Luka
Chapter 5
Meriam Mir Gospels

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Luka 5

Meriam Mir Gospels
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ege E ekue nerute pek, abele ni Genesareta ge, ege gaire le lakub uiaba esaimelu, uiaba lagelage asolare Ade ra mer.
1Toen Hij eens aan de oever van het meer van Gennézaret stond, drong de menigte op Hem aan, om het woord Gods te horen.
2Epe E erdali neisi nar gur tauer nerute apek abele ni ge; nolea le kak, uiaba bakeauare net ogarup.
2Nu zag Hij twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren er uitgegaan, en spoelden de netten.
3Epe E bakeamulu nerute nar ge, Simona ra nar, E abi damosi, Ma elele ami abele nar nerute apek abele ni ge. Epe E emeri lokod ge, E uiabi ereuerem, gaire le lakub, abele narlam.
3Hij stapte in een der boten, die aan Simon toebehoorde, en verzocht hem, een weinig van wal te steken. Hij zette Zich neer, en begon van de boot uit de menigte te onderrichten.
4Ege abara marau eseamulu, E abi detager Simona, Ma elele abele keper ge, ueakai uaba net esapili, a lar nagri.
4Toen Hij zijn toespraak had beëindigd, zei Hij tot Simon: Steek nu verder van wal, en werp uw netten uit voor de vangst.
5Simona abi detager, kega, Opole, abele ki ge keriba au sagim, nolea lar nagri: epe mara mer nagri, abelelam kaka net ko bataueret.
5Maar Simon antwoordde Hem: Meester, we hebben de hele nacht gewerkt, en niets gevangen; toch werp ik op uw woord de netten uit.
6Abele lu uiaba emetu ikeli, epe uiaba net esapili gaire lar mitkar; epe uiaba net batoatare:
6Ze deden het, en vingen zoveel vis, dat hun net er van scheurde.
7Ege uiaba opu darakiriare uader emeri nerute nar ge, tabakeauare uiabi upidaratidalare. Epe uiaba tabakeauare, ege neisi nar mitkar, maike bataili.
7Nu wenkten ze hun makkers in de andere boot, om hen te komen helpen. Ze kwamen, en vulden beide boten tot zinkens toe.
8Ege Simona Peteru umele, epe abi ekesmeri Iesu ra teter ge, kega, Opole, ma bakeamulu karielam, abelelam kaka uit le.
8Toen Simon Petrus dit zag, viel hij Jesus te voet, en sprak: Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.
9Abelelam E abi damered, pako uader kemem abim, abelelam gaire lar uiaba nagri;
9Ontzetting had hem aangegrepen over de vangst, die ze hadden gedaan; hem en allen die bij hem waren,
10Ege mokakalam Iakobo pako Ioane, Zebedaio ra omasker, uiaba larem okakis Simona. Epe Iesu abi detager, Simona, Ma nolea geum kak; ditimed peirdi gaire le nagri marielam.
10ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die tot de gezellen van Simon behoorden. Maar Jesus zei tot Simon: Vrees niet; van nu af zult ge mensen vangen.
11Ege uiaba nar akaridalie, epe uiaba gaire lu uridili dikaer, a uiaba abi irmili.
11Toen brachten ze de boten aan wal, verlieten alles, en volgden Hem.
12E bakeamulu nerute uteb ge, nerute le nagri gim, abara gem lepera mitkar: ege E Iesu erdali, epe abim ekesmeri tabara opem, E abi damosi, kega, Opole, ese ma lagelage, ma umele kara gem ogdirup.
12Eens, dat Hij Zich in zekere stad bevond, was daar een man, die melaats was van onder tot boven. Toen hij Jesus zag, viel hij op zijn aangezicht neer, en smeekte Hem: Heer, zo Gij wilt, kunt Gij me reinigen.
13Epe abara tag itrimud, E abi itut, kega, Kaka lagelage; mari ogdirup. Epe abara gim lepera akaid.
