Lucam 18
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Dicebat autem et parabolam ad illos, quoniam oportet semper orare et non deficere,
1Hij zeide hun nog een gelijkenis over de noodzakelijkheid, om altijd te bidden, en nooit de moed te verliezen.
2dicens: Judex quidam erat in quadam civitate, qui Deum non timebat, et hominem non reverebatur.
2Hij sprak: In zekere stad was een rechter, die God niet vreesde, en zich aan de mensen niet stoorde.
3Vidua autem quædam erat in civitate illa, et veniebat ad eum, dicens: Vindica me de adversario meo.
3Ook was er een weduwe in die stad, die naar hem toe ging, en sprak: Verschaf me recht tegenover mijn tegenpartij.
4Et nolebat per multum tempus. Post hæc autem dixit intra se: Etsi Deum non timeo, nec hominem revereor:
4Een tijd lang wilde hij niet. Maar later zei hij bij zichzelf: Ofschoon ik God niet vrees en me aan de mensen niet stoor,
5tamen quia molesta est mihi hæc vidua, vindicabo illam, ne in novissimo veniens sugillet me.
5zal ik toch die weduwe maar recht doen, omdat ze mij lastig valt, en anders me eindeloos komt vervelen.
6Ait autem Dominus: Audite quid judex iniquitatis dicit:
6En de Heer sprak: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt.
7Deus autem non faciet vindictam electorum suorum clamantium ad se die ac nocte, et patientiam habebit in illis?
7En zou God dan aan zijn uitverkorenen geen recht doen, die dag en nacht tot Hem roepen? Of zou Hij ze lang laten wachten?
8Dico vobis quia cito faciet vindictam illorum. Verumtamen Filius hominis veniens, putas, inveniet fidem in terra?
8Ik zeg u: Hij zal hun recht doen met spoed. Maar zal de Mensenzoon bij zijn komst wel geloof op aarde vinden?
9Dixit autem et ad quosdam qui in se confidebant tamquam justi, et aspernabantur ceteros, parabolam istam:
9Nog sprak Hij deze gelijkenis tegen hen, die van eigen gerechtigheid overtuigd zijn, en anderen verachten.
10Duo homines ascenderunt in templum ut orarent: unus pharisæus et alter publicanus.
10Twee mensen gingen op naar de tempel, om er te bidden: de één was een farizeër, de ander een tollenaar.
11Pharisæus stans, hæc apud se orabat: Deus, gratias ago tibi, quia non sum sicut ceteri hominum: raptores, injusti, adulteri, velut etiam hic publicanus:
11De farizeër stond recht overeind, en bad bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben als de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar ginds.
12jejuno bis in sabbato, decimas do omnium quæ possideo.
12Ik vast tweemaal per week, en geef tienden van al wat ik bezit.
13Et publicanus a longe stans, nolebat nec oculos ad cælum levare: sed percutiebat pectus suum, dicens: Deus propitius esto mihi peccatori.
13Maar de tollenaar bleef op een afstand, en durfde zelfs zijn ogen niet ten hemel heffen; hij sloeg zich op de borst, en sprak: O God, wees mij, zondaar, genadig.
14Dico vobis, descendit hic justificatus in domum suam ab illo: quia omnis qui se exaltat, humiliabitur, et qui se humiliat, exaltabitur.
14Ik zeg u: Deze ging gerechtvaardigd naar huis, in plaats van den andere. Want wie zich verheft zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven worden.
15Afferebant autem ad illum et infantes, ut eos tangeret. Quod cum viderent discipuli, increpabant illos.
15Men bracht zelfs de kinderen naar Hem toe, opdat Hij ze aanraken zou. Toen de leerlingen dit zagen, wezen ze hen af.
16Jesus autem convocans illos, dixit: Sinite pueros venire ad me, et nolite vetare eos: talium est enim regnum Dei.
16Maar Jesus riep ze naar Zich toe, en sprak: Laat de kinderen bij Mij komen, en houdt ze niet tegen. Want het koninkrijk Gods is voor hen, die zijn zoals zij.
17Amen dico vobis, quicumque non acceperit regnum Dei sicut puer, non intrabit in illud.
17Voorwaar, Ik zeg u: Wie het koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er niet ingaan.
18Et interrogavit eum quidam princeps, dicens: Magister bone, quid faciens vitam æternam possidebo?
18Een heel voornaam man ondervroeg Hem, en sprak: Goede Meester, wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?
19Dixit autem ei Jesus: Quid me dicis bonum? nemo bonus nisi solus Deus.
19Jesus zeide hem: Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed, dan God alleen.
20Mandata nosti: non occides; non mœchaberis; non furtum facies; non falsum testimonium dices; honora patrem tuum et matrem.
20Ge kent de geboden: “Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doodslaan; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en moeder”.
21Qui ait: Hæc omnia custodivi a juventute mea.
