Lukáš 15
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Přibližovali se pak k němu všickni publikáni a hříšníci, aby ho slyšeli.
1Intussen kwamen alle tollenaars en zondaars naar Hem toe, om Hem te horen.
2I reptali farizeové a zákoníci, řkouce: Tento hříšníky přijímá a jí s nimi.
2Maar de farizeën en schriftgeleerden mopperden, en zeiden: Hij ontvangt zondaars, en eet met hen.
3I pověděl jim podobenství toto, řka:
3Toen sprak Hij tot hen deze gelijkenis:
4Kdyby někdo z vás měl sto ovec, a ztratil by jednu z nich, zdaliž by nenechal devadesáti devíti na poušti, a nešel k té, kteráž zahynula, až by i nalezl ji?
4Wie van u, die honderd schapen heeft, en er een van verliest, laat niet de negen en negentig andere achter in de woestijn, en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het terugvindt?
5A nalezna, jistě by ji vložil na ramena svá s radostí.
5En als hij het gevonden heeft, legt hij het verheugd op zijn schouders;
6A přijda domů, svolal by přátely a sousedy, řka jim: Spolu radujte se se mnou, neb jsem nalezl ovci svou, kteráž byla zahynula.
6en thuis gekomen, roept hij vrienden en buren bijeen, en zegt hun: Verheugt u met mij; want ik heb mijn verloren schaap teruggevonden.
7Pravímť vám, že tak jest radost v nebi nad jedním hříšníkem pokání činícím větší, nežli nad devadesáti devíti spravedlivými, kteříž nepotřebují pokání.
7Ik zeg u: Zó zal er meer vreugde zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die geen bekering behoeven.
8Aneb žena některá mající grošů deset, ztratila-li by jeden groš, zdaliž nezažže svíce, a nemete domu, a nehledá pilně, dokudž nenalezne?
8Of welke vrouw, die tien drachmen bezit, en één drachme verliest, steekt niet een lamp aan, veegt niet het huis, en zoekt niet zorgvuldig, totdat zij ze vindt?
9A když nalezne, svolá přítelkyně a sousedy, řkuci: Spolu radujte se se mnou, neb jsem nalezla groš, kterýž jsem byla ztratila.
9En als zij ze gevonden heeft, roept ze vriendinnen en buren bijeen, en zegt: Verheugt u met mij, want ik heb mijn verloren drachme gevonden.
10Takť pravím vám, že jest radost před anděly Božími nad jedním hříšníkem pokání činícím.
10Zó, zeg Ik u, is er vreugde bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.
11Řekl také Ježíš: Èlověk jeden měl dva syny.
11Nog sprak Hij: Een man had twee zonen.
12Z nichž mladší řekl otci: Otče, dej mi díl statku, kterýž mně náleží. I rozdělil jim statek.
12De jongste van beiden zei tot den vader: Vader, geef mij het deel der goederen, dat me toekomt. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen.
13A po nemnohých dnech, shromáždiv sobě všecko mladší syn, odšel do daleké krajiny, a tam rozmrhal statek svůj, živ jsa prostopášně.
13Een paar dagen later pakte de jongste zoon alles bijeen, en vertrok naar een ver land. Daar verkwistte hij zijn vermogen door een losbandig leven.
14A když všecko utratil, stal se hlad veliký v krajině té, a on počal nouzi trpěti.
14Maar toen hij er alles had doorgejaagd, kwam er een grote hongersnood in dat land, en begon hij gebrek te lijden.
15I všed, přídržel se jednoho měštěnína krajiny té; a on jej poslal do vsi své, aby pásl vepře.
15En hij ging zich verhuren aan een der burgers van dat land; en deze stuurde hem naar zijn velden, om zwijnen te hoeden.
16I žádal nasytiti břicho své mlátem, kteréž svině jedly, a žádný nedával jemu.
16Nu had hij zo graag zijn buik willen vullen met de schillen, die de zwijnen aten; maar niemand, die ze hem gaf.
17On pak přišed sám k sobě, řekl: Aj, jak mnozí čeledínové u otce mého hojnost mají chleba, a já tuto hladem mru!