13Hij strekte de hand uit, raakte hem aan, en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond was zijn melaatsheid verdwenen.
14Epe E abi detaut, Ma nolea etomeret nerute le: debele ma bakeam abi etomeret abele zogozogo le, ma abi ais tonar ogdirup, mokakalam Mose ra gelar giz, ueakai uiaba umele abele atamelam.
14Hij beval hem, het niemand te zeggen, “maar ga heen, vertoon u aan den priester, en offer voor uw reiniging, wat Moses als bewijs voor hen heeft voorgeschreven.”
15Abele mer E osmed, gaire le asolare abim: epe gaire le lakub giz tabakeauare uiaba lagelage abi asolare, pako idigiri uiaba gim.
15Hoe langer hoe meer begon zich zijn faam te verbreiden. Talrijke scharen kwamen bijeen, om Hem te horen en van hun ziekten te worden genezen.
16E bakeamulu le kak uteb, ege esorerapoilu.
16Maar Hij trok Zich in de eenzaamheid terug, om te bidden.
17Nerute gerger, E uiabi ereuerem; ege Faresaio giz pako ereuer le abele gelar giz, uiaba tabakeauare nerute uteb Galilaialam, pako Iudaia, pako Ierusalema; ege nagri Opole ra adigiri, abelelam E nadgirare uiabim.
17Op zekere dag was Hij bezig met onderricht te geven, toen er ook farizeën bij kwamen zitten en wetgeleerden, die uit alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jerusalem waren gekomen. En de kracht des Heren deed Hem genezingen verrichten.
18Dasmer, nerute le uiaba tegared taba siklam gim nagri E ibibi; uiaba lagelage abim tegared, a abi ais Iesu ra opem.
18Zie, daar brachten enige mannen op een rustbed een man, die verlamd was; ze trachtten hem binnen te dragen, en voor Hem neer te leggen.
19A uiaba nolea umer kak, abelelam abele meta mitkar gaire le lakub, epe uiaba bakeauare meta tumge ezagerare Iesu muige, a lemlem ismi, uiaba sik dikri gim le tumge igimerare.
19Daar ze hem echter wegens de menigte niet naar binnen konden brengen, klommen ze op het dak, en lieten hem met het bed door het dak naar beneden, midden in het huis en vóór Jesus.
20Ege E erdali uiaba oituli, E abi detager, kega, Mara uit emetu idigiri.
20Toen Hij hun geloof zag, zeide Hij: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
21Epe aotale giz pako Faresaio giz uiaba dikiaporare, kega, Nete le dali E adud mer Adim? Nete umele uit idigiri, no Ade tepteb?
21Maar de schriftgeleerden en farizeën begonnen zich af te vragen: Wie is Hij dan toch? Hij zegt godslasteringen! Wie kan zonden vergeven, dan God alleen?
22Epe Iesu erdali uiaba dikiaporare, E uiabi detaut, kega, Nako dikiaporare uaba nerkep?
22Jesus, die hun gedachten kende, nam het woord en zei hun: Wat overlegt gij nog bij uzelf?
23Nako lu nolea beber, kega, Ege mara uit adem dikri: nako, Ma ekue bakeam?
23Wat is gemakkelijker te zeggen: uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: sta op, en ga heen?
24Abelelam ueakai uaba umele Ade ra Uerem, E nagri sirdam geseb ge uit dikri, (ege E abi detager ibibi le,) Kaka mari detager, Ma ekue, bakeam ais mara sik, a bakeam mabara meta.
24Welnu, opdat gij weten moogt, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde, om zonden te vergeven, (hier sprak Hij tot den lamme:) Ik zeg u: Sta op, neem uw bed, en ga naar huis.
25Epe E ekueid uiaba opem, ege tabara sik ekau, a bakeam tabara meta, E Adim naospered.
25Onmiddellijk stond hij op voor aller ogen, nam zijn bed, ging naar huis, en verheerlijkte God onderweg.
