Луки 10
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Після ж сього настановив Господь і других сїмдесять, та й післав їх по двоє перед лицем своїм у кожний город і місце, куди мав сам ійти.
1Daarna stelde de Heer nog twee en zeventig anderen aan, en zond ze twee aan twee voor Zich uit naar elke stad of plaats, waar Hij zelf naar toe wilde gaan.
2Рече ж до них: Жниво велике, робітника ж мало: просїть же Господа жнива, щоб випровадив робітників на жниво своє.
2En Hij sprak tot hen: De oogst is groot, maar werklieden zijn er weinig. Vraagt dus den Heer van de oogst, dat Hij werklieden zendt in zijn oogst. —
3Ійдїть; ось я посилаю вас, як ягнят між вовки.
3Gaat heen; zie, Ik zend u als lammeren midden onder de wolven.
4Не носїть калитки, нї торбини, нї обувя, і нїкого в дорозї не витайте.
4Draagt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoenen; en groet niemand onderweg. —
5У котру ж господу ввійдете, перше кажіть: Впокій домові сьому;
5Wanneer gij een huis binnenkomt, zegt dan eerst: Vrede aan dit huis!
6і коли там буде син упокою, спочине на йому впокій ваш; коли ж нї, до вас вернеть ся.
6En als daar een kind van de vrede woont, zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan keert hij terug op u.
7У тім же дому зоставайтесь, ївши й пивши, що є в них: достоєн бо робітник нагороди своєї. Не ходїть од хати до хати.
7Blijft in dat huis; eet en drinkt wat men er heeft; want de arbeider heeft recht op zijn loon. Gaat niet van het ene huis naar het andere. —
8І в которий город увійдете, й приймуть вас, їжте що поставлять перед вами,
8En in welke stad gij ook komt, waar men u ontvangt, eet wat u wordt voorgezet;
9і сцїляйте в ньому недужих, і кажіть їм: Наближилось до вас царство Боже.
9geneest de zieken die er zijn, en zegt hun: Het koninkrijk Gods is nabij.
10У которий же город прийдете й не приймуть вас, вийшовши на улицї його, скажіть:
10Maar als gij in een stad komt, waar men u niet ontvangt, gaat uit op haar pleinen, en zegt:
11І порох, що поприлипав до нас із города вашого, обтрушуємо вам; тільки ж се знайте, що наближилось до вас царство Боже.
11Zelfs het stof uwer stad, dat aan onze voeten kleeft, schudden we tegen u af; toch moet gij weten: het koninkrijk Gods is nabij.
12Глаголю ж вам, що Содомлянам дня того одраднїщ буде, нїж городові тому.
12Ik zeg u: Voor Sódoma zal het dragelijker zijn op die dag dan voor die stad. —
13Горе тобі, Хоразине! горе тобі, Витсаїдо! бо коли б у Тирі та Сидонї стались чудеса, що стали ся в вас, давно б, у веретищі та в попелї сидячи, покаялись.
13Wee u, Korazin, wee u, Betsáida; want zo in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd, die in u zijn geschied, dan zouden ze reeds lang in zak en as zijn gezeten, en boete hebben gedaan.
14Тільки ж Тирові й Сидонові одраднїщ буде на судї, нїж вам.
14Voor Tyrus en Sidon zal het dragelijker zijn in het oordeel dan voor u.
15І ти, Капернауме, що аж до неба підняв ся, аж у пекло провалиш ся.
15En gij Kafárnaum, zult ge tot de hemel toe worden verheven? Tot in de hel zult ge neerzinken. —
16Хто слухає вас, мене слухає; а хто гордує вами, мною гордує; хто ж мною гордує, гордує Пославшим мене.
16Wie u hoort, hoort Mij, en wie u versmaadt, versmaadt Mij; maar wie Mij versmaadt, versmaadt Hem die Mij heeft gezonden.
17І вернулись сїмдесять назад з радощами, кажучи: Господи, й біси корять ся нам в імя Твоє.
17Toen de twee en zeventig waren teruggekeerd, zeiden ze verheugd: Heer, zelfs de duivels zijn ons onderworpen in uw Naam.
18Рече ж їм: Видїв я сатану, як блискавку з неба падаючого.
18Hij sprak tot hen: Ik zag satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.
19Ось даю вам силу наступати на гадюки й на скорпиони, й на всю силу ворожу, й нїщо вам не шкодити ме.
19Zie, Ik heb u de macht gegeven, om op slangen en schorpioenen te trappen, en macht over heel de kracht van den vijand: niets zal u deren.
20Тільки ж бо сим не втїшайтесь, що духи вам корять ся; втїшайте ся ж більш, що імена ваші написані на небесах.
20Maar verheugt u niet, omdat de duivels u onderworpen zijn; verheugt u, omdat uw namen opgeschreven staan in de hemel.
21Того часу зрадїв духом Ісус, і рече: Дякую Тобі, Отче, Господи неба й землї, що втаїв се від премудрих і розумних, а відкрив недолїткам. Так, Отче: бо так воно вподобалось перед Тобою.
21Toen jubelde Hij het uit in den Heiligen Geest, en sprak: Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, en aan kleinen geopenbaard. Ja, Vader, zó is uw welbehagen geweest.
