1 Samuel 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1David trok daar dus weg, en vond een schuilplaats in de grot van Adoellam. Dit hoorden zijn broers en heel zijn familie, en ze kwamen daar bij hem.
1و داود از آنجا رفته، به مغاره عدلام فرارکرد و چون برادرانش و تمامی خاندان پدرش شنیدند، آنجا نزد او فرود آمدند.
2Ook sloten zich bij hem tal van mannen aan, die in moeilijkheden zaten of door een schuldeiser achtervolgd werden, en allerlei ontevredenen; en hij werd hun leider. Zo waren er ongeveer vierhonderd man bij hem.
2و هرکه در تنگی بود و هر قرض دار و هرکه تلخی جان داشت، نزد او جمع آمدند، و بر ایشان سردار شدو تخمین چهار صد نفر با او بودند.
3Vandaar vertrok David naar Mispe in Moab. Hij vroeg aan den koning van Moab: Laat mijn vader en mijn moeder bij u blijven, totdat ik weet, wat God met mij voor heeft.
3و داود از آنجا به مصفه موآب رفته، به پادشاه موآب گفت: «تمنا اینکه پدرم و مادرم نزد شمابیایند تا بدانم خدا برای من چه خواهد کرد.»
4Hij liet hen dus bij den koning van Moab, en ze bleven bij hem, zolang David in de bergvesting was.
4پس ایشان را نزد پادشاه موآب برد و تمامی روزهایی که داود در آن ملاذ بود، نزد او ساکن بودند.
5Maar David werd door den profeet Gad gewaarschuwd: Blijf niet in de bergvesting; ga liever naar het land Juda. Zo vertrok David, en kwam hij in het bos van Chéret terecht.
5و جاد نبی به داود گفت که «در این ملاذدیگر توقف منما بلکه روانه شده، به زمین یهودا برو.» پس داود رفت و به جنگل حارث درآمد.
6Maar terwijl Saul in Giba onder de terebint op de heuvel zat, met zijn lans in zijn hand en al zijn dienaren om zich heen, vernam hij, dat David en de mannen, die bij hem waren, een bende hadden gevormd.
6و شاول شنید که داود و مردمانی که با وی بودند پیدا شدهاند، و شاول در جبعه، زیر درخت بلوط در رامه نشسته بود، و نیزهاش در دستش، وجمیع خادمانش در اطراف او ایستاده بودند.
7Daarom sprak Saul tot zijn dienaren, die om hem heen stonden: Luistert eens, Benjamieten! De zoon van Jesse zal natuurlijk aan u allen landerijen en wijngaarden schenken, en u allen aanstellen tot hoofdmannen van duizend en honderd!
7وشاول به خادمانی که در اطرافش ایستاده بودند، گفت: «حالای بنیامینیان بشنوید! آیا پسر یسا به جمیع شما کشتزارها و تاکستانها خواهد داد و آیاهمگی شما را سردار هزارهها و سردار صده هاخواهد ساخت؟
8Want allen hebt ge tegen mij samengespannen. Niemand was er, die mij op de hoogte bracht, toen mijn zoon partij koos voor den zoon van Jesse; niemand van u, die zich om mij bekommerde en mij liet weten, dat mijn zoon een van mijn knechten tot verraad tegen mij opstookte, zoals nu blijkt.
8که جمیع شما بر من فتنه انگیزشده، کسی مرا اطلاع ندهد که پسر من با پسر یساعهد بسته است و از شما کسی برای من غمگین نمی شود تا مرا خبر دهد که پسر من بنده مرابرانگیخته است تا در کمین بنشیند چنانکه امروزهست.»
9Maar Doëg, de Edomiet, die bij de dienaren van Saul stond, nam het woord en sprak: Ik heb den zoon van Jesse te Nob zien komen, bij Achimélek, den zoon van Achitoeb.
9و دوآغ ادومی که با خادمان شاول ایستاده بود در جواب گفت: «پسر یسا را دیدم که به نوب نزد اخیملک بن اخیتوب درآمد.
10Die heeft Jahweh voor hem geraadpleegd, hem proviand bezorgd, en het zwaard van Goliat, den Filistijn, gegeven.
10و او ازبرای وی از خداوند سوال نمود و توشهای به اوداد و شمشیر جلیات فلسطینی را نیز به او داد.»
11Daarom ontbood de koning den priester Achimélek, den zoon van Achitoeb, met heel zijn priesterfamilie uit Nob. Zij kwamen met hen allen bij den koning,
11پس پادشاه فرستاده، اخیملک بن اخیتوب کاهن و جمیع کاهنان خاندان پدرش را که در نوب بودند طلبید، و تمامی ایشان نزد پادشاه آمدند.
