Lukáš 22
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Přibližoval se pak svátek přesnic, jenž slove velikanoc.
1Intussen begon het feest der ongedesemde broden te naderen, dat Pasen heet.
2I hledali přední kněží a zákoníci, kterak by jej vyhladili; ale obávali se lidu.
2En de opperpriesters en schriftgeleerden zochten naar een middel, om Hem te doden; want ze waren bang voor het volk.
3Tedy ďábel vstoupil do Jidáše, kterýž sloul Iškariotský, jednoho z počtu dvanácti.
3Toen voer de satan in Judas, Iskáriot geheten, een van het twaalftal;
4A on odšed, mluvil s předními kněžími, a s úředníky nad chrámem, kterak by ho jim zradil.
4en hij ging met de opperpriesters en bevelhebbers overleggen, hoe hij Hem aan hen zou overleveren.
5I zradovali se, a smluvili s ním, že mu chtí peníze dáti.
5Ze waren verheugd, en kwamen overeen, hem geld te geven.
6A on také jim přiřekl. I hledal příhodného času, aby ho jim zradil bez zástupu.
6Hij stemde toe, en zocht dus naar een gelegenheid, om Hem zonder volksoploop aan hen over te leveren.
7Tedy přišel den přesnic, v kterémžto zabit měl býti beránek.
7Toen nu de dag der ongedesemde broden was gekomen, waarop het Pascha moest worden geofferd,
8I poslal Ježíš Petra a Jana, řka: Jdouce, připravte nám beránka, abychom jedli.
8stuurde Hij Petrus en Johannes heen, en zeide: Gaat voor ons het paasmaal bereiden, opdat we het eten.
9A oni řekli mu: Kde chceš, ať připravíme?
9Ze zeiden Hem: Waar wilt Gij, dat we het bereiden?
10On pak řekl k nim: Aj, když vcházeti budete do města, potkáť vás člověk, dčbán vody nesa. Jdětež za ním do domu, do kteréhož vejde.
10Hij zei hun: Zie, als gij de stad binnengaat, zult gij een man tegenkomen, die een kruik water draagt; volgt hem in het huis, waar hij ingaat,
11A díte hospodáři toho domu: Vzkazuje tobě Mistr: Kde jest síň, kdežto budu jísti beránka s učedlníky svými?
11en zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt u: Waar is de zaal, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
12A onť vám ukáže večeřadlo veliké podlážené. Tam připravte.
12En hij zal u een grote opperzaal aanwijzen, van alles voorzien; maakt daar alles gereed.
13I odšedše, nalezli, jakž jim pověděl, a připravili beránka.
13Ze gingen heen, en vonden het, zoals Hij het hun had gezegd; en ze maakten het paasmaal gereed.
14A když přišel čas večeře, posadil se za stůl, a dvanácte apoštolů s ním.
14Op de vastgestelde tijd ging Hij aanliggen aan tafel, en de twaalf apostelen met Hem.
15I řekl jim: Žádostí žádal jsem tohoto beránka jísti s vámi, prve než bych trpěl.
15En Hij sprak tot hen: Vurig heb Ik verlangd, eer Ik ga lijden, dit paasmaal met u te eten.
16Nebo pravímť vám, žeť ho již více nebudu jísti, ažť se naplní v království Božím.
16Want Ik zeg u, dat Ik het niet meer zal eten, vóór het zijn vervulling bereikt in het koninkrijk Gods.
17A vzav kalich, a díky činiv, řekl: Vezměte jej a dělte mezi sebou.
17Toen nam Hij een kelk, sprak het dankgebed uit, en zeide: Neemt en verdeelt hem onder elkander.
18Neboť pravím vám, žeť nebudu píti z plodu vinného kořene, ažť království Boží přijde.
18Want Ik zeg u: Van nu af aan zal Ik de vrucht van de wijnstok niet meer drinken, totdat het koninkrijk Gods is gekomen.
19A vzav chléb, díky činiv, lámal a dal jim, řka: To jest tělo mé, kteréž se za vás dává. To čiňte na mou památku.
19Toen nam Hij brood, sprak een dankgebed uit, brak het, gaf het hun, en sprak: Dit is mijn lichaam, dat voor u wordt overgeleverd; doet dit tot mijne gedachtenis.
