Lucam 6
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Factum est autem in sabbato secundo, primo, cum transiret per sata, vellebant discipuli ejus spicas, et manducabant confricantes manibus.
1Eens ging Hij op een sabbat door een korenveld, en zijn leerlingen plukten aren af, wreven ze met de handen uit, en aten ze op.
2Quidam autem pharisæorum, dicebant illis: Quid facitis quod non licet in sabbatis?
2Enige farizeën zeiden dus: Waarom doet gij, wat op de sabbat niet is geoorloofd?
3Et respondens Jesus ad eos, dixit: Nec hoc legistis quod fecit David, cum esurisset ipse, et qui cum illo erant?
3Jesus gaf hun ten antwoord: Hebt ge dan niet gelezen, wat David deed, toen hij met zijn gevolg honger had?
4quomodo intravit in domum Dei, et panes propositionis sumpsit, et manducavit, et dedit his qui cum ipso erant: quos non licet manducare nisi tantum sacerdotibus?
4Hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam en opat, en er van gaf aan hen die bij hem waren? En toch mag niemand ze eten, dan de priesters alleen.
5Et dicebat illis: Quia dominus est Filius hominis etiam sabbati.
5Ook zeide Hij hun: De Mensenzoon is Heer van de sabbat.
6Factum est autem in alio sabbato, ut intraret in synagogam, et doceret. Et erat ibi homo, et manus ejus dextra erat arida.
6Op een andere sabbat ging Hij de synagoge binnen, om onderricht te geven. Daar was een man, wiens rechterhand was verdord.
7Observabant autem scribæ et pharisæi si in sabbato curaret, ut invenirent unde accusarent eum.
7De schriftgeleerden en farizeën bespiedden Hem, of Hij ook op de sabbat zou genezen, om Hem dan te kunnen beschuldigingen.
8Ipse vero sciebat cogitationes eorum: et ait homini qui habebat manum aridam: Surge, et sta in medium. Et surgens stetit.
8Daar Hij hun gedachten kende, sprak Hij tot den man met de verdorde hand: Sta op, en kom in het midden. Hij stond op, en ging er staan.
9Ait autem ad illos Jesus: Interrogo vos si licet sabbatis benefacere, an male: animam salvam facere, an perdere?
9Nu sprak Jesus tot hen: Ik vraag u, of men op de sabbat goed mag doen of kwaad, iemand redden of doden?
10Et circumspectis omnibus dixit homini: Extende manum tuam. Et extendit: et restituta est manus ejus.
10Hij liet zijn blik over hen allen gaan, en sprak tot hem: Strek uw hand uit! Hij strekte ze uit, en zijn hand was genezen.
11Ipsi autem repleti sunt insipientia, et colloquebantur ad invicem, quidnam facerent Jesu.
11Maar ze werden razend van woede, en bespraken onder elkander, wat ze Jesus zouden doen.
12Factum est autem in illis diebus, exiit in montem orare, et erat pernoctans in oratione Dei.
12In die dagen ging Hij het gebergte in, om te bidden, en bracht er de nacht door in het gebed tot God.
13Et cum dies factus esset, vocavit discipulos suos: et elegit duodecim ex ipsis (quos et apostolos nominavit):
13Toen de dag aanbrak, riep Hij zijn leerlingen bijeen, en koos er twaalf van hen uit, die Hij apostelen noemde:
14Simonem, quem cognominavit Petrum, et Andream fratrem ejus, Jacobum, et Joannem, Philippum, et Bartholomæum,
14Simon, dien Hij ook Petrus noemde, en Andreas, zijn broer; Jakobus en Johannes; Filippus en Bartolomeüs;
15Matthæum, et Thomam, Jacobum Alphæi, et Simonem, qui vocatur Zelotes,
15Matteüs en Tomas; Jakobus van Alfeüs, en Simon, bijgenaamd de ijveraar,
16et Judam Jacobi, et Judam Iscariotem, qui fuit proditor.
16Judas (broer) van Jakobus, en Judas Iskáriot, die een verrader werd.
17Et descendens cum illis, stetit in loco campestri, et turba discipulorum ejus, et multitudo copiosa plebis ab omni Judæa, et Jerusalem, et maritima, et Tyri, et Sidonis,
17Nu daalde Hij met hen af, en bleef op een vlakte staan. Daar bevond zich ook een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte uit heel Judea en Jerusalem, en uit het kustland van Tyrus en Sidon,
18qui venerant ut audirent eum, et sanarentur a languoribus suis. Et qui vexabantur a spiritibus immundis, curabantur.