17Toen kwam hij tot inkeer, en sprak: Hoeveel knechten van mijn vader hebben brood in overvloed, en ik sterf hier van honger.
18Vstana, půjdu k otci svému, a dím jemu: Otče, zhřešil jsem proti nebi a před tebou,
18Ik wil opstaan en naar mijn vader gaan, en hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u;
19A již více nejsem hoden slouti syn tvůj. Ale učiň mne jako jednoho z čeledínů svých.
19ik verdien niet meer, uw zoon te heten; behandel me als een van uw knechten.
20I vstav, šel k otci svému. A když ještě opodál byl, uzřel jej otec jeho, a milosrdenstvím hnut jsa, přiběh, padl na šíji jeho, a políbil ho.
20En hij stond op, en ging naar zijn vader. Nog was hij ver weg, toen zijn vader hem zag, en ten diepste ontroerd werd; hij vloog naar hem toe, viel om zijn hals, en overlaadde hem met kussen.
21I řekl jemu syn: Otče, zhřešil jsem proti nebi a před tebou, a jižť nejsem hoden slouti syn tvůj.
21De zoon sprak tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u; ik verdien niet meer, uw zoon te heten.
22I řekl otec služebníkům svým: Přineste roucho to první, a oblecte jej, a dejte prsten na ruku jeho a obuv na nohy.
22Maar de vader zei tot zijn knechten: Gauw, haalt het beste kleed, en trekt het hem aan; doet hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan zijn voeten;
23A přivedouce tele tučné, zabijte, a hodujíce, buďme veseli.
23vooruit, slacht het gemeste kalf, en laat ons eten en vrolijk zijn.
24Nebo tento syn můj byl umřel, a zase ožil; byl zahynul, a nalezen jest. I počali veseli býti.
24Want mijn zoon hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden. En ze begonnen feest te vieren.
25Byl pak syn jeho starší na poli. A jda, když se přibližoval k domu, uslyšel zpívání a hluk veselících se.
25Zijn oudste zoon was op het land. Maar toen hij terugkeerde, dicht bij huis kwam, en muziek hoorde en dans,
26I povolav jednoho z služebníků svých, otázal se ho, co by to bylo.
26riep hij een der knechten, en vroeg wat er gaande was.
27A on řekl jemu: Bratr tvůj přišel, i zabil otec tvůj tučné tele, že ho zdravého přijal.
27Deze zei hem: Uw broer is gekomen; uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem behouden heeft teruggekregen.
28I rozhněval se on, a nechtěl tam vjíti. Otec pak jeho vyšed, prosil ho.
28Toen werd hij kwaad, en wilde niet naar binnen gaan. Zijn vader ging dus naar buiten, en drong er op aan.
29A on odpověděv, řekl otci: Aj, tolik let sloužím tobě, a nikdy jsem přikázání tvého nepřestoupil, avšak nikdy jsi mi nedal ani kozelce, abych také s přáteli svými vesel pobyl.
29Maar hij antwoordde, en zei tot zijn vader: Zie, zoveel jaren dien ik u reeds, en nog nooit heb ik uw gebod overtreden; toch hebt ge mij nooit een bokje gegeven, om met mijn vrienden feest te vieren.
30Ale když syn tvůj tento, kterýž prožral statek tvůj s nevěstkami, přišel, zabils jemu tele tučné.
30En nu die jongen van u is teruggekomen, die uw vermogen verbrast heeft met eerloze vrouwen, nu slacht ge voor hem het gemeste kalf.
31A on řekl mu: Synu, ty vždycky se mnou jsi, a všecky věci mé jsou tvé.
31Maar hij zei hem: Kind, gij zijt altoos bij me, en al het mijne is het uwe.
32Ale hodovati a radovati se náleželo. Nebo bratr tvůj tento byl umřel, a zase ožil; zahynul byl, a nalezen jest.
32Neen, feest en vreugde moet er zijn; want uw broer hier was dood, en is levend geworden, hij was verloren, en is teruggevonden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.