Луки 14
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І сталось, як прийшов Він у господу до одного із старших Фарисейських у суботу їсти хлїб, були й вони, назираючи Його.
1Eens kwam Hij op een sabbat in het huis van een der voornaamsten van de farizeën, om de maaltijd te gebruiken; en men bespiedde Hem.
2І ось один чоловік у водянцї був перед Ним.
2En zie, daar stond een man voor Hem, die aan waterzucht leed.
3І озвавшись Ісус, рече до законників та Фарисеїв, глаголючи: Чи годить ся в суботу сцїляти?
3Jesus nam het woord, en sprak tot de wetgeleerden en farizeën: Mag men op sabbat genezen, of niet?
4Вони ж мовчали. І взявши сцїлив його, та й відпустив.
4Ze zwegen. Toen raakte Hij hem aan, genas hem, en zond hem heen.
5І, озвавшись до них, рече: В кого з вас осел або віл упаде в колодязь, чи зараз не витягне його субітнього дня?
5Nu sprak Hij tot hen: Wie van u zal zijn zoon of zijn os, die in de put is gevallen, niet aanstonds, ook op de sabbat, er uit trekken?
6І не змогли вони відказати Йому знов проти сього.
6Ze wisten hier niets tegen in te brengen.
7Сказав же до запрошених приповість, постерігши, як перві місця вибирають, глаголючи до них:
7En daar Hij bemerkte, dat de gasten zich de beste plaatsen hadden uitgezocht, sprak Hij hun in een gelijkenis toe:
8Коли запрошений ти від кого на весїллє, то не сїдай на первому місцї, щоб часом поважнїщий тебе не був запрошений від него,
8Wanneer ge door iemand op een bruiloft zijt uitgenodigd, ga dan niet op de beste plaats zitten. Want misschien is er een door hem uitgenodigd, die voornamer is dan gij.
9і прийшовши той, хто запросив тебе й його, не сказав тобі: Дай сьому місце; а тодї доведеть ся тобі з соромом останнє місце заняти.
9Dan zou hij, die u en hem heeft genodigd, u komen zeggen: Maak plaats voor hem. En ge zoudt vol schaamte de minste plaats moeten innemen.
10Нї, коли ти запрошений, прийшовши сїдай на останньому місцї, щоб, як прийде, хто запросив тебе, сказав тобі: Друже, сїдай вище. Тодї буде тобі слава перед тими, що сидять з тобою.
10Maar wanneer ge genodigd zijt, ga dan op de minste plaats zitten: opdat uw gastheer u zegt, als hij komt: Vriend, ga hoger op. Dat zal een eer voor u zijn in het oog van al de disgenoten.
11Бо кожен, хто нести меть ся вгору, принизить ся, хто ж принизуєть ся, пійде вгору.
11Want wie zich verheft, zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven worden.
12Рече ж і тому, що запросив його: Коли справляєш обід або вечерю, не клич приятелїв твоїх, нї братів твоїх, нї сусїд багатих; щоб часом і вони тебе не запросили, й не було тобі відплати.
12En tot zijn gastheer zeide Hij: Wanneer ge een middag- of avondmaal houdt, nodig dan niet uw vrienden of broers, uw bloedverwanten of rijke buren; want misschien nodigen ze u terug, en ge krijgt het vergolden.
13Нї, коли справляєш гостину, запрошуй убогих, калїк, кривих, слїпих;
13Maar als ge een maaltijd houdt, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen, blinden.
14то будеш блажен, бо не мають чим віддати тобі; віддасть ся бо тобі у воскресенню праведних.
14Dan zult ge gelukkig zijn, omdat ze het u niet kunnen vergelden; want dan zal men het u bij de opstanding der rechtvaardigen vergelden.
15Почувши ж се один з сидячих з Ним, каже Йому: Блажен, хто їсти ме хлїб у царстві Божім.
15Een der disgenoten, die dit hoorde, sprak tot Hem: Zalig hij, die maaltijd zal houden in het koninkrijk Gods.
16Він же рече йому: Один чоловік справив вечерю велику, та й запросив многих;
16Maar Hij zei hem: Zeker iemand gaf een groot feestmaal, en nodigde velen uit.
17і післав слугу свого часу вечері сказати запрошеним: Ійдїть, бо вже все готове.
17Tegen het uur van de maaltijd zond hij zijn dienaar, om aan de gasten te zeggen: Komt, want alles staat klaar.
18І почали рядом відпрошуватись усї. Первий сказав йому: Поле купив я, то мушу пійти та подивитись на него. Прошу тебе, вибач менї.
