященник: Ось є меч Филистія Голіята, що ти вбив у Теребинтовій долинї, обгорнутий одежею, позад ефода. Коли хочеш, возьми, бо тут иншого нема. І відказав Давид: Такого другого й не знайти, дай менї його.
10Nog diezelfde dag maakte David zich uit de voeten; en op zijn vlucht voor Saul kwam hij bij Akisj, den koning van Gat.
10І рушив Давид і втїк того ж дня від Саула до царя Анхуза в Гет.
11Nu zeiden de dienaren van Akisj: Dat is toch David, de koning van het land! Op hem hebben ze toch in reidans gezongen: Saul sloeg ze bij duizenden neer, Maar David bij tienduizenden!
11Прибічники ж Анхузові мовляли до його: Чи оце не Давид, царь землї, що йому присьпівували в хороводах: Побив Саул тисячі, а Давид десятки тисяч!
12Die woorden knoopte David in het oor, en in zijn grote angst voor Akisj, den koning van Gat,
12Слова сї прийняв Давид у серце, та й збоявся вельми царя Гетського Анхуза.
13stelde hij zich openlijk als een waanzinnige aan, en deed hij als een dolleman, toen ze hem grepen. Hij trommelde op de poortdeuren en kwijlde in zijn baard,
13І відмінив лице своє перед ними, й удавав бісноватого в очах їх, кидавсь під їх руками наче не при собі, грюкотїв у двері і пускав слину з роту по бородї.
14zodat Akisj zijn dienaren verweet: Ziet ge niet, dat het een dolleman is? Waarom brengt ge hem bij me?
14І каже тодї Анхуз прибічникам своїм: Ви ж бачите, що се чоловік божевільний; на чо ж ви привели його до мене?
15Heb ik dan geen gekken genoeg, dat ge mij met dezen dolleman opscheept? Moet die soms in mijn huis komen?
15Хиба в мене мало скажених, що привели сього, біснуватись передо мною? чи йому ж то ввійти в мої палати?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.