Lucam 21
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Respiciens autem, vidit eos qui mittebant munera sua in gazophylacium, divites.
1Toen Hij nu opkeek, zag Hij de rijken hun giften in de offerkist storten.
2Vidit autem et quamdam viduam pauperculam mittentem æra minuta duo.
2Maar Hij zag ook een arme weduwe, die er twee penningen in wierp.
3Et dixit: Vere dico vobis, quia vidua hæc pauper plus quam omnes misit.
3En Hij sprak: Voorwaar, Ik zeg u: deze arme weduwe heeft er meer in gestort dan alle anderen.
4Nam omnes hi ex abundanti sibi miserunt in munera Dei: hæc autem ex eo quod deest illi, omnem victum suum quem habuit, misit.
4Want allen hebben van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede gegeven, heel haar vermogen.
5Et quibusdam dicentibus de templo quod bonis lapidibus et donis ornatum esset, dixit:
5Toen sommigen van de tempel zeiden, dat hij versierd was met prachtige stenen en geschenken, sprak Hij:
6Hæc quæ videtis, venient dies in quibus non relinquetur lapis super lapidem, qui non destruatur.
6Er zullen dagen komen, dat van al wat ge daar ziet, geen steen op de andere zal blijven, maar alles zal worden verwoest.
7Interrogaverunt autem illum, dicentes: Præceptor, quando hæc erunt, et quod signum cum fieri incipient?
7Ze vroegen Hem: Meester, wanneer zal dat gebeuren, en wat zal het teken zijn, dat het op handen is?
8Qui dixit: Videte ne seducamini: multi enim venient in nomine meo, dicentes quia ego sum: et tempus appropinquavit: nolite ergo ire post eos.
8Hij sprak: Past op, dat gij u niet laat misleiden! Want velen zullen met mijn Naam optreden, en zeggen: Ik ben het; en de tijd is nabij. Gaat hen niet achterna.
9Cum autem audieritis prælia et seditiones, nolite terreri: oportet primum hæc fieri, sed nondum statim finis.
9En wanneer gij hoort van oorlogen en omwentelingen, schrikt er niet van; want eerst moet dit alles gebeuren, en ook dan nog komt het einde niet dadelijk.
10Tunc dicebat illis: Surget gens contra gentem, et regnum adversus regnum.
10Toen zeide Hij hun: Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk;
11Et terræmotus magni erunt per loca, et pestilentiæ, et fames, terroresque de cælo, et signa magna erunt.
11en er zullen geweldige aardbevingen zijn, en pest en hongersnood op verschillende plaatsen; verschrikkingen zullen er komen, en grote tekenen aan de hemel.
12Sed ante hæc omnia injicient vobis manus suas, et persequentur tradentes in synagogas et custodias, trahentes ad reges et præsides propter nomen meum:
12Maar eer dit alles geschiedt, zal men de hand aan u slaan en u vervolgen; u in synagogen en kerkers brengen, u slepen voor koningen en landvoogden terwille van mijn Naam.
13continget autem vobis in testimonium.
13Dat zal u overkomen, omdat gij getuigenis afleggen moet.
14Ponite ergo in cordibus vestris non præmeditari quemadmodum respondeatis:
14Neemt dan bij uzelf het besluit, er niet bezorgd voor te zijn, hoe gij u verdedigen zult.
15ego enim dabo vobis os et sapientiam, cui non poterunt resistere et contradicere omnes adversarii vestri.
15Want Ik zal u een taal en wijsheid geven, die geen uwer tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.
16Trademini autem a parentibus, et fratribus, et cognatis, et amicis, et morte afficient ex vobis:
16Gij zult overgeleverd worden door ouders en broers, door bloedverwanten en vrienden; sommigen van u zal men doden.
17et eritis odio omnibus propter nomen meum:
17En gij zult gehaat zijn bij allen terwille van mijn Naam;
18et capillus de capite vestro non peribit.
18maar geen haar op uw hoofd zal verloren gaan.
19In patientia vestra possidebitis animas vestras.
19Door uw standvastigheid zult gij uw ziel behouden.
20Cum autem videritis circumdari ab exercitu Jerusalem, tunc scitote quia appropinquavit desolatio ejus:
20Wanneer gij Jerusalem door legers ziet ingesloten, weet dan, dat haar verwoesting nabij is.