20Takž také dal jim i kalich, když bylo po večeři, řka: Tento kalich jest nová smlouva v mé krvi, kteráž se za vás vylévá.
20Zo ook de kelk, na het avondmaal; en Hij sprak: Deze kelk is het Nieuwe Verbond in mijn bloed, dat voor u wordt vergoten.
21Ale aj, ruka zrádce mého se mnou jest za stolem.
21Zie, de hand van hem, die Mij verraadt, is met Mij op de tafel.
22A Syn zajisté člověka jde, tak jakž jest uloženo o něm, ale běda člověku tomu, kterýž ho zrazuje.
22De Mensenzoon gaat wel heen, zoals het is vastgesteld; maar wee dien mens, door wien Hij wordt verraden.
23Tedy oni počali vyhledávati mezi sebou, kdo by z nich byl, kterýž by to měl učiniti.
23Toen begonnen ze onder elkander te vragen, wie van hen het toch zijn kon, die dat zou doen.
24Stal se pak i svár mezi nimi, kdo by z nich zdál se býti větší.
24Nog ontstond er een twist onder hen, wie van hen als de eerste gold.
25On pak řekl jim: Králové národů panují nad nimi, a kteříž moc mají nad nimi, dobrodincové slovou.
25Maar Hij zeide hun: De koningen der volken heersen over hen, en die het gezag over hen voeren, laten zich weldoeners noemen.
26Ale vy ne tak. Nýbrž kdož větší jest mezi vámi, budiž jako nejmenší, a kdož vůdce jest, budiž jako sloužící.
26Zo moet het niet zijn onder u; maar de grootste onder u moet als de jongste zijn, en wie aan het hoofd staat, als een die dient!
27Nebo kdo větší jest, ten-li, kterýž sedí, čili ten, kterýž slouží? Zdali ne ten, kterýž sedí? Ale já mezi vámi jsem jako ten, kterýž slouží.
27Wie toch is groter: hij die aan tafel ligt, of hij die bedient? Is het niet, die aan tafel ligt? Welnu, Ik ben onder u als de dienaar.
28Vy pak jste ti, kteříž jste v mých pokušeních se mnou zůstali.
28Gij zijt Mij trouw gebleven bij mijn beproevingen.
29A jáť vám způsobuji, jakož mi způsobil Otec můj, království,
29Daarom verleen Ik u het koninkrijk, zoals mijn Vader het Mij heeft verleend:
30Abyste jedli a pili za stolem mým v království mém, a seděli na stolicích, soudíce dvanáctero pokolení Izraelské.
30dat gij in mijn koninkrijk aan mijn tafel moogt eten en drinken, en op tronen moogt zetelen, om de twaalf stammen van Israël te oordelen.
31I řekl Pán: Šimone, Šimone, aj, satan vyprosil vás, aby vás tříbil jako pšenici.
31Simon, Simon, zie, de satan heeft u allen willen ziften als tarwe.
32Ale jáť jsem prosil za tebe, aby nezhynula víra tvá. A ty někdy obrátě se, potvrzuj bratří svých.
32Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken; en gij, wanneer ge u bekeerd hebt, bevestig dan uw broeders.
33A on řekl jemu: Pane, s tebou hotov jsem i do žaláře i na smrt jíti.
33Hij zei Hem: Heer, ik ben bereid, met U zelfs kerker en dood in te gaan.
34On pak dí: Pravím tobě, Petře, nezazpíváť dnes kohout, až prve třikrát zapříš, že neznáš mne.
34Maar Hij sprak: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, voordat ge driemaal geloochend hebt, Mij te kennen.
35I řekl jim: Když jsem vás posílal bez pytlíka, a bez mošny, a bez obuvi, zdali jste v čem nedostatek měli? A oni řekli: V ničemž.
35Nog sprak Hij tot hen: Toen Ik u uitzond zonder beurs en reiszak en sandalen, heeft het u toen aan iets ontbroken? Ze zeiden: Aan niets.
36Tedy dí jim: Ale nyní, kdo má pytlík, vezmi jej, a též i mošnu; a kdož nemá, prodej sukni svou, a kup sobě meč.