18die gekomen waren, om Hem te horen en van hun kwalen genezen te worden. Allen, die door onreine geesten werden gekweld, werden genezen.
19Et omnis turba quærebat eum tangere: quia virtus de illo exibat, et sanabat omnes.
19En al het volk zocht Hem aan te raken; want er ging een kracht van Hem uit, die allen genas.
20Et ipse elevatis oculis in discipulis suis, dicebat: Beati pauperes, quia vestrum est regnum Dei.
20Nu sloeg Hij zijn ogen op naar zijn leerlingen, en sprak: Zalig gij armen; want aan u behoort het koninkrijk Gods.
21Beati qui nunc esuritis, quia saturabimini. Beati qui nunc fletis, quia ridebitis.
21Zalig gij, die thans honger lijdt; want gij zult worden verzadigd. Zalig gij, die nu weent; want gij zult lachen.
22Beati eritis cum vos oderint homines, et cum separaverint vos, et exprobraverint, et ejicerint nomen vestrum tamquam malum propter Filium hominis.
22Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten, u om den Mensenzoon uitbannen en honen, en smaad werpen op uw naam.
23Gaudete in illa die, et exsultate: ecce enim merces vestra multa est in cælo: secundum hæc enim faciebant prophetis patres eorum.
23Verheugt u op die dag en jubelt; zie, uw loon is groot in de hemel. Want zó hebben hun vaders de profeten behandeld.
24Verumtamen væ vobis divitibus, quia habetis consolationem vestram.
24Maar wee u, rijken; want gij hebt uw troost al ontvangen.
25Væ vobis, qui saturati estis: quia esurietis. Væ vobis, qui ridetis nunc: quia lugebitis et flebitis.
25Wee u, die thans zijt verzadigd; want gij zult honger lijden. Wee u, die nu lacht; want gij zult treuren en wenen.
26Væ cum benedixerint vobis homines: secundum hæc enim faciebant pseudoprophetis patres eorum.
26Wee u, wanneer alle mensen u prijzen; want zó hebben hun vaders met de valse profeten gedaan.
27Sed vobis dico, qui auditis: diligite inimicos vestros, benefacite his qui oderunt vos.
27Maar Ik zeg tot u, die naar Mij luistert: Bemint uw vijanden; doet wel aan die u haten;
28Benedicite maledicentibus vobis, et orate pro calumniantibus vos.
28zegent die u vloeken; bidt voor wie u lasteren.
29Et qui te percutit in maxillam, præbe et alteram. Et ab eo qui aufert tibi vestimentum, etiam tunicam noli prohibere.
29Wie u op de ene wang slaat, keer hem ook de andere toe; en wie u van de mantel berooft, weiger hem ook het onderkleed niet.
30Omni autem petenti te, tribue: et qui aufert quæ tua sunt, ne repetas.
30Geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis het uwe niet terug van hem, die het neemt.
31Et prout vultis ut faciant vobis homines, et vos facite illis similiter.
31En zoals ge wilt, dat de mensen u doen, doet het ook aan hen.
32Et si diligitis eos qui vos diligunt, quæ vobis est gratia? nam et peccatores diligentes se diligunt.
32Als gij bemint die u liefhebben, wat voor verdienste hebt gij dan wel? Want ook de zondaars hebben lief, die hen beminnen.
33Et si benefeceritis his qui vobis benefaciunt, quæ vobis est gratia? siquidem et peccatores hoc faciunt.
33Als gij weldoet aan hen die u weldoen, wat voor verdienste hebt gij dan wel? De zondaars doen dat immers ook.
34Et si mutuum dederitis his a quibus speratis recipere, quæ gratia est vobis? nam et peccatores peccatoribus fœnerantur, ut recipiant æqualia.
34En als gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets terug te krijgen, wat voor verdienste hebt gij dan wel? Ook de zondaars lenen aan zondaars, om evenveel terug te krijgen.
35Verumtamen diligite inimicos vestros: benefacite, et mutuum date, nihil inde sperantes: et erit merces vestra multa, et eritis filii Altissimi, quia ipse benignus est super ingratos et malos.
