Evangelo Di S. Luca 21
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1OR Gesù , riguardando, vide i ricchi che gettavano i lor doni nella cassa delle offerte.
1Toen Hij nu opkeek, zag Hij de rijken hun giften in de offerkist storten.
2Vide ancora una vedova poveretta, la qual vi gettava due piccioli.
2Maar Hij zag ook een arme weduwe, die er twee penningen in wierp.
3E disse: Io vi dico in verità, che questa povera vedova ha gettato più di tutti gli altri.
3En Hij sprak: Voorwaar, Ik zeg u: deze arme weduwe heeft er meer in gestort dan alle anderen.
4Perciocchè tutti costoro hanno gettato nelle offerte di Dio di ciò che soprabbonda loro; ma costei vi ha gettato della sua inopia, tutta la sostanza ch'ella avea.
4Want allen hebben van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede gegeven, heel haar vermogen.
5POI appresso, dicendo alcuni del tempio, ch'esso era adorno di belle pietre, e d'offerte, egli disse:
5Toen sommigen van de tempel zeiden, dat hij versierd was met prachtige stenen en geschenken, sprak Hij:
6Quant'è a queste cose che voi riguardate, verranno i giorni, che non sarà lasciata pietra sopra pietra che non sia diroccata.
6Er zullen dagen komen, dat van al wat ge daar ziet, geen steen op de andere zal blijven, maar alles zal worden verwoest.
7Ed essi lo domandarono, dicendo: Maestro, quando avverranno dunque queste cose? e qual sarà il segno del tempo, nel qual queste cose devono avvenire?
7Ze vroegen Hem: Meester, wanneer zal dat gebeuren, en wat zal het teken zijn, dat het op handen is?
8Ed egli disse: Guardate che non siate sedotti; perciocchè molti verranno sotto il mio nome, dicendo: Io son desso ; e: Il tempo è giunto. Non andate adunque dietro a loro.
8Hij sprak: Past op, dat gij u niet laat misleiden! Want velen zullen met mijn Naam optreden, en zeggen: Ik ben het; en de tijd is nabij. Gaat hen niet achterna.
9Ora, quando udirete guerre, e turbamenti, non siate spaventati; perciocchè conviene che queste cose avvengano prima; ma non però subito appresso sarà la fine.
9En wanneer gij hoort van oorlogen en omwentelingen, schrikt er niet van; want eerst moet dit alles gebeuren, en ook dan nog komt het einde niet dadelijk.
10Allora disse loro: Una gente si leverà contro all'altra gente, ed un regno contro all'altro.
10Toen zeide Hij hun: Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk;
11E in ogni luogo vi saranno gran tremoti, e fami, e pestilenze; vi saranno eziandio de' prodigi spaventevoli, e dei gran segni dal cielo.
11en er zullen geweldige aardbevingen zijn, en pest en hongersnood op verschillende plaatsen; verschrikkingen zullen er komen, en grote tekenen aan de hemel.
12Ma, avanti tutte queste cose, metteranno le mani sopra voi, e vi perseguiranno, dando vi in man delle raunanze, e mettendo vi in prigione; traendo vi ai re, ed a' rettori, per lo mio nome.
12Maar eer dit alles geschiedt, zal men de hand aan u slaan en u vervolgen; u in synagogen en kerkers brengen, u slepen voor koningen en landvoogden terwille van mijn Naam.
13Ma ciò vi riuscirà in testimonianza.
13Dat zal u overkomen, omdat gij getuigenis afleggen moet.
14Mettetevi adunque in cuore di non premeditar come risponderete a vostra difesa.
14Neemt dan bij uzelf het besluit, er niet bezorgd voor te zijn, hoe gij u verdedigen zult.
15Perciocchè io vi darò bocca, e sapienza, alla quale non potranno contradire, nè contrastare tutti i vostri avversari.
15Want Ik zal u een taal en wijsheid geven, die geen uwer tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.
16Or voi sarete traditi, eziandio da padri, e da madri, e da fratelli, e da parenti, e da amici; e ne faran morir di voi.
16Gij zult overgeleverd worden door ouders en broers, door bloedverwanten en vrienden; sommigen van u zal men doden.
17E sarete odiati da tutti per lo mio nome.
17En gij zult gehaat zijn bij allen terwille van mijn Naam;
18Ma pure un capello del vostro capo non perirà.
18maar geen haar op uw hoofd zal verloren gaan.
19Possederete le anime vostre per la vostra pazienza.
19Door uw standvastigheid zult gij uw ziel behouden.
20ORA, quando vedrete Gerusalemme circondata d'eserciti, sappiate che allora la sua distruzione è vicina.
20Wanneer gij Jerusalem door legers ziet ingesloten, weet dan, dat haar verwoesting nabij is.