36Hij ging voort: Maar nu, wie een beurs heeft, moet ze meenemen, en ook zijn reiszak; en wie geen zwaard heeft, moet zijn mantel verkopen en er een kopen.
37Nebo pravím vám, že se ještě to musí naplniti na mně, což psáno: A s nešlechetnými počten jest. Nebo ty věci, kteréž psány jsou o mně, konec berou.
37Want Ik zeg u: Ook dit Schriftwoord moet aan Mij worden vervuld: “En Hij is onder de misdadigers gerekend”. Ja, wat over Mij is gezegd, is zijn vervulling nabij.
38Oni pak řekli: Pane, aj, dva meče teď. A on řekl jim: Dostiť jest.
38Ze zeiden: Heer, zie, hier zijn twee zwaarden. Hij zei hun: Genoeg.
39A vyšed podle obyčeje svého, šel na horu Olivovou, a šli za ním i učedlníci jeho.
39Nu ging Hij naar buiten, en begaf Zich volgens gewoonte naar de Olijfberg; ook zijn leerlingen gingen met Hem mee.
40A když přišel na místo, řekl jim: Modlte se, abyste nevešli v pokušení.
40Daar aangekomen, sprak Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in bekoring komt.
41A sám vzdáliv se od nich, jako by mohl kamenem dohoditi, a poklek na kolena, modlil se,
41Hij verwijderde Zich van hen ongeveer een steenworp ver, viel op zijn knieën neer,
42Řka: Otče, chceš-li, přenes kalich tento ode mne, ale však ne má vůle, ale tvá staň se.
42en bad: Vader, indien het uw wil is, neem deze kelk van Mij weg. Neen, niet mijn wil geschiede, maar de uwe.
43I ukázal se jemu anděl s nebe, posiluje ho.
43Toen verscheen Hem een engel uit de hemel, die Hem sterkte.
44A jsa v boji, horlivěji se modlil. I učiněn jest pot jeho jako krůpě krve tekoucí na zemi.
44En door doodsangst bevangen, bad Hij nog vuriger, en zijn zweet droop als bloeddruppels neer op de grond.
45A vstav od modlitby, a přišed k učedlníkům, nalezl je, ani spí zámutkem.
45Toen Hij opstond van zijn gebed, en naar de leerlingen ging, vond Hij ze van droefheid in slaap.
46I řekl jim: Co spíte? Vstaňte a modlte se, abyste nevešli v pokušení.
46Hij zeide hun: Hoe kunt gij slapen? Staat op, en bidt, dat gij niet in bekoring komt.
47A když on ještě mluvil, aj, zástup, a ten, kterýž sloul Jidáš, jeden ze dvanácti, šel napřed, a přiblížil se k Ježíšovi, aby jej políbil.
47Terwijl Hij nog sprak, zie daar kwam een bende aan; en één van de twaalf, Judas genaamd, ging voor hen uit, en trad op Jesus toe, om Hem te kussen.
48Ježíš pak řekl jemu: Jidáši, políbením Syna člověka zrazuješ?
48Jesus zei hem: Judas, verraadt ge den Mensenzoon met een kus?
49A vidouce ti, kteříž při něm byli, k čemu se chýlí, řekli jemu: Pane, budeme-liž bíti mečem?
49Toen zij, die bij Hem waren, zagen wat er gebeuren ging, zeiden ze Hem: Heer, willen we met het zwaard er op inslaan?
50I udeřil jeden z nich služebníka nejvyššího kněze, a uťal ucho jeho pravé.
50En één van hen trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het rechteroor af.
51A Ježíš odpověděv, řekl: Nechtež až potud. A dotkna se ucha jeho, uzdravil jej.
51Maar Jesus gaf ten antwoord: Houdt op; genoeg! Hij raakte het oor aan, en genas het.
52I dí Ježíš těm, kteříž přišli k němu, předním kněžím a úředníkům chrámu a starším: Jako na lotra vyšli jste s meči a s kyjmi?
52Nu sprak Jesus tot de opperpriesters, de bevelhebbers van de tempel en de oudsten, die op Hem waren afgekomen: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken.
53Ješto na každý den býval jsem s vámi v chrámě, a nevztáhli jste rukou na mne. Ale totoť jest ta vaše hodina a moc temnosti.
53Dag aan dag was Ik bij u in de tempel, en gij hebt geen hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw uur, en dit is de macht der duisternis.
