Луки 22
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Наближало ся ж сьвято опрісноків, зване пасха.
1Intussen begon het feest der ongedesemde broden te naderen, dat Pasen heet.
2І шукали архиєреї та письменники, як би погубити Його; боялись бо народу.
2En de opperpriesters en schriftgeleerden zochten naar een middel, om Hem te doden; want ze waren bang voor het volk.
3Ввійшов же сатана в Юду, на прізвище Іскариоцького, що був з числа дванайцяти.
3Toen voer de satan in Judas, Iskáriot geheten, een van het twaalftal;
4І пійшовши говорив з архиєреями та воєводами, як Його зрадити їм.
4en hij ging met de opperpriesters en bevelhebbers overleggen, hoe hij Hem aan hen zou overleveren.
5І зрадїли вони, й вмовились йому срібла дати.
5Ze waren verheugd, en kwamen overeen, hem geld te geven.
6І обіцяв ся, і шукав нагоди, щоб видати Його їм потай народу.
6Hij stemde toe, en zocht dus naar een gelegenheid, om Hem zonder volksoploop aan hen over te leveren.
7Прийшов же день опрісноків, як треба було колоти пасхове ягня.
7Toen nu de dag der ongedesemde broden was gekomen, waarop het Pascha moest worden geofferd,
8І післав Петра та Йоана, глаголючи: Йдїть та приготовте нам пасху їсти.
8stuurde Hij Petrus en Johannes heen, en zeide: Gaat voor ons het paasmaal bereiden, opdat we het eten.
9Вони ж сказали Йому: Де хочеш, щоб приготовити?
9Ze zeiden Hem: Waar wilt Gij, dat we het bereiden?
10Він же рече їм: Ось, як увійдете в город, зустріне вас чоловік, глек води несучи. Йдїть слїдом за ним у господу, куди ввійде.
10Hij zei hun: Zie, als gij de stad binnengaat, zult gij een man tegenkomen, die een kruik water draagt; volgt hem in het huis, waar hij ingaat,
11І скажіть господареві дому: Каже тобі учитель: Де сьвітлиця, щоб пасху з учениками моїми їсти?
11en zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt u: Waar is de zaal, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
12І той вам покаже гірницю велику застелену; там приготовте.
12En hij zal u een grote opperzaal aanwijzen, van alles voorzien; maakt daar alles gereed.
13Пійшовши ж знайшли, як сказав їм, і приготовили пасху.
13Ze gingen heen, en vonden het, zoals Hij het hun had gezegd; en ze maakten het paasmaal gereed.
14І, як настала година, сїв Він, й дванайцять апостолів з Ним.
14Op de vastgestelde tijd ging Hij aanliggen aan tafel, en de twaalf apostelen met Hem.
15І рече до них: Бажаннєм забажав я сю пасху їсти з вами, перш нїж прийму муки:
15En Hij sprak tot hen: Vurig heb Ik verlangd, eer Ik ga lijden, dit paasmaal met u te eten.
16глаголю бо вам: Що більш не їсти му її, доки сповнить ся в царстві Божому.
16Want Ik zeg u, dat Ik het niet meer zal eten, vóór het zijn vervulling bereikt in het koninkrijk Gods.
17І, взявши чашу, й оддавши хвалу, рече: Прийміть се та подїлить собі:
17Toen nam Hij een kelk, sprak het dankgebed uit, en zeide: Neemt en verdeelt hem onder elkander.
18глаголю бо вам: Що не пити му вже від плоду винограднього, доки царство Боже прийде.
18Want Ik zeg u: Van nu af aan zal Ik de vrucht van de wijnstok niet meer drinken, totdat het koninkrijk Gods is gekomen.
19І, взявши хлїб, та оддавши хвалу, переломив, і дав їм, глаголючи: Се єсть тїло моє, що за вас даєть ся. Се чинїть на мій спомин.
19Toen nam Hij brood, sprak een dankgebed uit, brak het, gaf het hun, en sprak: Dit is mijn lichaam, dat voor u wordt overgeleverd; doet dit tot mijne gedachtenis.