12en Saul begon: Luister eens, zoon van Achitoeb. Deze antwoordde: Tot uw dienst, heer!
12و شاول گفت: «ای پسر اخیتوب بشنو.» اوگفت: «لبیکای آقایم!»
13En Saul vroeg hem: Waarom hebt gij met den zoon van Jesse tegen mij samengespannen, door hem proviand en een zwaard te geven, en God voor hem te ondervragen, zodat hij jegens mij verraad kon plegen, zoals nu is gebleken?
13شاول به او گفت: «تو وپسر یسا چرا بر من فتنه انگیختید به اینکه به وی نان و شمشیر دادی و برای وی از خدا سوال نمودی تا به ضد من برخاسته، در کمین بنشیندچنانکه امروز شده است.»
14Achimélek gaf den koning ten antwoord: Maar wie is er van al uw dienaren zo betrouwbaar als David: de schoonzoon des konings, het hoofd van uw lijfwacht, en geëerd in uw huis?
14اخیملک در جواب پادشاه گفت: «کیست ازجمیع بندگانت که مثل داود امین باشد و او دامادپادشاه است و در مشورت شریک تو و در خانه تومکرم است.
15Is het vandaag soms de eerste maal, dat ik God voor hem raadpleeg? Immers neen! Laat dus de koning zijn dienaar en heel zijn familie geen verwijt maken; want uw dienaar heeft in heel dat voorval niet het minste kwaad gezien.
15آیا امروز به سوال نمودن از خدابرای او شروع کردم، حاشا از من. پادشاه این کار رابه بنده خود و به جمیع خاندان پدرم اسناد ندهدزیرا که بنده ات از این چیزها کم یا زیاد ندانسته بود.»
16Maar de koning besliste: Gij zult sterven, Achimélek; gijzelf en heel uw familie.
16پادشاه گفت: «ای اخیملک تو و تمامی خاندان پدرت البته خواهید مرد.»
17En hij gaf bevel aan de wachten, die om hem heen stonden: Vooruit, doodt de priesters van Jahweh! Want zelfs zij steunen David; ofschoon ze wisten, dat hij op de vlucht was, hebben ze mij niet op de hoogte gebracht. Maar de dienaars van den koning wilden geen hand uitsteken, om de priesters van Jahweh neer te stoten.
17آنگاه پادشاه به شاطرانی که به حضورش ایستاده بودند، گفت: «برخاسته، کاهنان خداوندرا بکشید زیرا که دست ایشان نیز با داود است و بااینکه دانستند که او فرار میکند، مرا اطلاع ندادند.» اما خادمان پادشاه نخواستند که دست خود را دراز کرده، بر کاهنان خداوند هجوم آورند.
18En daarom sprak de koning tot Doëg, den Edomiet: Vooruit, gij dan; stoot de priesters neer! En Doëg de Edomiet trad vooruit, stootte de priesters neer, en doodde die dag vijf en tachtig man, die het linnen borstkleed droegen.
18پس پادشاه به دوآغ گفت: «تو برگرد وبر کاهنان حمله آور.» و دوآغ ادومی برخاسته، برکاهنان حمله آورد و هشتاد و پنج نفر را که ایفودکتان میپوشیدند در آن روز کشت.
19Ook de priesterstad Nob werd neergesabeld; mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen, met rundvee, ezels en schapen werden over de kling gejaagd.
19و نوب رانیز که شهر کاهنان است به دم شمشیر زد و مردان و زنان و اطفال و شیرخوارگان و گاوان و الاغان وگوسفندان را به دم شمشیر کشت.
20Slechts één zoon van Achimélek, den zoon van Achitoeb, namelijk Ebjatar wist te ontkomen. Hij vluchtte naar David,
20اما یکی از پسران اخیملک بن اخیتوب که ابیاتار نام داشت رهایی یافته، در عقب داود فرارکرد.
21en vertelde David, dat Saul de priesters van Jahweh vermoord had.
21و ابیاتار داود را مخبر ساخت که شاول کاهنان خداوند را کشت.
22En David zeide tot Ebjatar: Ik verwachtte het al, toen Doëg de Edomiet daar was, dat hij het aan Saul zou verraden. Ik ben dus aansprakelijk voor het leven van geheel uw familie.
22داود به ابیاتار گفت: «روزی که دوآغ ادومی در آنجا بود، دانستم که اوشاول را البته مخبرخواهد ساخت، پس من باعث کشته شدن تمامی اهل خاندان پدرت شدم.
23Blijf bij mij, en maak u niet ongerust; want wie u naar het leven staat, staat ook mij naar het leven. Bij mij zijt ge veilig.
23نزد من بمان و مترس زیرا هرکه قصد جان من دارد قصد جان تو نیز خواهد داشت. و لکن نزد من محفوظ خواهی بود.»
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.