21Allora coloro che saranno nella Giudea fuggano a' monti; e coloro che saranno dentro d'essa dipartansi; e coloro che saranno su per li campi non entrino in essa.
21Laten zij, die in Judea zijn, dan naar de bergen vluchten; die binnen de stad zijn, er uittrekken, en die op het land zijn, er niet binnengaan.
22Perciocchè que' giorni saranno giorni di vendetta; acciocchè tutte le cose che sono scritte sieno adempiute.
22Want dat zijn dagen van wraak; en alles wat er geschreven staat, zal in vervulling gaan.
23Ora, guai alle gravide, ed a quelle che latteranno a que' dì! perciocchè vi sarà gran distretta nel paese, ed ira sopra questo popolo.
23Wee in die dagen de zwangere en de zogende vrouwen. Want daar zal grote ellende zijn in het land, en toorn over dit volk.
24E caderanno per lo taglio della spada, e saranno menati in cattività fra tutte le genti; e Gerusalemme sarà calpestata da' Gentili, finchè i tempi de' Gentili sieno compiuti.
24Ze zullen over de kling worden gejaagd, en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jerusalem zal door de heidenen worden vertrapt, tot de tijden der heidenen voorbij zullen zijn.
25POI appresso, vi saranno segni nel sole, e nella luna, e nelle stelle; e in terra, angoscia delle genti con ismarrimento; rimbombando il mare e il fiotto;
25En er zullen tekenen zijn in zon en maan en sterren; en op de aarde doodsangst onder de volken, radeloos door het donderend geweld van de zee en de golven.
26gli uomini, spasimando di paura, e d'aspettazion delle cose che sopraggiungeranno al mondo; perciocchè le potenze de' cieli saranno scrollate.
26De mensen zullen verstijven van vrees en bange verwachting, van wat de wereld gaat overkomen; want de krachten der hemelen zullen worden geschokt.
27Ed allora vedranno il Figliuol dell'uomo venire in una nuvola, con potenza, e gran gloria.
27Dan zullen ze den Mensenzoon op een wolk zien komen, met grote macht en majesteit.
28Ora, quando queste cose cominceranno ad avvenire, riguardate ad alto, e alzate le vostre teste; perciocchè la vostra redenzione è vicina.
28Welnu, wanneer dit alles een aanvang gaat nemen, blikt op dan, en heft uw hoofden omhoog; want uw verlossing is nabij.
29E disse loro una similitudine: Riguardate il fico, e tutti gli alberi.
29En Hij stelde hun een gelijkenis voor: Ziet naar de vijgeboom en alle andere bomen;
30Quando già hanno germogliato, voi, veggendolo, riconoscete da voi stessi che già la state è vicina.
30zodra gij ze ziet uitbotten, dan weet gij ook, dat de zomer nabij is.
31Così ancora voi, quando vedrete avvenir queste cose, sappiate che il regno di Dio è vicino.
31Zo ook, wanneer gij dit alles ziet, weet dan, dat het koninkrijk Gods nabij is.
32Io vi dico in verità, che questa età non passerà, finchè tutte queste cose non sieno avvenute.
32Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht gaat niet voorbij, vóórdat dit alles is geschied.
33Il cielo e la terra passeranno; ma le mie parole non passeranno.
33Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
34OR guardatevi, che talora i vostri cuori non sieno aggravati d'ingordigia, nè d'ebbrezza, nè delle sollecitudini di questa vita; e che quel giorno di subito improvviso non vi sopravvenga.
34Let op uzelf. Laat uw harten niet worden bezwaard door brasserij, dronkenschap en de zorgen des levens; en laat die dag u niet onverhoeds overvallen,
35Perciocchè, a guisa di laccio, egli sopraggiungerà a tutti coloro che abitano sopra la faccia di tutta la terra.
35als een strik. Want hij zal komen over allen, die de ganse aarde bewonen.
36Vegliate adunque, orando in ogni tempo, acciocchè siate reputati degni di scampar tutte le cose che devono avvenire; e di comparire davanti al Figliuol dell'uomo.
36Waakt dus, en blijft altijd bidden, opdat gij ontkomen moogt aan dat alles, wat er gebeuren gaat; en opdat gij stand moogt houden voor het aanschijn van den Mensenzoon.
37Or di giorno egli insegnava nel tempio, e le notti, uscito fuori, dimorava in sul monte detto degli Ulivi.
37Overdag gaf Hij onderricht in de tempel, maar ‘s nachts ging Hij heen en bleef op de berg, die Olijfberg wordt genoemd.
38E tutto il popolo, la mattina a buon'ora, veniva a lui, nel tempio, per udirlo.
38En al het volk kwam ‘s morgens vroeg bij Hem in de tempel, om Hem te horen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.