Lucam 10
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Post hæc autem designavit Dominus et alios septuaginta duos: et misit illos binos ante faciem suam in omnem civitatem et locum, quo erat ipse venturus.
1Daarna stelde de Heer nog twee en zeventig anderen aan, en zond ze twee aan twee voor Zich uit naar elke stad of plaats, waar Hij zelf naar toe wilde gaan.
2Et dicebat illis: Messis quidem multa, operarii autem pauci. Rogate ergo dominum messis ut mittat operarios in messem suam.
2En Hij sprak tot hen: De oogst is groot, maar werklieden zijn er weinig. Vraagt dus den Heer van de oogst, dat Hij werklieden zendt in zijn oogst. —
3Ite: ecce ego mitto vos sicut agnos inter lupos.
3Gaat heen; zie, Ik zend u als lammeren midden onder de wolven.
4Nolite portare sacculum, neque peram, neque calceamenta, et neminem per viam salutaveritis.
4Draagt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoenen; en groet niemand onderweg. —
5In quamcumque domum intraveritis, primum dicite: Pax huic domui:
5Wanneer gij een huis binnenkomt, zegt dan eerst: Vrede aan dit huis!
6et si ibi fuerit filius pacis, requiescet super illum pax vestra: sin autem, ad vos revertetur.
6En als daar een kind van de vrede woont, zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan keert hij terug op u.
7In eadem autem domo manete, edentes et bibentes quæ apud illos sunt: dignus est enim operarius mercede sua. Nolite transire de domo in domum.
7Blijft in dat huis; eet en drinkt wat men er heeft; want de arbeider heeft recht op zijn loon. Gaat niet van het ene huis naar het andere. —
8Et in quamcumque civitatem intraveritis, et susceperint vos, manducate quæ apponuntur vobis:
8En in welke stad gij ook komt, waar men u ontvangt, eet wat u wordt voorgezet;
9et curate infirmos, qui in illa sunt, et dicite illis: Appropinquavit in vos regnum Dei.
9geneest de zieken die er zijn, en zegt hun: Het koninkrijk Gods is nabij.
10In quamcumque autem civitatem intraveritis, et non susceperint vos, exeuntes in plateas ejus, dicite:
10Maar als gij in een stad komt, waar men u niet ontvangt, gaat uit op haar pleinen, en zegt:
11Etiam pulverem, qui adhæsit nobis de civitate vestra, extergimus in vos: tamen hoc scitote, quia appropinquavit regnum Dei.
11Zelfs het stof uwer stad, dat aan onze voeten kleeft, schudden we tegen u af; toch moet gij weten: het koninkrijk Gods is nabij.
12Dico vobis, quia Sodomis in die illa remissius erit, quam illi civitati.
12Ik zeg u: Voor Sódoma zal het dragelijker zijn op die dag dan voor die stad. —
13Væ tibi Corozain ! væ tibi Bethsaida ! quia si in Tyro et Sidone factæ fuissent virtutes quæ factæ sunt in vobis, olim in cilicio et cinere sedentes pœniterent.
13Wee u, Korazin, wee u, Betsáida; want zo in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd, die in u zijn geschied, dan zouden ze reeds lang in zak en as zijn gezeten, en boete hebben gedaan.
14Verumtamen Tyro et Sidoni remissius erit in judicio, quam vobis.
14Voor Tyrus en Sidon zal het dragelijker zijn in het oordeel dan voor u.
15Et tu Capharnaum, usque ad cælum exaltata, usque ad infernum demergeris.
15En gij Kafárnaum, zult ge tot de hemel toe worden verheven? Tot in de hel zult ge neerzinken. —
16Qui vos audit, me audit: et qui vos spernit, me spernit. Qui autem me spernit, spernit eum qui misit me.
16Wie u hoort, hoort Mij, en wie u versmaadt, versmaadt Mij; maar wie Mij versmaadt, versmaadt Hem die Mij heeft gezonden.
17Reversi sunt autem septuaginta duo cum gaudio, dicentes: Domine, etiam dæmonia subjiciuntur nobis in nomine tuo.
17Toen de twee en zeventig waren teruggekeerd, zeiden ze verheugd: Heer, zelfs de duivels zijn ons onderworpen in uw Naam.
18Et ait illis: Videbam Satanam sicut fulgor de cælo cadentem.
18Hij sprak tot hen: Ik zag satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.
19Ecce dedi vobis potestatem calcandi supra serpentes, et scorpiones, et super omnem virtutem inimici: et nihil vobis nocebit.
19Zie, Ik heb u de macht gegeven, om op slangen en schorpioenen te trappen, en macht over heel de kracht van den vijand: niets zal u deren.
20Verumtamen in hoc nolite gaudere quia spiritus vobis subjiciuntur: gaudete autem, quod nomina vestra scripta sunt in cælis.
20Maar verheugt u niet, omdat de duivels u onderworpen zijn; verheugt u, omdat uw namen opgeschreven staan in de hemel.
21In ipsa hora exsultavit Spiritu Sancto, et dixit: Confiteor tibi Pater, Domine cæli et terræ, quod abscondisti hæc a sapientibus et prudentibus, et revelasti ea parvulis. Etiam Pater: quoniam sic placuit ante te.
21Toen jubelde Hij het uit in den Heiligen Geest, en sprak: Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, en aan kleinen geopenbaard. Ja, Vader, zó is uw welbehagen geweest.