54A oni javše jej, vedli ho, a uvedli do domu nejvyššího kněze. Petr pak šel za ním zdaleka.
54Toen namen ze Hem gevangen, en voerden Hem weg naar het huis van den hogepriester, terwijl Petrus van verre bleef volgen.
55A když zanítili oheň uprostřed síně a posadili se vůkol, sedl Petr mezi ně.
55Toen ze nu op de binnenhof vuur hadden ontstoken, en er omheen waren gaan zitten, nam ook Petrus onder hen plaats.
56A uzřevši ho jedna děvečka, an sedí u ohně, a pilně naň pohleděvši, řekla: I tento byl s ním.
56Een der dienstmeisjes zag hem in het licht zitten; ze keek hem aan, en zeide: Ook deze hier was bij Hem.
57A on zapřel ho, řka: Ženo, neznám ho.
57Maar hij loochende het, en sprak: Vrouw, ik ken Hem niet.
58A po malé chvíli jiný, vida jej, řekl: I ty z nich jsi. Petr pak řekl: Ó člověče, nejsem.
58Kort daarop zag hem iemand anders, en zeide: Ook gij zijt een van hen. Maar Petrus sprak: Neen man; dat ben ik niet.
59A potom asi po jedné hodině jiný potvrzoval, řka: V pravdě i tento s ním byl, neb i Galilejský jest.
59Ongeveer een uur later verzekerde een ander: Ja toch; ook deze hier was met Hem; want ook hij is een Galileër.
60I řekl Petr: Èlověče, nevím, co pravíš. A hned, když on ještě mluvil, kohout zazpíval.
60Petrus sprak: Man, ik begrijp niet, wat ge zegt. Op hetzelfde ogenblik, terwijl hij nog sprak, kraaide een haan.
61I obrátiv se Pán, pohleděl na Petra. I rozpomenul se Petr na slovo Páně, kterak jemu byl řekl: Že prve než kohout zazpívá, třikrát mne zapříš.
61En de Heer keerde Zich om, en zag Petrus aan. Toen dacht Petrus aan het woord van den Heer, en hoe Hij hem had gezegd: Eer de haan kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen.
62I vyšed ven Petr, plakal hořce.
62En hij ging naar buiten, en weende bitter.
63Muži pak ti, kteříž drželi Ježíše, posmívali se jemu, tepouce ho.
63De mannen, die Jesus bewaakten, bespotten en mishandelden Hem:
64A zakrývajíce ho, bili jej v tvář, a tázali se ho, řkouce: Prorokuj, kdo jest, kterýž tebe udeřil?
64ze blinddoekten Hem, en vroegen Hem dan: Profeteer, wie U geslagen heeft?
65A jiného mnoho, rouhajíce se, mluvili proti němu.
65En ze beten Hem veel andere scheldwoorden toe.
66A když byl den, sešli se starší lidu a přední kněží a zákoníci, a vedli ho do rady své,
66Toen het dag was geworden, kwam de Raad van het volk, opperpriesters en schriftgeleerden bijeen; ze lieten Hem voor hun rechtbank brengen, en zeiden: Zo Gij de Christus zijt, zeg het ons dan.
67Řkouce: Jsi-li ty Kristus? Pověz nám! I dí jim: Povím-li vám, nikoli neuvěříte.
67Hij sprak tot hen: Wanneer Ik u iets zeg, gelooft gij het niet;
68A pakli se vás co otíži, neodpovíte mi, ani propustíte.
68en wanneer Ik u iets vraag, dan antwoordt gij niet.
69Ale od této chvíle Syn člověka sedne na pravici moci Boží.
69Maar van nu af aan zal de Mensenzoon zijn gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods.
70I řekli všickni: Tedy jsi ty Syn Boží? On pak řekl jim: Vy pravíte, že já jsem.
70Nu zeiden allen: Gij zijt dus de Zoon van God? Hij sprak tot hen: Gij zegt het; Ik ben het.
71A oni řekli: Což ještě potřebujeme svědectví? Však jsme sami slyšeli z úst jeho.
71Toen zeiden ze: Wat hebben we nog getuigenis nodig? We hebben het zelf uit zijn eigen mond gehoord.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.