1 Samuel 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
1Toen stond David op en vertrok, terwijl Jonatan naar de stad terugkeerde. David ging nu naar Nob, naar den priester Achimélek. Ontsteld liep Achimélek David tegemoet, en vroeg hem: Waarom zijt ge alleen, en is er niemand bij u?
1Тада Давид дође у Нов к Ахимелеху свештенику; а Ахимелех се уплаши и истрча пред Давида, и рече му: Зашто си сам, и нема никога с тобом?
2David gaf den priester Achimélek ten antwoord: De koning heeft mij iets opgedragen en tot mij gezegd: “Niemand mag ook maar iets weten van de zaak, waarvoor ik u uitzend, en die ik u heb opgedragen”. Daarom heb ik mijn knechten naar die en die plaats besteld.
2А Давид рече Ахимелеху свештенику: Цар ми нешто заповеди, и рече ми: Нико да не дозна зашто те шаљем и шта сам ти заповедио. А слуге сам оправио у то и то место.
3Nu iets anders; wat hebt gij in voorraad? Geef mij vijf broden mee, of wat ge bij de hand hebt.
3Него шта имаш при руци? Дај ми пет хлебова, или шта имаш.
4De priester antwoordde David: Gewoon brood heb ik niet in voorraad; wel is er heilig brood. Maar hebben de knechten zich wel van vrouwen onthouden?
4А свештеник одговори Давиду и рече: Немам при руци обичног хлеба; него има светог хлеба; али јесу ли се момци чували од жена?
5David verzekerde den priester: Ja; vrouwen zijn ons ontzegd. Want steeds als ik uittrek, zijn de knechten op dat punt rein; en dan is dat nog maar een gewone tocht. Hoeveel te meer zullen ze dan nu op dat punt rein zijn.
5А Давид одговори свештенику и рече му: Није било жена код нас ни јуче ни ономадне, откако сам пошао, и судови су у момака били свети. А ако би пут и нечист био, осветиће се данас судовима.
6Toen gaf de priester hem heilig brood; want er was geen ander brood, dan de toonbroden, die uit Jahweh’s tegenwoordigheid worden weggenomen, om ze dan telkens door vers brood te vervangen.
6Тада му даде свештеник хлебове свете, јер не беше хлеба осим хлебова постављених, који беху узети испред Господа да се поставе хлебови топли онај дан кад се они узеше.
7Nu was daar die dag één van Sauls dienaren, die voor het aanschijn van Jahweh moest blijven. Het was Doëg, de Edomiet, het hoofd van de wachters van Saul.
7А онде беше онај дан један од слуга Саулових бавећи се пред Господом, коме име беше Доик Идумејац, старешина над пастирима Сауловим.
8Daarna vroeg David aan Achimélek: Is hier niet een lans of een zwaard bij de hand; want er was zoveel haast bij de opdracht des konings, dat ik zwaard noch wapenen heb kunnen meenemen.
8И Давид рече Ахимелеху: Имаш ли ту какво копље или мач? Јер ни мача свог ни оружја не понесох, јер ствар царева беше хитна.
9De priester antwoordde: Ja, het zwaard van Goliat, den Filistijn, dien ge in het Terebintendal verslagen hebt. Daar staat het, in een doek gewikkeld achter de efod. Als ge dat wilt, neem het dan mee; want hier is geen ander. En David sprak: Er is geen beter; geef het me mee. En hij gaf het hem.
9А свештеник рече: Овде је мач Голијата Филистејина, ког си убио у долини Или, увијен у платно иза оплећака; ако хоћеш, узми га, јер другог осим њега нема овде. А Давид рече: Таквог више нема, дај ми га.
10Nog diezelfde dag maakte David zich uit de voeten; en op zijn vlucht voor Saul kwam hij bij Akisj, den koning van Gat.
10Потом се подиже Давид, и побеже онај дан од Саула, и дође к Ахису, цару гатском.
11Nu zeiden de dienaren van Akisj: Dat is toch David, de koning van het land! Op hem hebben ze toch in reidans gezongen: Saul sloeg ze bij duizenden neer, Maar David bij tienduizenden!
11А Ахису рекоше слуге његове: Није ли ово Давид, цар земаљски? Нису ли о њему певали играјући и говорећи: Саул згуби своју хиљаду, а Давид својих десет хиљада?
12Die woorden knoopte David in het oor, en in zijn grote angst voor Akisj, den koning van Gat,
12И Давид метну ове речи у срце своје, и побоја се веома Ахиса, цара гатског.
13stelde hij zich openlijk als een waanzinnige aan, en deed hij als een dolleman, toen ze hem grepen. Hij trommelde op de poortdeuren en kwijlde in zijn baard,
13И претвори се пред њима и учини се луд у рукама њиховим; и шараше по вратима, и бацаше пену низ браду своју.
14zodat Akisj zijn dienaren verweet: Ziet ge niet, dat het een dolleman is? Waarom brengt ge hem bij me?
14И Ахис рече слугама својим: Ето, видите да је човек луд; што сте ми га довели?
15Heb ik dan geen gekken genoeg, dat ge mij met dezen dolleman opscheept? Moet die soms in mijn huis komen?
15Зар немам доста лудих, него ми доведосте тога да лудује преда мном? Зар ће тај ући у кућу моју?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.