21tunc qui in Judæa sunt, fugiant ad montes, et qui in medio ejus, discedant: et qui in regionibus, non intrent in eam,
21Laten zij, die in Judea zijn, dan naar de bergen vluchten; die binnen de stad zijn, er uittrekken, en die op het land zijn, er niet binnengaan.
22quia dies ultionis hi sunt, ut impleantur omnia quæ scripta sunt.
22Want dat zijn dagen van wraak; en alles wat er geschreven staat, zal in vervulling gaan.
23Væ autem prægnantibus et nutrientibus in illis diebus ! erit enim pressura magna super terram, et ira populo huic.
23Wee in die dagen de zwangere en de zogende vrouwen. Want daar zal grote ellende zijn in het land, en toorn over dit volk.
24Et cadent in ore gladii, et captivi ducentur in omnes gentes, et Jerusalem calcabitur a gentibus, donec impleantur tempora nationum.
24Ze zullen over de kling worden gejaagd, en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jerusalem zal door de heidenen worden vertrapt, tot de tijden der heidenen voorbij zullen zijn.
25Et erunt signa in sole, et luna, et stellis, et in terris pressura gentium præ confusione sonitus maris, et fluctuum:
25En er zullen tekenen zijn in zon en maan en sterren; en op de aarde doodsangst onder de volken, radeloos door het donderend geweld van de zee en de golven.
26arescentibus hominibus præ timore, et exspectatione, quæ supervenient universo orbi: nam virtutes cælorum movebuntur:
26De mensen zullen verstijven van vrees en bange verwachting, van wat de wereld gaat overkomen; want de krachten der hemelen zullen worden geschokt.
27et tunc videbunt Filium hominis venientem in nube cum potestate magna et majestate.
27Dan zullen ze den Mensenzoon op een wolk zien komen, met grote macht en majesteit.
28His autem fieri incipientibus, respicite, et levate capita vestra: quoniam appropinquat redemptio vestra.
28Welnu, wanneer dit alles een aanvang gaat nemen, blikt op dan, en heft uw hoofden omhoog; want uw verlossing is nabij.
29Et dixit illis similitudinem: Videte ficulneam, et omnes arbores:
29En Hij stelde hun een gelijkenis voor: Ziet naar de vijgeboom en alle andere bomen;
30cum producunt jam ex se fructum, scitis quoniam prope est æstas.
30zodra gij ze ziet uitbotten, dan weet gij ook, dat de zomer nabij is.
31Ita et vos cum videritis hæc fieri, scitote quoniam prope est regnum Dei.
31Zo ook, wanneer gij dit alles ziet, weet dan, dat het koninkrijk Gods nabij is.
32Amen dico vobis, quia non præteribit generatio hæc, donec omnia fiant.
32Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht gaat niet voorbij, vóórdat dit alles is geschied.
33Cælum et terra transibunt: verba autem mea non transibunt.
33Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
34Attendite autem vobis, ne forte graventur corda vestra in crapula, et ebrietate, et curis hujus vitæ, et superveniat in vos repentina dies illa:
34Let op uzelf. Laat uw harten niet worden bezwaard door brasserij, dronkenschap en de zorgen des levens; en laat die dag u niet onverhoeds overvallen,
35tamquam laqueus enim superveniet in omnes qui sedent super faciem omnis terræ.
35als een strik. Want hij zal komen over allen, die de ganse aarde bewonen.
36Vigilate itaque, omni tempore orantes, ut digni habeamini fugere ista omnia quæ futura sunt, et stare ante Filium hominis.
36Waakt dus, en blijft altijd bidden, opdat gij ontkomen moogt aan dat alles, wat er gebeuren gaat; en opdat gij stand moogt houden voor het aanschijn van den Mensenzoon.
37Erat autem diebus docens in templo: noctibus vero exiens, morabatur in monte qui vocatur Oliveti.
37Overdag gaf Hij onderricht in de tempel, maar ‘s nachts ging Hij heen en bleef op de berg, die Olijfberg wordt genoemd.
38Et omnis populus manicabat ad eum in templo audire eum.
38En al het volk kwam ‘s morgens vroeg bij Hem in de tempel, om Hem te horen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.