1 Samuel 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen begon Channa te bidden: Mijn hart springt op om Jahweh, Mijn hoorn verheft zich om mijn God! Ik kan mijn vijanden te woord staan, Daar ik mij verblijd in uw hulp.
1І молилась Анна й промовила: Звеселився дух мій в Бозї; в гору знявсь ріг мій в Господї моїм; широко отворились уста мої на ворогів моїх, бо я зрадїла спасеннєм твоїм.
2Niemand is heilig als Jahweh, Niemand een rots als onze God!
2Нема рівно сьвятого як Господь, нема другого крім тебе; один він бо наша скела, один тільки Бог наш.
3Zit niet voortdurend te zwetsen, Laat uit uw mond geen vermetelheid komen: Want Jahweh is een God, die alles kent; Door Hem worden de daden beproefd.
3Не причиняйте слів гордих; надто сьмілі слова нехай не виходять із уст ваших, бо Господь один: Бог тямущий, а дїла у него все готові.
4De boog der sterken ligt geknakt, Maar zwakken zijn met kracht omgord;
4Ламлеться лук у потужних, а немічні оперізуються силою;
5Slempers verhuren zich om brood, De hongerigen houden op met werken; De kinderloze baart er zeven, Die kinderen had, is verlept.
5Ситі хлїб свій заробляють, голодні сьвяткують; неплідна сїм раз роджає, плідна яловіє.
6Jahweh doet sterven en laat leven, Stuurt naar de onderwereld en haalt er uit op;
6Бог і мертвить, Бог і живить; він зводить у глибінь, і в гору підносить;
7Jahweh maakt arm en maakt rijk, Hij vernedert, maar kan ook verheffen.
7Злиденним й багачам (по вподобі) робить, одного веде униз він, другого угору.
8Uit het stof beurt Hij den zwakke op, Van de mesthoop haalt Hij den behoeftige weg, Om hun een plaats bij de vorsten te geven, En hun een erezetel te schenken. Want aan Jahweh behoren de zuilen der aarde: Daarop heeft Hij de aardschijf gegrondvest.
8З пороху земного нуждаря підносить, з грязї бідного у гору возносить, щоб з князями посадити, у наслїддє престолом слави надїлити; бо від Господа основи землї, і він заложив на них кулю земну.
9De voeten zijner vromen beschermt Hij, Maar de bozen komen om in het duister. Niet op eigen kracht steunt de mens,
9Ноги праведних він стереже, а безбожники в темряві потонуть; бо не своєю силою кріпкий чоловік.
10Maar Jahweh vernietigt zijn vijand! De Allerhoogste brult uit de hemel, Jahweh oordeelt de grenzen der aarde; Hij geeft kracht aan zijn Koning, Hij verheft de hoorn van zijn Gezalfde!
10Хто б устав на Бога згорда, загрімить над ним з неба. Судить Бог усю вселенну, міць дає цареві, і помазанцеві рога високо возносить.
11Daarop keerde Elkana terug naar zijn huis in Rama, terwijl het kind Jahweh bleef dienen onder het toezicht van den priester Eli.
11І вернув Елкана в Раму в домівку свою, а хлопець оставсь служити Господу під назиром сьвященника Ілїї.
12Nu waren de zonen van Eli echte Belialskinderen: ze bekommerden zich niet om Jahweh,
12Сини ж Іліїні та були ледачі люде, що не дбали про Господа,
13noch om het recht der priesters tegenover het volk. Wanneer iemand een offer bracht, dan kwam, terwijl men het vlees kookte, een knecht van den priester met een drietandige vork in zijn hand,
13Анї про обовязки сьвященничі супроти народу. Що заколе бувало хто жертву, то мясиво ще вариться, а вже слуга сьвященників приходить з трозубою виделкою в руцї,
14prikte in de ketel, de pot, de pan of de schotel, en alles wat er aan de vork bleef hangen, behield de priester voor zich. Zo behandelden ze alle Israëlieten, die daar in Sjilo kwamen.
14Та й запускає її в казан, горщик чи то сковороду, і що вилка вутягнуть, бере сьвященник собі! Так вони чинили з усїма Ізрайлитянами, що приходили туди в Силом.