20Так само й чашу після вечері, глаголючи: Ся чаша новий завіт у крові моїй, що за вас пролита буде.
20Zo ook de kelk, na het avondmaal; en Hij sprak: Deze kelk is het Nieuwe Verbond in mijn bloed, dat voor u wordt vergoten.
21Та ось рука зрадника мого зо мною на столї.
21Zie, de hand van hem, die Mij verraadt, is met Mij op de tafel.
22Син то чоловічий іде, як постановлено наперед, тільки ж горе чоловікові тому, що зрадить Його!
22De Mensenzoon gaat wel heen, zoals het is vastgesteld; maar wee dien mens, door wien Hij wordt verraden.
23І стали вони перепитуватись між собою, хто б з них був, що се має зробити.
23Toen begonnen ze onder elkander te vragen, wie van hen het toch zijn kon, die dat zou doen.
24Постало ж і змаганнє між ними, хто з них здаєть ся бути більшим.
24Nog ontstond er een twist onder hen, wie van hen als de eerste gold.
25Він же рече їм: Царі в поган панують над ними, й ті, що власть над ними мають, добродїями звуть ся.
25Maar Hij zeide hun: De koningen der volken heersen over hen, en die het gezag over hen voeren, laten zich weldoeners noemen.
26Ви ж не так: тільки ж найбільший між вами нехай буде як найменший, і хто старший — як слуга.
26Zo moet het niet zijn onder u; maar de grootste onder u moet als de jongste zijn, en wie aan het hoofd staat, als een die dient!
27Хто бо більший: хто за столом, чи хто послугує? хиба не хто за столом? я ж між вами, як слуга.
27Wie toch is groter: hij die aan tafel ligt, of hij die bedient? Is het niet, die aan tafel ligt? Welnu, Ik ben onder u als de dienaar.
28Ви ж пробували зо мною в спокусах моїх.
28Gij zijt Mij trouw gebleven bij mijn beproevingen.
29І я завітую вам, як завітував менї Отець мій, царство,
29Daarom verleen Ik u het koninkrijk, zoals mijn Vader het Mij heeft verleend:
30щоб їли й пили за столом моїм у царстві моєму, і сидїли на престолах, судячи дванайцять родів Ізраїлевих.
30dat gij in mijn koninkrijk aan mijn tafel moogt eten en drinken, en op tronen moogt zetelen, om de twaalf stammen van Israël te oordelen.
31Рече ж Господь: Симоне, Симоне, ось сатана жадав собі вас, щоб просївати, як пшеницю;
31Simon, Simon, zie, de satan heeft u allen willen ziften als tarwe.
32я ж молив ся за тебе, щоб не поменшала віра твоя, і ти колись, навернувшись, утверди братів твоїх.
32Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken; en gij, wanneer ge u bekeerd hebt, bevestig dan uw broeders.
33Він же каже Йому: Господи, з Тобою готов я і в темницю, і на смерть іти.
33Hij zei Hem: Heer, ik ben bereid, met U zelfs kerker en dood in te gaan.
34Він же рече: Глаголю тобі, Петре, не запіє сьогоднї півень, перш нїж тричі відречеш ся, що не знаєш мене.
34Maar Hij sprak: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, voordat ge driemaal geloochend hebt, Mij te kennen.
35І рече їм: Як посилав вас я без сакви, й торбини, й обувя, чи чого недоставало вам? Вони ж казали: Нїчого.
35Nog sprak Hij tot hen: Toen Ik u uitzond zonder beurs en reiszak en sandalen, heeft het u toen aan iets ontbroken? Ze zeiden: Aan niets.
36Рече тодї їм: А тепер хто має сакву, нехай бере так само й торбину: а хто не має, нехай продасть одежу, та купить меч.
36Hij ging voort: Maar nu, wie een beurs heeft, moet ze meenemen, en ook zijn reiszak; en wie geen zwaard heeft, moet zijn mantel verkopen en er een kopen.