18Maar eenparig begonnen allen zich te verontschuldigen. De eerste zei hem: Ik heb een stuk land gekocht, en moet het noodzakelijk gaan zien: ik bid u, verontschuldig me.
19А другий сказав: Пять ярем волів купив я, і йду спробувати їх. Прошу тебе, вибач менї.
19Een ander zei: Ik heb vijf paar ossen gekocht, en ga ze keuren; ik bid u, verontschuldig me.
20А знов другий сказав: Я одруживсь, тому й не можу прийти.
20Weer een ander zei: Ik heb een vrouw gehuwd, en kan dus niet komen.
21І прийшовши слуга той, оповів панові своєму. Тодї прогнївившись господар, рече слузї своєму: Вийди хутко на дороги та на улицї городські, та вбогих, та калїк, та кривих, та слїпих поприводь сюди.
21De dienaar kwam thuis, en boodschapte het aan zijn heer. Toen werd de heer des huizes vergramd, en hij sprak tot zijn dienaar: Spoed u naar de pleinen en straten der stad, en breng de armen en gebrekkigen, de blinden en kreupelen hier binnen.
22І рече слуга: Пане, сталось, як звелїв єси, та й ще є місце.
22De dienaar zei: Heer, er is gedaan wat ge bevolen hebt; en nog is er plaats.
23І рече пан до слуги: Вийди на шляхи та на загороди, та й силуй увійти, щоб повна була господа моя.
23Nu sprak de heer tot zijn dienaar: Ga uit naar wegen en heggen, en dwing ze, om binnen te komen; want mijn huis moet vol zijn.
24Глаголю бо вам, що нїхто з чоловіків тих запрошених не покоштує моєї вечері.
24Ik zeg u: Niet één van die mannen, die waren genodigd, zal van mijn feestmaal genieten.
25Ійшло ж із Ним пребагато народу; й обернувшись рече до них:
25Toen eens een talrijke menigte Hem volgde, keerde Hij Zich om, en sprak tot hen:
26Коли хто приходить до мене, й не зненавидить батька свого, й матїр, і жінку, й дїти, й братів, і сестер, та ще й свою душу, не може учеником моїм бути.
26Zo iemand tot Mij komt, en zijn vader niet haat, zijn moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, hij kan mijn leerling niet zijn.
27І хто не носить хреста свого й не ходить слїдом за мною, не може бути учеником моїм.
27En wie zijn kruis niet opneemt, en Mij niet volgt, kan mijn leerling niet zijn.
28Хто бо з вас, задумавши башту будувати, перше сївши не полїчить видатку, чи має на скінченнє?
28Want wie van u, die een toren wil bouwen, gaat niet eerst de kosten zitten berekenen, of hij wel de middelen bezit, om het werk te voltooien.
29щоб часом, як положить він основину, та не спроможеть ся скінчити, всї, дивлячись, не стали сьміятись із него, кажучи:
29Anders zou hij misschien wel de grondslag leggen, maar niet af kunnen bouwen. Dan zouden allen, die het zagen, hem uit gaan lachen,
30Що сей чоловік почав будувати, та й не спроміг ся скінчити.
30en zeggen: Die man is begonnen te bouwen, en is blijven steken.
31Або який цар, ідучи на войну, ударити на другого царя, сївши перше не порадить ся, чи можливо з десятьма тисячами устояти проти того, хто з дванайцятьма тисячами йде на него.
31Of welke koning, die een anderen koning de oorlog gaat aandoen, zit niet eerst te overleggen, of hij met tienduizend man het hoofd kan bieden aan hem, die met twintigduizend man op hem afkomt?
32Коли ж нї, то ще як той далеко, посли піславши, просить примирря.
32Zo niet, dan zendt hij een gezantschap, terwijl de ander nog ver af is, en vraagt om de vrede.
33Так оце всякий з вас, хто не відцураєть ся від усього свого достатку, не може моїм учеником бути.
33Zo ook kan dus niemand van u mijn leerling zijn, die geen afstand doet van al wat hij bezit.
34Добро сіль; коли ж сіль звітріє, то чим приправити?
34Het zout is dus goed; maar als het zout zelf smakeloos is geworden, waar zal men het dan mee zouten?
35Нї в землю, нї в гній не годить ся вона; геть викидають її. Хто має уші слухати, нехай слухає.
35Dan deugt het noch voor het land noch voor de mesthoop; men gooit het weg. Wie oren heeft om te horen, hij hore.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.