1 Samuel
Chapter 12
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen sprak Samuël tot geheel Israël: Ik heb voldaan aan al de wensen, die gij mij kenbaar hebt gemaakt, en een koning over u aangesteld.
1І промовив Самуїл до всього Ізраїля: Оце уволив я вашу волю в усьому, що ви приносили перед мене, і поставив царя над вами.
2Dus staat voortaan de koning aan uw hoofd. Want ik ben oud en grijs geworden, en wat mijn zonen aangaat: gij kent ze! Van mijn jeugd af tot op de dag van heden heb ik aan uw hoofd gestaan.
2От царь від сього часу ходити ме перед вами, я ж уже зробився старим та сивим, а сини мої між вам. Я з молодих лїт моїх та й по сей день перед вашими очима чинив дїло моє.
3Hier sta ik nu! Legt voor Jahweh en voor zijn gezalfde getuigenis over mij af! Wiens rund heb ik genomen of wiens ezel ontvreemd; wien heb ik afgezet of verongelijkt; van wien heb ik geschenken aangenomen, al was het een paar sandalen? Zegt het mij, dan kan ik mij verantwoorden.
3Ось я: виступайте проти мене перед Господом і помазанником його, наколи в кого взяв я вола чи осла, або кого тїснив, кого насилував, від кого взяв підкуп і закрив в його справі очі мої; виступайте проти мене; так я все те вам повертаю.
4Maar zij riepen: Néén, ge hebt ons niet afgezet of verongelijkt, en van niemand hebt ge wat dan ook aangenomen.
4І відказали вони: Ти не зʼобиджав нас і не тїснив нас і нїчого нї в кого не загарбав.
5Toen sprak hij tot hen: Is Jahweh uw getuige, en is heden zijn gezalfde getuige, dat gij niets in mijn bezit hebt aangetroffen? En zij antwoordden: Ja!
5І сказав їм: Господь сьвідком на вас і помазанник його сьвідком в сей день, що ви не знайшли проти мене нїчого. І промовили: Сьвідок!
6Nu ging Samuël voort tot het volk: Getuige is dus Jahweh, die Moses en Aäron heeft verwekt en uw voorvaderen uit Egypteland heeft gevoerd!
6Рече тодї Самуїл до люду: Сьвідок Господь, що поставив Мойсея та Арона і вивів батьків ваших із Египту.
7Welnu dan, treedt aan; dan zal ik ten overstaan van Jahweh uw rechter zijn, en u alle weldaden voorhouden, die Hij aan u en uw vaderen heeft bewezen.
7Тепер же приступіте: буду судитись з вами перед Господом про всї добродїйства Господнї, що він оказав вам і батькам вашим.
8Toen Jakob in Egypte gekomen was en uw vaderen tot Jahweh smeekten, zond Hij Moses en Aäron, die uw vaderen uit Egypte bevrijdden en in dit land deden wonen.
8Як прийшов Яков у Египет, а батьки ваші кликнули до Господа, то послав Господь Мойсея та Арона, і вивів ваших батьків із Египту, і обмислив вас осадою в цїй землї.
9Maar omdat zij Jahweh, hun God, vergaten, gaf Hij hen prijs aan Sisera, den legeroverste van Chasor, aan de Filistijnen en aan den koning van Moab, die hen aanvielen.
9Вони ж забули Господа, Бога свого, і він оддав їх на поталу Сисарі, гетьманові Азорському, і на поталу Филистіям та цареві Моабійському, що воювали з ними.
10Toen baden zij tot Jahweh en bekenden: Wij hebben gezondigd, door Jahweh te verlaten en de Báals en Asjtarten te dienen; bevrijd ons toch uit de macht van onze vijanden, en U zullen wij dienen.
10Та коли вони заголосили до Господа і промовляли: провинили ми, покинули Господа та й служили Баалам да Астаротам, тепер же визволь нас із потали в ворогів наших, так служити мем тобі,
11En Jahweh zond Jeroebbáal, Abdon, Jefte en Samuël, en bevrijdde u uit de macht van uw vijandige naburen, zodat gij onbezorgd kondt leven.
11То Господь послав Еробаала й Барака, Ефтая й Самуїла та й визволив вас із потали в ваших ворогів навкруги, і жили ви в безпецї.
12Maar nu gij bemerkt hebt, dat Nachasj, de Ammonietenkoning, op u afkwam, nu hebt gij, ofschoon Jahweh uw God uw Koning is, tot mij geroepen: Néén, een koning moet over ons heersen!
