Lukáš 5
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Stalo se pak, když se zástup na něj valil, aby slyšeli slovo Boží, že on stál podle jezera Genezaretského.
1Toen Hij eens aan de oever van het meer van Gennézaret stond, drong de menigte op Hem aan, om het woord Gods te horen.
2I uzřel dvě lodí, any stojí u jezera, rybáři pak sstoupivše z nich, vypírali síti.
2Nu zag Hij twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren er uitgegaan, en spoelden de netten.
3I vstoupiv na jednu z těch lodí, kteráž byla Šimonova, prosil ho, aby od země odvezl maličko. A posadiv se, učil z lodí zástupy.
3Hij stapte in een der boten, die aan Simon toebehoorde, en verzocht hem, een weinig van wal te steken. Hij zette Zich neer, en begon van de boot uit de menigte te onderrichten.
4A když přestal mluviti, dí k Šimonovi: Vez na hlubinu, a rozestřete síti své k lovení ryb.
4Toen Hij zijn toespraak had beëindigd, zei Hij tot Simon: Steek nu verder van wal, en werp uw netten uit voor de vangst.
5I odpověděv Šimon, řekl jemu: Mistře, přes celou noc pracovavše, nic jsme nepopadli, ale k slovu tvému rozestru sít.
5Maar Simon antwoordde Hem: Meester, we hebben de hele nacht gewerkt, en niets gevangen; toch werp ik op uw woord de netten uit.
6A když to učinili, zahrnuli množství veliké ryb, takže se trhala sít jejich.
6Ze deden het, en vingen zoveel vis, dat hun net er van scheurde.
7I ponukli tovaryšů, kteříž byli na druhé lodí, aby přišli a pomohli jim. I přišli a naplnili obě lodí, takže se téměř pohřižovaly.
7Nu wenkten ze hun makkers in de andere boot, om hen te komen helpen. Ze kwamen, en vulden beide boten tot zinkens toe.
8To uzřev Šimon Petr, padl k nohám Ježíšovým, řka: Odejdi ode mne, Pane, neboť jsem člověk hříšný.
8Toen Simon Petrus dit zag, viel hij Jesus te voet, en sprak: Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.
9Hrůza zajisté byla jej obklíčila, i všecky, kteříž s ním byli, nad tím lovením ryb, kteréž byli popadli,
9Ontzetting had hem aangegrepen over de vangst, die ze hadden gedaan; hem en allen die bij hem waren,
10A též Jakuba a Jana, syny Zebedeovy, kteříž byli tovaryši Šimonovi. I dí Šimonovi Ježíš: Nebojž se. Již od tohoto času lidi živé budeš loviti.
10ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die tot de gezellen van Simon behoorden. Maar Jesus zei tot Simon: Vrees niet; van nu af zult ge mensen vangen.
11A přivezše k břehu lodí, a všecko opustivše, šli za ním.
11Toen brachten ze de boten aan wal, verlieten alles, en volgden Hem.
12I stalo se, když byl v jednom městě, a aj, byl tam muž plný malomocenství. A uzřev Ježíše, padl na tvář, a prosil ho, řka: Pane, kdybys chtěl, můžeš mne očistiti.
12Eens, dat Hij Zich in zekere stad bevond, was daar een man, die melaats was van onder tot boven. Toen hij Jesus zag, viel hij op zijn aangezicht neer, en smeekte Hem: Heer, zo Gij wilt, kunt Gij me reinigen.
13I vztáh Ježíš ruku, dotekl se ho, řka: Chci, buď čist. A hned odešlo od něho malomocenství.
13Hij strekte de hand uit, raakte hem aan, en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond was zijn melaatsheid verdwenen.
14I přikázal jemu, aby žádnému nepravil, ale řekl mu: Odejda, ukaž se knězi, a obětuj za očištění své, jakož přikázal Mojžíš, na svědectví jim.
14Hij beval hem, het niemand te zeggen, “maar ga heen, vertoon u aan den priester, en offer voor uw reiniging, wat Moses als bewijs voor hen heeft voorgeschreven.”
15Tedy rozhlašovala se více řeč o něm, a scházeli se zástupové mnozí, aby jej slyšeli, a uzdravováni byli od něho v svých nemocech.
15Hoe langer hoe meer begon zich zijn faam te verbreiden. Talrijke scharen kwamen bijeen, om Hem te horen en van hun ziekten te worden genezen.
16On pak odcházel na pouště, a modlil se.
16Maar Hij trok Zich in de eenzaamheid terug, om te bidden.
17I stalo se v jeden den, že on seděl uče, a seděli také tu i farizeové a Zákona učitelé, kteříž se byli sešli z každého městečka Galilejského a Judského i z Jeruzaléma, a moc Páně přítomná byla k uzdravování jich.
17Op zekere dag was Hij bezig met onderricht te geven, toen er ook farizeën bij kwamen zitten en wetgeleerden, die uit alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jerusalem waren gekomen. En de kracht des Heren deed Hem genezingen verrichten.
18A aj, muži nesli na loži člověka, kterýž byl šlakem poražený, i hledali vnésti ho a položiti před něj.
18Zie, daar brachten enige mannen op een rustbed een man, die verlamd was; ze trachtten hem binnen te dragen, en voor Hem neer te leggen.
19A nenalezše, kterou by jej stranou vnesli pro zástup, vstoupili na dům, a skrze podlahu spustili jej s ložem uprostřed před Ježíše.