35Neen, hebt uw vijanden lief, doet wel en leent uit, zonder er iets voor terug te hopen; dan zal uw loon groot zijn, en zult gij kinderen zijn van den Allerhoogste. Hij is goedertieren, zelfs voor de ondankbaren en bozen.
36Estote ergo misericordes sicut et Pater vester misericors est.
36Weest dus barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.
37Nolite judicare, et non judicabimini: nolite condemnare, et non condemnabimini. Dimitte, et dimittemini.
37Oordeelt niet, en gij zult niet worden geoordeeld. Vonnist niet, en gij zult niet worden gevonnist. Spreekt vrij, en gij zult vrijgesproken worden.
38Date, et dabitur vobis: mensuram bonam, et confertam, et coagitatam, et supereffluentem dabunt in sinum vestrum. Eadem quippe mensura, qua mensi fueritis, remetietur vobis.
38Geeft, en u zal worden gegeven: een goede, volgestampte, geschudde en overlopende maat zal u in de schoot worden gestort. Want met de maat, waarmee ge meet, zal ook u worden gemeten.
39Dicebat autem illis et similitudinem: Numquid potest cæcus cæcum ducere? nonne ambo in foveam cadunt?
39Hij zei hun ook een gelijkenis. Kan een blinde een blinde leiden? Vallen dan beiden niet in een kuil?
40Non est discipulus super magistrum: perfectus autem omnis erit, si sit sicut magister ejus.
40Geen leerling staat boven den leraar; slechts de goedgevormde leerling zal als zijn leraar zijn.
41Quid autem vides festucam in oculo fratris tui, trabem autem, quæ in oculo tuo est, non consideras?
41Hoe ziet ge de splinter in het oog van uw broeder, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet?
42aut quomodo potes dicere fratri tuo: Frater, sine ejiciam festucam de oculo tuo: ipse in oculo tuo trabem non videns? Hypocrita, ejice primum trabem de oculo tuo: et tunc perspicies ut educas festucam de oculo fratris tui.
42Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter trekken uit uw ogen, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet? Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog; dan zult ge zien, hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken.
43Non est enim arbor bona, quæ facit fructus malos: neque arbor mala, faciens fructum bonum.
43Neen, er is geen goede boom, die slechte vruchten draagt; geen slechte boom, die goede vruchten draagt.
44Unaquæque enim arbor de fructu suo cognoscitur. Neque enim de spinis colligunt ficus: neque de rubo vindemiant uvam.
44Want iedere boom wordt aan zijn vruchten gekend; van doornen plukt men geen vijgen, en van een braambos snijdt men geen druiven.
45Bonus homo de bono thesauro cordis sui profert bonum: et malus homo de malo thesauro profert malum. Ex abundantia enim cordis os loquitur.
45De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart; maar de slechte mens brengt uit de slechte schat het slechte voort. Want de mond spreekt, waar het hart vol van is.
46Quid autem vocatis me Domine, Domine: et non facitis quæ dico?
46Waarom noemt gij Mij Heer, Heer; en gij doet niet wat Ik zeg?
47Omnis qui venit ad me, et audit sermones meos, et facit eos, ostendam vobis cui similis sit:
47Wie tot Mij komt en mijn woorden hoort, maar zich er ook naar gedraagt. Ik zal u tonen aan wien hij gelijk is.
48similis est homini ædificanti domum, qui fodit in altum, et posuit fundamentum super petram: inundatione autem facta, illisum est flumen domui illi, et non potuit eam movere: fundata enim erat super petram.
48Hij is gelijk aan een man, die een huis wilde bouwen, die graven en uitdiepen bleef, en de grondslag legde op de rots. Toen er nu een stortvloed kwam, beukte de stroom tegen dit huis; maar hij kon het niet doen wankelen, want het was stevig gebouwd.
49Qui autem audit, et non facit, similis est homini ædificanti domum suam super terram sine fundamento: in quam illisus est fluvius, et continuo cecidit: et facta est ruina domus illius magna.
49Maar wie hoort, en er niet naar handelt, is gelijk aan een man, die een huis zonder grondslag bouwde, boven op de grond. De stroom beukte er tegen aan; het huis viel aanstonds in, en werd geheel verwoest.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.