22Omnia mihi tradita sunt a Patre meo. Et nemo scit quis sit Filius, nisi Pater: et quis sit Pater, nisi Filius, et cui voluerit Filius revelare.
22Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader alleen; of wie de Vader is, dan de Zoon alleen, en hij, wien de Zoon het openbaren wil.
23Et conversus ad discipulos suos, dixit: Beati oculi qui vident quæ vos videtis.
23Nu wendde Hij Zich tot zijn leerlingen alleen, en sprak: Zalig de ogen, die zien wat gij ziet.
24Dico enim vobis quod multi prophetæ et reges voluerunt videre quæ vos videtis, et non viderunt: et audire quæ auditis, et non audierunt.
24Ik zeg u: Vele profeten en koningen wensten te zien wat gij ziet, en ze zagen het niet; te horen wat gij hoort, en ze hoorden het niet.
25Et ecce quidam legisperitus surrexit tentans illum, et dicens: Magister, quid faciendo vitam æternam possidebo?
25En zie, een wetgeleerde stond op, om Hem op de proef te stellen, en sprak: Meester, wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?
26At ille dixit ad eum: In lege quid scriptum est? quomodo legis?
26Hij zei hem: Wat staat er in de Wet geschreven; wat leest ge daar?
27Ille respondens dixit: Diliges Dominum Deum tuum ex toto corde tuo, et ex tota anima tua, et ex omnibus virtutibus tuis, et ex omni mente tua: et proximum tuum sicut teipsum.
27Hij antwoordde: Gij zult den Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht, en met heel uw verstand: en uw naaste als uzelf.
28Dixitque illi: Recte respondisti: hoc fac, et vives.
28Hij zei hem: Ge hebt goed geantwoord; doe dit en ge zult leven.
29Ille autem volens justificare seipsum, dixit ad Jesum: Et quis est meus proximus?
29Maar daar hij de schijn wilde redden, sprak hij tot Jesus: En wie is mijn naaste?
30Suscipiens autem Jesus, dixit: Homo quidam descendebat ab Jerusalem in Jericho, et incidit in latrones, qui etiam despoliaverunt eum: et plagis impositis abierunt semivivo relicto.
30Jesus hernam, en sprak: Eens reisde een man van Jerusalem naar Jericho, en viel in handen van rovers; ze schudden hem uit, verwondden hem vreselijk, en lieten hem half dood achter.
31Accidit autem ut sacerdos quidam descenderet eadem via: et viso illo præterivit.
31Toevallig kwam een priester die weg langs; hij zag hem, en ging voorbij.
32Similiter et Levita, cum esset secus locum, et videret eum, pertransiit.
32Ook een leviet kwam er langs; hij zag hem, en ging voorbij.
33Samaritanus autem quidam iter faciens, venit secus eum: et videns eum, misericordia motus est.
33Maar ook een Samaritaan, die op reis was, kwam voorbij; hij zag hem, en kreeg medelijden.
34Et appropians alligavit vulnera ejus, infundens oleum et vinum: et imponens illum in jumentum suum, duxit in stabulum, et curam ejus egit.
34Hij ging er naar toe, verbond zijn wonden, en goot er olie en wijn op; daarna hief hij hem op zijn eigen lastdier, bracht hem naar een herberg, en zorgde voor hem.
35Et altera die protulit duos denarios, et dedit stabulario, et ait: Curam illius habe: et quodcumque supererogaveris, ego cum rediero reddam tibi.
35De volgende dag nam hij twee tienlingen, gaf ze den waard, en zeide: Blijf voor hem zorgen; en wat ge er meer aan besteedt, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden.
36Quis horum trium videtur tibi proximus fuisse illi, qui incidit in latrones?
36Wat dunkt u; wie van de drie is de naaste geweest van hem, die in de handen der rovers viel?
37At ille dixit: Qui fecit misericordiam in illum. Et ait illi Jesus: Vade, et tu fac similiter.
37Hij sprak: Hij, die hem barmhartigheid bewees. En Jesus zeide hem: Ga, en doe gij evenzo.
38Factum est autem, dum irent, et ipse intravit in quoddam castellum: et mulier quædam, Martha nomine, excepit illum in domum suam,
38Op hun reis kwam Hij ook in zeker dorp, waar een vrouw, Marta geheten, Hem in haar huis ontving.
39et huic erat soror nomine Maria, quæ etiam sedens secus pedes Domini, audiebat verbum illius.
39Ze had een zuster, Maria genaamd, die mede aan Jesus’ voeten zat, en luisterde naar zijn woord.
40Martha autem satagebat circa frequens ministerium: quæ stetit, et ait: Domine, non est tibi curæ quod soror mea reliquit me solam ministrare? dic ergo illi ut me adjuvet.
40Maar Marta was druk in de weer met bedienen. Ze kwam er een ogenblik bij staan, en sprak: Heer, is het U onverschillig, dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dus, dat ze me helpt.
41Et respondens dixit illi Dominus: Martha, Martha, sollicita es, et turbaris erga plurima,
41Maar de Heer gaf haar ten antwoord: Marta, Marta, over veel zijt ge bezorgd en bekommerd.
42porro unum est necessarium. Maria optimam partem elegit, quæ non auferetur ab ea.
42Slechts één ding is noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, dat haar niet zal ontnomen worden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.