37Глаголю бо вам, що ще й се написане мусить справдитись на менї: І з беззаконними полїчено його: бо все про мене сповняєть ся.
37Want Ik zeg u: Ook dit Schriftwoord moet aan Mij worden vervuld: “En Hij is onder de misdadigers gerekend”. Ja, wat over Mij is gezegd, is zijn vervulling nabij.
38Вони ж сказали: Господи, ось мечів тут два. Він же рече їм: Доволї.
38Ze zeiden: Heer, zie, hier zijn twee zwaarden. Hij zei hun: Genoeg.
39І вийшовши пійшов по звичаю на гору Оливну; ійшли ж слїдом за Ним і ученики Його.
39Nu ging Hij naar buiten, en begaf Zich volgens gewoonte naar de Olijfberg; ook zijn leerlingen gingen met Hem mee.
40Прибувши ж на місце, рече їм: Молїть ся, щоб не ввійти в спокусу.
40Daar aangekomen, sprak Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in bekoring komt.
41А сам відступив од них, так як кинути каменем, і, приклонивши колїна, молив ся,
41Hij verwijderde Zich van hen ongeveer een steenworp ver, viel op zijn knieën neer,
42глаголючи: Отче, коли хочеш, мимо неси чашу сю від мене: тільки ж не моя воля, а Твоя нехай буде.
42en bad: Vader, indien het uw wil is, neem deze kelk van Mij weg. Neen, niet mijn wil geschiede, maar de uwe.
43Явив ся ж Йому ангел з неба, підкріпляючи Його.
43Toen verscheen Hem een engel uit de hemel, die Hem sterkte.
44І, бувши в смертній боротьбі, ще пильнїще молив ся; був же піт Його як каплї крови, каплючі на землю.
44En door doodsangst bevangen, bad Hij nog vuriger, en zijn zweet droop als bloeddruppels neer op de grond.
45І, вставши від молитви, й прийшовши до учеників своїх, знайшов їх сплячих від смутку,
45Toen Hij opstond van zijn gebed, en naar de leerlingen ging, vond Hij ze van droefheid in slaap.
46і рече їм: Чого спите? уставши молїть ся, щоб не ввійшли в спокусу.
46Hij zeide hun: Hoe kunt gij slapen? Staat op, en bidt, dat gij niet in bekoring komt.
47Ще ж Він промовляв, ось народ і званий Юда, один з дванайцяти, йшов поперед них, і приступив до Ісуса, поцїлувати Його.
47Terwijl Hij nog sprak, zie daar kwam een bende aan; en één van de twaalf, Judas genaamd, ging voor hen uit, en trad op Jesus toe, om Hem te kussen.
48Ісус же рече йому: Юдо, цїлуваннєм Сина чоловічого зраджуєш?
48Jesus zei hem: Judas, verraadt ge den Mensenzoon met een kus?
49Бачивши ж ті, що коло Него, до чого доходить, казали Йому: Господи, чи вдарити нам мечем?
49Toen zij, die bij Hem waren, zagen wat er gebeuren ging, zeiden ze Hem: Heer, willen we met het zwaard er op inslaan?
50І вдарив один хтось із них слугу архиєрейського, та й відтяв йому ухо праве.
50En één van hen trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het rechteroor af.
51І озвавшись Ісус, рече: Оставте аж до сього. І, приторкнувшись до уха його, сцїлив його.
51Maar Jesus gaf ten antwoord: Houdt op; genoeg! Hij raakte het oor aan, en genas het.
52Рече ж Ісус до прийшовших на Него архиєреїв і воєвод, і церковних старших: Як на розбійника ви прийшли з мечами та киями?
52Nu sprak Jesus tot de opperpriesters, de bevelhebbers van de tempel en de oudsten, die op Hem waren afgekomen: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken.
53Як що-дня був я з вами в церкві, не простягали рук на мене; та се ваша година й власть темряви.
53Dag aan dag was Ik bij u in de tempel, en gij hebt geen hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw uur, en dit is de macht der duisternis.