22Усе передане менї від Отця; і нїхто не знає, хто Син, тільки Отець, і хто Отець, тільки Син та кому схоче Син одкрити.
22Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader alleen; of wie de Vader is, dan de Zoon alleen, en hij, wien de Zoon het openbaren wil.
23І, обернувшись до учеників на самотї, рече: Блаженні очі, котрі бачять, що ви бачите:
23Nu wendde Hij Zich tot zijn leerlingen alleen, en sprak: Zalig de ogen, die zien wat gij ziet.
24глаголю бо вам: Що многі пророки й царі хотїли бачити, що ви бачите, та й не бачили, й чути, що ви чуєте, та й не чули.
24Ik zeg u: Vele profeten en koningen wensten te zien wat gij ziet, en ze zagen het niet; te horen wat gij hoort, en ze hoorden het niet.
25І ось, законник один устав, спокушуючи Його й кажучи: Учителю, що робивши, життє вічнє наслїджу?
25En zie, een wetgeleerde stond op, om Hem op de proef te stellen, en sprak: Meester, wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?
26Він же рече до него: В законї що написано? як читаєш?
26Hij zei hem: Wat staat er in de Wet geschreven; wat leest ge daar?
27Він же, озвавшись, каже: Люби Господа Бога твого всїм серцем твоїм, і всією душею твоєю, і всією силою твоєю, і всією думкою твоєю, та ближнього твого, як себе самого.
27Hij antwoordde: Gij zult den Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht, en met heel uw verstand: en uw naaste als uzelf.
28Рече ж йому: Право відказав єси. Се чини, то й жити меш.
28Hij zei hem: Ge hebt goed geantwoord; doe dit en ge zult leven.
29Він же, хотївши оправдити себе, каже до Ісуса: Хто ж мій ближнїй?
29Maar daar hij de schijn wilde redden, sprak hij tot Jesus: En wie is mijn naaste?
30Підхопивши ж Ісус, рече: Чоловік один ійшов з Єрусалиму в Єрихон, і попав ся розбійникам, котрі, обдерши його й рани завдавши, пійшли, зоставивши півмертвого.
30Jesus hernam, en sprak: Eens reisde een man van Jerusalem naar Jericho, en viel in handen van rovers; ze schudden hem uit, verwondden hem vreselijk, en lieten hem half dood achter.
31Случаєм ійшов якийся священик дорогою тією, і, побачивши його, пройшов мимо.
31Toevallig kwam een priester die weg langs; hij zag hem, en ging voorbij.
32Так само ж і левит, лучившись на те місце, приступивши й подивившись, пройшов мимо.
32Ook een leviet kwam er langs; hij zag hem, en ging voorbij.
33Самарянин же один, ідучи дорогою, прийшов до него й, побачивши його, милосердував ся,
33Maar ook een Samaritaan, die op reis was, kwam voorbij; hij zag hem, en kreeg medelijden.
34і, приступивши, обвязав рани його, ллючи оливу та вино, й, посадивши його на свою скотину, привів його в гостинницю, і пильнував його;
34Hij ging er naar toe, verbond zijn wonden, en goot er olie en wijn op; daarna hief hij hem op zijn eigen lastdier, bracht hem naar een herberg, en zorgde voor hem.
35а назавтра, одходячи, вийняв два денариї, дав гостинникові, та й каже йому: Доглядай його, і що над се видаси, я, вернувшись, оддам тобі.
35De volgende dag nam hij twee tienlingen, gaf ze den waard, en zeide: Blijf voor hem zorgen; en wat ge er meer aan besteedt, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden.
36Хто ж оце з тих трох здаєть ся тобі ближнїм тому, що попавсь між розбійники?
36Wat dunkt u; wie van de drie is de naaste geweest van hem, die in de handen der rovers viel?
37Він же каже: Хто зробив милость йому. Рече тодї йому Ісус: Іди й ти чини так.
37Hij sprak: Hij, die hem barmhartigheid bewees. En Jesus zeide hem: Ga, en doe gij evenzo.
38Стало ся ж, як ійшли вони, увійшов Він ув одно село; жінка ж одна, на ймя Марта, прийняла Його в господу свою.
38Op hun reis kwam Hij ook in zeker dorp, waar een vrouw, Marta geheten, Hem in haar huis ontving.
39А була в неї сестра, звана Мария, котра, сївши в ногах у Ісуса, слухала слово Його.
39Ze had een zuster, Maria genaamd, die mede aan Jesus’ voeten zat, en luisterde naar zijn woord.
40Марта ж зайнялась великою послугою; ставши ж каже: Господи, чи байдуже Тобі, що сестра моя одну мене зоставила послугувати? Скажи ж їй, щоб менї помагала.
40Maar Marta was druk in de weer met bedienen. Ze kwam er een ogenblik bij staan, en sprak: Heer, is het U onverschillig, dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dus, dat ze me helpt.
41Озвавши ся ж рече їй Ісус: Марто, Марто, журиш ся та побиваєш ся про многе,
41Maar de Heer gaf haar ten antwoord: Marta, Marta, over veel zijt ge bezorgd en bekommerd.
42одного ж треба. Мария добру частину вибрала, що не відніметь ся від неї.
42Slechts één ding is noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, dat haar niet zal ontnomen worden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.