ルカ 14
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1安息日に、イエスが食事をするためパリサイ人の指導者の家に入ると、人々はイエスを見張っていた。
1Eens kwam Hij op een sabbat in het huis van een der voornaamsten van de farizeën, om de maaltijd te gebruiken; en men bespiedde Hem.
2見よ、イエスの前に水腫を患う人がいた。
2En zie, daar stond een man voor Hem, die aan waterzucht leed.
3イエスは律法の専門家たちとパリサイ人たちに言った。 「安息日に癒やすことは許されているか。」
3Jesus nam het woord, en sprak tot de wetgeleerden en farizeën: Mag men op sabbat genezen, of niet?
4彼らは黙っていた。 イエスはその人を抱き、癒やして帰した。
4Ze zwegen. Toen raakte Hij hem aan, genas hem, en zond hem heen.
5そして彼らに言った。 「あなたがたのうち、息子 や牛が井戸に落ちたら、安息日でもすぐに引き上げない者がいるだろうか。」
5Nu sprak Hij tot hen: Wie van u zal zijn zoon of zijn os, die in de put is gevallen, niet aanstonds, ook op de sabbat, er uit trekken?
6彼らはこれに答えることができなかった。
6Ze wisten hier niets tegen in te brengen.
7イエスは招かれた人々が上席を選ぶ様子を見て、たとえを語った。
7En daar Hij bemerkte, dat de gasten zich de beste plaatsen hadden uitgezocht, sprak Hij hun in een gelijkenis toe:
8「婚礼の宴に招かれた時、上席についてはならない。あなたより身分の高い人が招かれているかもしれない。
8Wanneer ge door iemand op een bruiloft zijt uitgenodigd, ga dan niet op de beste plaats zitten. Want misschien is er een door hem uitgenodigd, die voornamer is dan gij.
9二人を招いた人が来て、『この方に席を譲ってください』と言えば、あなたは恥をかきながら末席につくことになる。
9Dan zou hij, die u en hem heeft genodigd, u komen zeggen: Maak plaats voor hem. En ge zoudt vol schaamte de minste plaats moeten innemen.
10招かれたら末席に座りなさい。そうすれば、招いた人が来て、『友よ、もっと上の席へどうぞ』と言ってくれる。その時、同席するすべての人の前で誉れを受ける。
10Maar wanneer ge genodigd zijt, ga dan op de minste plaats zitten: opdat uw gastheer u zegt, als hij komt: Vriend, ga hoger op. Dat zal een eer voor u zijn in het oog van al de disgenoten.
11自分を高くする者は皆低くされ、自分を低くする者は高くされるからである。」
11Want wie zich verheft, zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven worden.
12また招いた人にも言った。 「昼食や夕食を設ける時、友人、兄弟、親族、裕福な隣人を呼んではならない。彼らもあなたを招き返し、返礼するかもしれないからである。
12En tot zijn gastheer zeide Hij: Wanneer ge een middag- of avondmaal houdt, nodig dan niet uw vrienden of broers, uw bloedverwanten of rijke buren; want misschien nodigen ze u terug, en ge krijgt het vergolden.
13宴会を開く時は、貧しい人、手足を損なった人、足の不自由な人、目の見えない人を招きなさい。
13Maar als ge een maaltijd houdt, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen, blinden.
14そうすれば幸いである。彼らには返礼する力がないからである。義人の復活の時に、あなたは報いを受ける。」
14Dan zult ge gelukkig zijn, omdat ze het u niet kunnen vergelden; want dan zal men het u bij de opstanding der rechtvaardigen vergelden.
15同席していた一人がこれを聞いて言った。「神の王国で食事をする人は幸いです。」
15Een der disgenoten, die dit hoorde, sprak tot Hem: Zalig hij, die maaltijd zal houden in het koninkrijk Gods.
16イエスは言った。 「ある人が盛大な夕食を設け、大勢を招いた。
16Maar Hij zei hem: Zeker iemand gaf een groot feestmaal, en nodigde velen uit.
17夕食の時刻にしもべを遣わし、招いていた人々に、『来てください。もうすべて整いました』と言わせた。
17Tegen het uur van de maaltijd zond hij zijn dienaar, om aan de gasten te zeggen: Komt, want alles staat klaar.