19Daar ze hem echter wegens de menigte niet naar binnen konden brengen, klommen ze op het dak, en lieten hem met het bed door het dak naar beneden, midden in het huis en vóór Jesus.
20Kterýžto viděv víru jejich, řekl mu: Èlověče, odpuštěniť jsou tobě hříchové tvoji.
20Toen Hij hun geloof zag, zeide Hij: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
21Tedy počali přemyšlovati zákoníci a farizeové, řkouce: Kdo jest tento, jenž mluví rouhání? Kdo může odpustiti hříchy, jediné sám Bůh?
21Maar de schriftgeleerden en farizeën begonnen zich af te vragen: Wie is Hij dan toch? Hij zegt godslasteringen! Wie kan zonden vergeven, dan God alleen?
22Poznav pak Ježíš myšlení jejich, odpovídaje, řekl k nim: Co tak utrhavě přemyšlujete v srdcích vašich?
22Jesus, die hun gedachten kende, nam het woord en zei hun: Wat overlegt gij nog bij uzelf?
23Co jest snáze říci: Odpouštějí se tobě hříchové tvoji, čili říci: Vstaň a choď?
23Wat is gemakkelijker te zeggen: uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: sta op, en ga heen?
24Ale abyste věděli, že Syn člověka má moc na zemi odpouštěti hříchy, (řekl dnou zlámanému:) Toběť pravím: Vstaň, a vezma lože své, jdi do domu svého.
24Welnu, opdat gij weten moogt, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde, om zonden te vergeven, (hier sprak Hij tot den lamme:) Ik zeg u: Sta op, neem uw bed, en ga naar huis.
25A on hned vstav před nimi, vzal lože, na němž ležel, i odšel do domu svého, velebě Boha.
25Onmiddellijk stond hij op voor aller ogen, nam zijn bed, ging naar huis, en verheerlijkte God onderweg.
26I užasli se všickni, i velebili Boha, a naplněni jsou bázní, řkouce: Že jsme viděli dnes divné věci.
26Allen stonden verbaasd, en loofden God; ze werden door vrees bevangen, en zeiden: We hebben heden wonderbare dingen gezien.
27A potom vyšel Ježíš a uzřel celného, jménem Léví, sedícího na cle. I řekl jemu: Pojď za mnou.
27Toen Hij daarna verder ging, zag Hij een tollenaar, Levi genaamd, aan het tolhuis zitten. Hij zeide hem: Volg Mij.
28A on opustiv všecko, vstav, šel za ním.
28En hij stond op, liet alles achter, en volgde Hem.
29I učinil jemu hody veliké Léví v domu svém, a byl tu zástup veliký publikánů i jiných, kteříž s ním stolili.
29Nu richtte Levi in zijn huis een groot gastmaal voor Hem aan; en een talrijke menigte van tollenaars en anderen lagen met hen aan tafel aan.
30Tedy reptali zákoníci a farizeové, řkouce učedlníkům jeho: Proč s publikány a hříšníky jíte a pijete?
30De farizeën en schriftgeleerden morden daarover tegen zijn leerlingen, en zeiden: Waarom eet en drinkt gij met de tollenaars en zondaars?
31I odpověděv Ježíš, řekl k nim: Nepotřebujíť zdraví lékaře, ale nemocní.
31Jesus gaf hun ten antwoord: De gezonden hebben geen geneesheer nodig, wel de zieken.
32Nepřišelť jsem volati spravedlivých, ale hříšných ku pokání.
32Ik ben niet gekomen, om de rechtvaardigen te roepen, maar wel de zondaars, om ze te bekeren.
33A oni řekli jemu: Proč učedlníci Janovi postí se často a modlí se, též podobně i farizejští, tvoji pak jedí a pijí?
33Ze zeiden tot Hem: De leerlingen van Johannes en die der farizeën vasten en bidden dikwijls, maar de uwen eten en drinken.
34On pak řekl k nim: Zdali můžete synům ženicha, dokudž s nimi jest ženich, kázati se postiti?
34Jesus zei hun: Kunt gij dan de bruiloftsgasten laten vasten, zolang de bruidegom bij hen is?
35Ale přijdouť dnové, a když odjat bude od nich ženich, tehdážť se budou postiti v těch dnech.
35Maar er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen wordt weggenomen; in die dagen zullen ze vasten.
36Pravil pak i podobenství k nim: Že žádný záplaty roucha nového nepřišívá k rouchu vetchému; sic jinak i nové roztrhuje, a vetchému nepřísluší záplata z nového.
36Ook sprak Hij tot hen de volgende gelijkenis: Niemand scheurt een lap uit een nieuw kleed, om hem op een oud kleed te zetten; anders scheurt hij het nieuwe kleed stuk, terwijl de lap van het nieuwe toch niet bij het oude past.
37A žádný nevlévá vína nového do nádob starých; sic jinak víno nové rozpučí nádoby, a samo vyteče, a nádoby se pokazí.
37Ook giet niemand nieuwe wijn in oude zakken; anders doet de nieuwe wijn de zakken bersten; de wijn loopt weg, en de zakken gaan verloren.
38Ale víno nové v nádoby nové má lito býti, a obé bude zachováno.
38Neen, nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen.
39A aniž kdo, když pije staré, hned chce nového, ale díť: Staré lepší jest.
39En niemand, die oude wijn heeft te drinken, verlangt naar de nieuwe; want hij zegt: de oude is best.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.