21Hij antwoordde: Dit alles heb ik onderhouden reeds van mijn jeugd af
22Quo audito, Jesus ait ei: Adhuc unum tibi deest: omnia quæcumque habes vende, et da pauperibus, et habebis thesaurum in cælo: et veni, sequere me.
22Toen Jesus dit hoorde, zeide Hij hem: Eén ding ontbreekt u nog; verkoop wat ge bezit, geef het aan de armen, en ge zult een schat in de hemel bezitten. Kom dan, en volg Mij.
23His ille auditis, contristatus est: quia dives erat valde.
23Maar toen hij dit hoorde, werd hij bedroefd; want hij was zeer rijk.
24Videns autem Jesus illum tristem factum, dixit: Quam difficile, qui pecunias habent, in regnum Dei intrabunt !
24Toen Jesus zijn droefheid zag, zeide Hij: Hoe moeilijk zullen zij, die rijkdommen bezitten, het koninkrijk Gods binnengaan.
25facilius est enim camelum per foramen acus transire quam divitem intrare in regnum Dei.
25Een kameel gaat gemakkelijker door het oog van een naald, dan een rijke in het koninkrijk Gods.
26Et dixerunt qui audiebant: Et quis potest salvus fieri?
26De toehoorders zeiden: Wie kan dan zalig worden?
27Ait illis: Quæ impossibilia sunt apud homines, possibilia sunt apud Deum.
27Hij sprak: Wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God.
28Ait autem Petrus: Ecce nos dimisimus omnia et secuti sumus te.
28Toen zei Petrus: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
29Qui dixit eis: Amen dico vobis, nemo est qui reliquit domum, aut parentes, aut fratres, aut uxorem, aut filios propter regnum Dei,
29Hij zei hun: Voorwaar, Ik zeg u: Er is niemand, die huis, ouders of broers, vrouw of kinderen verlaat om het koninkrijk Gods,
30et non recipiat multo plura in hoc tempore, et in sæculo venturo vitam æternam.
30of hij zal veel meer terug ontvangen in deze tijd, en in de toekomstige wereld het eeuwige leven.
31Assumpsit autem Jesus duodecim, et ait illis: Ecce ascendimus Jerosolymam, et consummabuntur omnia quæ scripta sunt per prophetas de Filio hominis:
31Nu nam Hij het twaalftal ter zijde, en sprak tot hen: Zie, wij gaan op naar Jerusalem; en alles wat door de profeten over den Mensenzoon is geschreven, zal worden vervuld.
32tradetur enim gentibus, et illudetur, et flagellabitur, et conspuetur:
32Want Hij zal worden overgeleverd aan de heidenen; Hij zal worden bespot, mishandeld, bespuwd.
33et postquam flagellaverint, occident eum, et tertia die resurget.
33Men zal Hem geselen en doden; maar op de derde dag zal Hij verrijzen.
34Et ipsi nihil horum intellexerunt, et erat verbum istud absconditum ab eis, et non intelligebant quæ dicebantur.
34Ze begrepen er niets van; dit woord bleef hun duister, en ze verstonden niet wat er gezegd werd.
35Factum est autem, cum appropinquaret Jericho, cæcus quidam sedebat secus viam, mendicans.
35Toen Hij nu Jericho naderde, zat er een blinde te bedelen langs de weg.
36Et cum audiret turbam prætereuntem, interrogabat quid hoc esset.
36Hij hoorde de menigte voorbijgaan, en vroeg, wat er gebeurde.
37Dixerunt autem ei quod Jesus Nazarenus transiret.
37Men vertelde hem, dat Jesus van Názaret voorbijkwam.
38Et clamavit, dicens: Jesu, fili David, miserere mei.
38Toen riep hij luide: Jesus, Zoon van David, ontferm U mijner.
39Et qui præibant, increpabant eum ut taceret. Ipse vero multo magis clamabat: Fili David, miserere mei.
39Zij, die vooropgingen, vielen ruw tegen hem uit, om hem tot zwijgen te brengen. Maar hij riep nog harder: Zoon van David, ontferm U mijner.
40Stans autem Jesus jussit illum adduci ad se. Et cum appropinquasset, interrogavit illum,
40Jesus bleef staan, en liet hem bij Zich brengen. En toen hij genaderd was, vroeg Hij hem:
41dicens: Quid tibi vis faciam? At ille dixit: Domine, ut videam.
41Wat wilt ge, dat Ik voor u doe? Hij sprak: Heer, dat ik zien zal!
42Et Jesus dixit illi: Respice, fides tua te salvum fecit.
42Jesus zeide hem: Zie! Uw geloof heeft u gered.
43Et confestim vidit, et sequebatur illum magnificans Deum. Et omnis plebs ut vidit, dedit laudem Deo.
43En aanstonds zag hij, volgde Hem, en verheerlijkte God. Al het volk zag het, en bracht glorie aan God.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.