15Of voordat men het vet had verbrand, kwam de knecht van den priester aan hem, die het offer bracht, zeggen: Geef het vlees maar hier, om het voor den priester te braden; hij wil van u geen gekookt, maar rauw vlees hebben.
15І перш нїж бувало пустять товщ з димом, прийде сьвященників слуга та й каже тому, хто жертвує: Давай лишень мясива на печеню сьвященникові! Нетреба йому від тебе вареного мясива, дай сирцем!
16En als de man dan tegenwierp: Laat men nu eerst het vet verbranden, dan kunt ge krijgen zoveel ge wilt, dan zeide hij: Neen, nu moet ge het geven; anders neem ik het met geweld!
16Як відкаже ж йому той: Перше треба пустити з димом тук, як се належиться, тодї й бери що тобі любо, так він відказує йому: Нї, зараз давай, а не даси, возьму силоміць!
17Dat was voor het aanschijn van Jahweh een zeer ernstig vergrijp van die knechten, omdat de mensen het offer van Jahweh gingen verachten.
17Оце ж були дуже тяжкі провини перед Господом обох молодиків, бо вони відвертали від приношення жертов Господеві.
18Intussen diende Samuël voor Jahweh’s aanschijn; als kleine jongen was hij reeds met een linnen borstkleed omgord.
18Самуїл ж доглядав служби перед Господом, хлопчик, підперезаний ільляним опліччем (ефодом).
19Bovendien maakte zijn moeder elk jaar een manteltje voor hem, dat ze meebracht, als ze met haar man het jaarlijkse offer kwam brengen.
19До того ж обмисляла його мати верхньою маленькою одежиною та й приносила що року, приходючи з чоловіком, щоб зложити на жертву.
20Dan zegende Eli Elkana met zijn vrouw, en zeide: Moge Jahweh u uit deze vrouw nog kinderen schenken als vergoeding voor het pand, dat ze aan Jahweh heeft afgestaan. Dan gingen ze weer naar hun woonplaats terug.
20І благословляв тодї Ілїй Елкану й жінку його щоразу, й промовляв: Нехай дасть тобі Господь потомків від сієї жінки намість відданого, що віддав єси його Господеві! Тодї вертались вони у свою домівку.
21En werkelijk: Jahweh bezocht Channa; ze werd zwanger en bracht nog drie zonen en twee dochters ter wereld. Intussen groeide Samuël bij Jahweh op.
21І погодив Господь Аннї так, що вона вродила ще три сини й дві дочки. Молодик же Самуїл ріс при Господї.
22Toen Eli op zijn oude dag moest horen, hoe zijn zonen heel Israël behandelden, en hoe zij sliepen met de vrouwen, die de wacht hielden bij de ingang van de openbaringstent
22Був Ілїй дуже вже старий чоловік. Однакже, як бувало почує, що коять сини його всьому Ізрайлеві, та що вони пригортаються до женщин, що служили при громадському наметї,
23verweet hij hun: Waarom doet gij die slechte dingen, die ik van heel het volk heb vernomen?
23Так і каже було їм: Про що ви коїте таке, як я чую від усього люду Ізраїльського?
24Neen, mijn zonen, ze zijn niet fraai, de verhalen, die ik het volk van Jahweh heb horen verspreiden.
24Нї, дїти мої, ледача йде про вас поголоска, яку я зачуваю; ви приводите до переступу народ Господень!
25Beledigt de ene mens den ander, dan zal God voor hem bemiddelen; maar als een mens tegen Jahweh opstaat, wie zal dan voor hem tussenbeide komen? Maar ze luisterden niet naar de waarschuwingen van hun vader; want Jahweh had besloten, hen te doden.
25Як чоловік провиниться проти чоловіка, то помоляться про його Господеві, як же чоловік (сьвященник) провинить Господеві, то хто молитись ме за ним? Но вони не слухали батькового слова, бо Господь призначив уже їм смерть.
26De jonge Samuël echter werd steeds groter en schoner, voor Jahweh zowel als voor de mensen.
26Молодий же Самуїл підростав що раз більше і здобував усе більш ласку в Господа, як і в людей.
27Eens kwam een godsman Eli zeggen: Zo spreekt Jahweh! Ik heb mij duidelijk geopenbaard aan uw voorvaderen, toen zij in Egypte slaven waren van Farao’s huis.