54Узявши ж Його, повели, й привели Його в двір архиєрейський. Петр же йшов слїдом оддалеки.
54Toen namen ze Hem gevangen, en voerden Hem weg naar het huis van den hogepriester, terwijl Petrus van verre bleef volgen.
55Як же запалили огонь серед двора та посїдали вкупі, сїв і Петр серед них.
55Toen ze nu op de binnenhof vuur hadden ontstoken, en er omheen waren gaan zitten, nam ook Petrus onder hen plaats.
56Побачивши ж Його одна служниця, як сидїв коло сьвітла, й, придивляючись на него, сказала: І сей з Ним був.
56Een der dienstmeisjes zag hem in het licht zitten; ze keek hem aan, en zeide: Ook deze hier was bij Hem.
57Він же одрік ся Його, кажучи: Жінко, не знаю Його.
57Maar hij loochende het, en sprak: Vrouw, ik ken Hem niet.
58А згодя другий, побачивши його, сказав: І ти з них єси. Петр же каже: Чоловіче, нї.
58Kort daarop zag hem iemand anders, en zeide: Ook gij zijt een van hen. Maar Petrus sprak: Neen man; dat ben ik niet.
59І мало що не через одну годину, инший хтось ствердив, кажучи: Справдї і сей з Ним був, бо й Галилеєць він.
59Ongeveer een uur later verzekerde een ander: Ja toch; ook deze hier was met Hem; want ook hij is een Galileër.
60Каже Петр: Чоловіче, не знаю, що кажеш. І зараз, як ще говорив він, запіяв півень.
60Petrus sprak: Man, ik begrijp niet, wat ge zegt. Op hetzelfde ogenblik, terwijl hij nog sprak, kraaide een haan.
61І обернувшись Господь, поглянув на Петра. І згадав Петр слово Господнє, як глаголав йому: Що перш нїж півень запіє, відречеш ся мене тричі.
61En de Heer keerde Zich om, en zag Petrus aan. Toen dacht Petrus aan het woord van den Heer, en hoe Hij hem had gezegd: Eer de haan kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen.
62І вийшовши геть Петр, заплакав гірко.
62En hij ging naar buiten, en weende bitter.
63А чоловіки, що держали Ісуса, насьміхались із Него, бючи.
63De mannen, die Jesus bewaakten, bespotten en mishandelden Hem:
64І, закривши Його, били в лице Його, та й питали Його, кажучи: Проречи, хто вдарив Тебе.
64ze blinddoekten Hem, en vroegen Hem dan: Profeteer, wie U geslagen heeft?
65І иншого багато, хуливши, казали на Него.
65En ze beten Hem veel andere scheldwoorden toe.
66А як настав день, зібралась старшина людська, та архиєреї і письменники, та й повели Його в раду свою, кажучи:
66Toen het dag was geworden, kwam de Raad van het volk, opperpriesters en schriftgeleerden bijeen; ze lieten Hem voor hun rechtbank brengen, en zeiden: Zo Gij de Christus zijt, zeg het ons dan.
67Чи Ти єси Христос? скажи нам. Рече ж їм: Коли вам скажу, не піймете віри;
67Hij sprak tot hen: Wanneer Ik u iets zeg, gelooft gij het niet;
68коли ж і спитаю вас, не відповісте менї й не відпустите.
68en wanneer Ik u iets vraag, dan antwoordt gij niet.
69Від нинї сидїти ме Син чоловічий по правицї сили Божої.
69Maar van nu af aan zal de Mensenzoon zijn gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods.
70І сказали всї: То се Ти Син Божий? Він же до них рече: Ви кажете, що се я.
70Nu zeiden allen: Gij zijt dus de Zoon van God? Hij sprak tot hen: Gij zegt het; Ik ben het.
71Вони ж сказали: На що нам ще сьвідчення? самі бо чули з уст Його.
71Toen zeiden ze: Wat hebben we nog getuigenis nodig? We hebben het zelf uit zijn eigen mond gehoord.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.