26Uiaba uridili au damrare, uiaba naospered Adim; ege uiaba au geum, kega, Abelelam kerkar abele lu meriba erdalare abele gerger.
26Allen stonden verbaasd, en loofden God; ze werden door vrees bevangen, en zeiden: We hebben heden wonderbare dingen gezien.
27Ege abele lu eseamulu, epe E osmed, ege E erdali nerute telona giz, abara nei Leui, ege E emeri meta dipumed: E abi detager, kega, Kari narmili.
27Toen Hij daarna verder ging, zag Hij een tollenaar, Levi genaamd, aan het tolhuis zitten. Hij zeide hem: Volg Mij.
28Epe gaire lu uridili dikaer, E sobkak abi irmili.
28En hij stond op, liet alles achter, en volgde Hem.
29Ege Leui E ikeli uetpur abara meta ge abim: gaire telona giz abi kemem, pako uader uteid baiter uiaba eroli okakis
29Nu richtte Levi in zijn huis een groot gastmaal voor Hem aan; en een talrijke menigte van tollenaars en anderen lagen met hen aan tafel aan.
30Faresaio giz a aotale giz, uiaba mudi mer abara kaimeg giz, kega, Nalugelam uaba eroli a ereli okakis telona giz a uit le giz?
30De farizeën en schriftgeleerden morden daarover tegen zijn leerlingen, en zeiden: Waarom eet en drinkt gij met de tollenaars en zondaars?
31Iesu uiabim detaut, kega, Saserim le giz lukup kemle lakak; gim le giz laglag.
31Jesus gaf hun ten antwoord: De gezonden hebben geen geneesheer nodig, wel de zieken.
32Kaka nolea tabarki ko gaire barkak tonar dabgeri, debele gaire uit le giz, ueakai uiaba obazgeda.
32Ik ben niet gekomen, om de rechtvaardigen te roepen, maar wel de zondaars, om ze te bekeren.
33Ege uiaba abi detaut kega, Nalugelam Ioane ra kaimeg giz leueru baili, pako esorerapare, pako Faresaio ra kaimeg giz; ege mara kaimeg giz uiaba eroli a ereli?
33Ze zeiden tot Hem: De leerlingen van Johannes en die der farizeën vasten en bidden dikwijls, maar de uwen eten en drinken.
34Ege Iesu uiabim detager, kega, Nako, umele gaire boai le ispida ko leueru baili, le ispida uiabi dog?
34Jesus zei hun: Kunt gij dan de bruiloftsgasten laten vasten, zolang de bruidegom bij hen is?
35Kerker niai tabarki; le ispida uiabielam egared, abele gaire gerger uiaba leueru baili.
35Maar er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen wordt weggenomen; in die dagen zullen ze vasten.
36Ege E uiabim detager, nerute mer babisdarie, kega, Nole le kerkar mog uali itkedi okakis buzibuzi am uali; kerkar mog ualilam ekep itkedi, iako kerkar mog ualilam nole abkoreb buzibuzi am uali.
36Ook sprak Hij tot hen de volgende gelijkenis: Niemand scheurt een lap uit een nieuw kleed, om hem op een oud kleed te zetten; anders scheurt hij het nieuwe kleed stuk, terwijl de lap van het nieuwe toch niet bij het oude past.
37Nole le epaiteret kerkar uaina muige buzibuzi tarpor giz; epe tarpor giz arperiklam, uaina epaiteredoa, epe sor giz adud.
37Ook giet niemand nieuwe wijn in oude zakken; anders doet de nieuwe wijn de zakken bersten; de wijn loopt weg, en de zakken gaan verloren.
38Ese ko kerkar tarpor giz sorem, debele epaiteret kerkar uaina, ueakai debele.
38Neen, nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen.
39Nole le ereli emeret uaina, a iako ko sobkak lagelag kerkar uaina: abelelam E detager, kega, Emeret uaina debele.
39En niemand, die oude wijn heeft te drinken, verlangt naar de nieuwe; want hij zegt: de oude is best.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.