18すると皆が一様に断り始めた。 「最初の人は言った。『畑を買ったので、見に行かなければなりません。どうかご容赦ください。』
18Maar eenparig begonnen allen zich te verontschuldigen. De eerste zei hem: Ik heb een stuk land gekocht, en moet het noodzakelijk gaan zien: ik bid u, verontschuldig me.
19「別の人は言った。『牛を五くびき買ったので、試しに行くところです。どうかご容赦ください。』
19Een ander zei: Ik heb vijf paar ossen gekocht, en ga ze keuren; ik bid u, verontschuldig me.
20「また別の人は言った。『妻を迎えたので、行けません。』
20Weer een ander zei: Ik heb een vrouw gehuwd, en kan dus niet komen.
21「しもべは帰って来て、主人にこれらのことを報告した。家の主人は怒り、しもべに言った。『急いで町の大通りや路地へ出て行き、貧しい人、手足の不自由な人、目の見えない人、足の不自由な人をここへ連れて来なさい。』
21De dienaar kwam thuis, en boodschapte het aan zijn heer. Toen werd de heer des huizes vergramd, en hij sprak tot zijn dienaar: Spoed u naar de pleinen en straten der stad, en breng de armen en gebrekkigen, de blinden en kreupelen hier binnen.
22「しもべは言った。『ご主人様、ご命令どおりにしましたが、まだ席があります。』
22De dienaar zei: Heer, er is gedaan wat ge bevolen hebt; en nog is er plaats.
23「主人はしもべに言った。『街道や垣根の所へ出て行き、人々を促して入らせ、私の家をいっぱいにしなさい。
23Nu sprak de heer tot zijn dienaar: Ga uit naar wegen en heggen, en dwing ze, om binnen te komen; want mijn huis moet vol zijn.
24あなたがたに言う。初めに招かれた者は一人も、私の夕食を味わうことがない。招かれる者は多いが、選ばれる者は少ないからである。 』」
24Ik zeg u: Niet één van die mannen, die waren genodigd, zal van mijn feestmaal genieten.
25大勢の群衆がイエスとともに歩いていた。イエスは振り向いて彼らに言った。
25Toen eens een talrijke menigte Hem volgde, keerde Hij Zich om, en sprak tot hen:
26「私のもとに来る者が、自分の父、母、妻、子ども、兄弟、姉妹、さらに自分の命さえ後回しに しないなら、私の弟子になることはできない。
26Zo iemand tot Mij komt, en zijn vader niet haat, zijn moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, hij kan mijn leerling niet zijn.
27自分の十字架を負って私について来ない者は、私の弟子になることができない。
27En wie zijn kruis niet opneemt, en Mij niet volgt, kan mijn leerling niet zijn.
28塔を建てようとする時、まず座って費用を計算し、完成させるだけのものがあるか確かめない人がいるだろうか。
28Want wie van u, die een toren wil bouwen, gaat niet eerst de kosten zitten berekenen, of hij wel de middelen bezit, om het werk te voltooien.
29土台を据えても完成できなければ、見る人は皆、その人をあざ笑い始め、
29Anders zou hij misschien wel de grondslag leggen, maar niet af kunnen bouwen. Dan zouden allen, die het zagen, hem uit gaan lachen,
30『この人は建て始めたが、完成できなかった』と言うだろう。
30en zeggen: Die man is begonnen te bouwen, en is blijven steken.
31また、別の王と戦おうとする王は、まず座って、一万人で二万人を率いて向かって来る相手に立ち向かえるか考えるではないか。
31Of welke koning, die een anderen koning de oorlog gaat aandoen, zit niet eerst te overleggen, of hij met tienduizend man het hoofd kan bieden aan hem, die met twintigduizend man op hem afkomt?
32できなければ、相手がまだ遠くにいる間に使者を送り、和平の条件を求める。
32Zo niet, dan zendt hij een gezantschap, terwijl de ander nog ver af is, en vraagt om de vrede.
33同じように、自分の持つすべてを捨てない者は、私の弟子になることができない。
33Zo ook kan dus niemand van u mijn leerling zijn, die geen afstand doet van al wat hij bezit.
34「塩は良いものだ。しかし塩が味を失えば、何によって味をつけるのか。
34Het zout is dus goed; maar als het zout zelf smakeloos is geworden, waar zal men het dan mee zouten?
35土地にも肥料の山にも役立たず、外へ投げ捨てられる。聞く耳のある者は聞きなさい。」
35Dan deugt het noch voor het land noch voor de mesthoop; men gooit het weg. Wie oren heeft om te horen, hij hore.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.