27І прийшов Божий чоловік до Ілїї та й рече йому: Тако глаголе Господь: Чи я ж не обявився домові батька твого, як вони були ще в дому Фараоновому в Египтї,
28Want uit alle stammen van Israël heb Ik hen uitverkoren als mijn priesters, om mijn altaar te bestijgen, om wierook te branden en voor mijn aanschijn het borstkleed te dragen. Bovendien stond Ik aan uws vaders huis alle vuuroffers van Israëls zonen af.
28Та чи не вибрав його собі із усїх поколїнь Ізрайлевих у сьвященники, щоб приступав до жертівника мого, щоб запалював кадило і носив ефод передо мною? Чи не удїлав я домові отця твого з усїх жертов синів Ізрайлевих?
29Waarom zijt ge dan afgunstig op het offer en de gave, die Ik voor Mijzelf heb bestemd? Waarom stelt ge uw zonen boven Mij, door u te goed te doen aan het beste van al wat Israël Mij brengt?
29Про що ж се ви берете під ноги мої жертви й хлїбні приноси, що я заповідав для храмини моєї, і чому ти поважаєш синів твоїх над мене, що ви годуєтесь найпереднїйшими частями з усїх жертов народу мого Ізраїля?
30Daarom, zegt Jahweh, Israëls God! Ik had plechtig verzekerd: Uw huis en het huis van uw vader zullen tot in eeuwigheid voor mijn aanschijn vertoeven. Maar nu zegt Jahweh: Dat zij verre van Mij! Want eert iemand Mij, dan vereer Ik hem; maar veracht iemand Mij, dan wordt hij veracht.
30За се ж ось як говорить Господь, Бог Ізрайлїв: Я сказав був: дім твій і дім отця твого буде служити перед лицем моїм по віки; та тепер говорить Господь: не так воно буде; бо я прославлю тих, що мене будуть прославляти, а хто мене зневажає, того соромити му.
31Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm breek en die van uws vaders huis, zodat er geen grijsaard in uw familie zal zijn.
31Настане час, що відсїчу руку твою і руку дому вітця твого, так що в твоїй родинї не буде старця.
32Als een afgunstige toeschouwer zult ge het moeten aanzien, hoeveel goed Ik aan Israël doe; maar nooit zal er een grijsaard in uw familie zijn.
32Тодї будеш позирати на противника твого у всьому щастю Ізрайлевому, та в твоїй родинї не буде нїкого старезного по всї днї.
33Heel uw talrijke familie zal in de mannelijke leeftijd sterven, behalve één, dien Ik niet van mijn altaar zal verwijderen, om zijn ogen te laten verkwijnen en zijn geest te laten versmachten.
33Та не відкину я всякого з тебе від жертівника мого, щоб колоти очі твої, і мучити душу твою; усе ж потомство твоє в середнїх лїтах буде гинути.
34En wat aan uw beide zonen, Chofni en Pinechas zal overkomen, zal u tot teken zijn: op dezelfde dag zullen beiden sterven.
34Ознакою ж тобі, що станеться з обома синами твоїми, Офнїєм і Пинеесом, буде: що вони обидва помруть одного дня.
35Daarna zal Ik mij een betrouwbaar priester aanstellen; iemand die naar mijn wensen en bedoelingen handelt. Hem zal Ik een duurzaam huis bouwen, opdat hij altijd voor het aanschijn van mijn gezalfde vertoeven kan.
35Я ж собі поставлю надїйного сьвященника, що чинити ме волю мою по душі менї; і збудую йому незрушиму господу, і буде він по всї днї ходити перед помазанником моїм.
36Wie dan nog van uw familie is overgebleven, zal hem op zijn knieën komen smeken om een dagloon en een stuk brood; en hij zal hem vragen: Laat mij toch een of andere priesterlijke functie bekleden, om een stuk brood te eten te hebben.
36І буде колись так, що, хто б нї зоставсь із потомків твоїх, приходити і припадати ме перед ним, випрошуючи гроша срібного і скибочку хлїба, та казати ме: Прийми мене на яку послугу в твойму левітському урядованню, щоб мати чим прохарчуватись.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.