12Як же побачили, що Наас, царь Аммонїйський, двинув проти вас, тодї сказали ви менї: Нї! нехай царь панує над нами, тим часом як царем вашим Господь, Бог ваш.
13Daar staat dan de koning, dien gij gekozen en om wien gij gevraagd hebt. Jahweh hééft u een koning gegeven!
13Оце ж вам царь, що його вибрали і домагались; оце ж Господь поставив царя над вами.
14Welnu, als gij Jahweh vreest en Hem dient, als gij luistert naar zijn stem en u niet verzet tegen Jahweh’s geboden, als gij zelf zowel als de koning, die over u heerst, Jahweh, uw God, blijft volgen, dan zult gij leven;
14Коли будете боятись Господа, служити йому, слухати гласа його, і не будете противитись повелїнням його, та коли ви самі й царь, що вами править, ходити мете слїдом за Господом, Богом вашим, то рука Господня не здійметься на вас;
15maar als gij niet luistert naar de stem van Jahweh, als gij u verzet tegen zijn geboden, dan zal de hand van Jahweh op u en uw koning neerkomen tot uw eigen verderf!
15Коли ж ви голосу Господнього не будете слухати і проти повелїнь його впирати метесь, так рука Господня буде проти вас, як бувала проти батьків ваших.
16Blijft nu nog staan, en let op het grote wonder, dat Jahweh voor uw ogen gaat doen.
16А й тепер станьте та подивіться на велике дїло, яке вчинить Господь перед очима вашими:
17Want ofschoon wij midden in de tarweoogst zijn, zal Jahweh het op mijn gebed laten donderen en regenen. Erkent dan, hoe zwaar gij misdaan hebt in de ogen van Jahweh, door een koning te verlangen.
17Ось тепер пшеничні жнива, та я помолюсь до Господа, і пошле він громи та ливень, і ви взнаєте і побачите, який се великий гріх ви вчинили перед очима Господа, вимагаючи собі царя.
18En Samuël bad tot Jahweh, en Jahweh liet het die dag donderen en regenen,
18І озвався Самуїл до Господа, і послав Бог того дня громи та зливу, і злякавсь вельми народ перед Господом і перед Самуїлом.
19zodat heel het volk diep bevreesd werd voor Jahweh en Samuël, en aan Samuël vroeg: Bid voor uw dienaren tot Jahweh, uw God, opdat we niet sterven; want bij al onze zonden hebben we nog deze misdaad gevoegd, dat we een koning hebben verlangd.
19І благав тодї люд Самуїла: Помолись за рабів твоїх перед Господом, Богом твоїм, щоб нам не померти, що ми до всїх наших провин додали ще й той гріх, що просили собі царя.
20Toen sprak Samuël tot het volk: Weest niet bevreesd! Zeker, gij hebt al dit kwaad bedreven; maar vervreemdt u thans niet langer van Jahweh. Blijft Jahweh dienen met geheel uw hart,
20І відказав Самуїл народові: Не бійтесь, хоч і вдїяли ви сю кривду; тільки не відступайте від Господа, а служіте Господеві всїм серцем вашим,
21zonder af te wijken naar die nietswaardigheden, die, juist omdat ze niets waard zijn, niet kunnen helpen en redden.
21І не ходїте за пустими богами, що з них нї користї, нї вибави, бо вони нїчо.
22Neen, Jahweh zal zijn volk niet verwerpen terwille van zijn machtige Naam; want Jahweh heeft u tot zijn volk willen maken!
22Господь не відопхне народа свого вже задля великого імени свого, коли вподобав зробити вас народом своїм.
23En ik, ik denk er niet aan, om tegen Jahweh te zondigen, door niet meer voor u te bidden of u de goede en rechte weg te wijzen.
23Та й від мене далека думка грішити перед Господом тим, що немолився б за вас, і я вказувати му вам добру й просту путь.
24Vreest dus Jahweh en dient Hem oprecht met heel uw hart; ziet, wat grote dingen Hij aan u heeft gedaan.
24Тільки бійтесь Господа і служіте йому щиро від усього серця, самим бо вам розумно, які великі дїла він удїяв на вас.
25Maar zo gij in de boosheid volhardt, dan gaat gij ten onder, gij zowel als uw koning!
25Коли ж ви зледащієте, так ви вкупі з вашим царем погибнете.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.