Nehemia 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen de muur was voltooid, liet ik ook de deuren aanbrengen, en werden er poortwachters aangesteld, tegelijk met de zangers en levieten.
1Коли мур був уже готовий, і я повставляв двері, та коли були понаставляні на свою службу воротарі, і сьпівцї, й левіти,
2Ik droeg het bestuur van Jerusalem op aan Chanáni, mijn broer, en aan Chananja, den bevelhebber van de burcht, daar deze boven veel anderen betrouwbaar was en een godvrezend man.
2Тодї звелїв я мойму братові Хананї і начальникові Ерусалимської твердинї Хананїєві, (бо він був більше за багатьох инчих чоловік вірний і богобоязливий),
3Ik zeide tot hen: De poorten van Jerusalem mogen niet worden geopend, eer de zon al warm is geworden, en terwijl ze nog aan de hemel staat, moeten de deuren worden gesloten en gegrendeld; dan moet gij de bewoners van Jerusalem als wachten uitzetten, iedereen op zijn eigen post en tegenover zijn huis.
3І сказав я їм: Нехай не відчиняють воріт Ерусалимських, покіль не загріє сонце, й доки ще стоять (при роботї), нехай замикають і засовують двері. І поставив я сторожами осадників Ерусалимських, кожного на свою сторожу і кожного проти свого дому.
4Ofschoon de stad veel ruimte bood en groot van omvang was, woonde er maar weinig volk, en werden er geen huizen gebouwd.
4Але місто було просторне й велике, а народа в йому було небагато, й доми не були побудовані.
5Daarom gaf God het mij in, de edelen, voormannen en het volk volgens hun geslachtsregister bijeen te trekken. Bij deze gelegenheid vond ik het geslachtsregister van hen, die het eerst waren opgetrokken; en ik vond daar geschreven:
5І поклав менї Бог мій на серце зібрати старшин та значнїйших, і народ, щоб їх перелїчити. І знайшов я родопись тих, що прийшли переднїйше, а в їй написано:
6Dit zijn de bewoners der provincie, die weg getrokken zijn uit de ballingschap, waarheen Nabukodonosor, de koning van Babel, hen had weggevoerd, en die zijn teruggekeerd naar Jerusalem en Juda, iedereen naar zijn eigen stad.
6Оце сини країни, що пійшли з бранцїв, переселених Навуходонозором, царем Вавилонським, і вернулись в Ерусалим та в Юдею, кожний в своє місто, —
7Het zijn zij, die teruggekomen zijn met Zorobabel, Jesjóea, Nechemja, Azarja, Raämja, Nachamáni, Mordokai, Bilsjan, Mispéret, Bigwai, Nechoem en Baäna. Het aantal mannen uit het volk van Israël was als volgt:
7Ті, що пійшли з Зоровавелем, Ісусом, Неємією, Азарією, Раамією, Нахманїєм, Мардохеєм, Білшаном, Мисферетом, Бігваєм, Нехумом, Бааною. Число людей народа Ізрайлевого:
8De zonen van Parosj, een en twintighonderd twee en zeventig man;
8Синів Парошових дві тисячі сто сїмдесять два.
9de zonen van Sje fatja, driehonderd twee en zeventig;
9Синів Сафатіїних триста сїмдесять два.
10de zonen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
10Синів Арахових шістьсот пятьдесять два.
11de zonen van Pachat-Moab, de zonen namelijk van Jesjóea en Joab, acht en twintighonderd en achttien;
11Синів Пахат-Моабових, із синів Ісусових і Йоабових, дві тисячі вісїмсот вісїмнайцять.
12de zonen van Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
12Синів Еламових тисяча двістї пятьдесять чотири.
13de zonen van Zattoe, achthonderd vijf en veertig;
13Синів Затту вісїмсот сорок пять.
14de zonen van Zakkai, zevenhonderd zestig;
14Синів Закхайових сїмсот шістьдесять.
15de zonen van Binnoej, zeshonderd acht en veertig;
15Синів Биннуйових шістьсот сорок вісїм.
16de zonen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
16Синів Бевайових шістьсот двайцять вісїм.
17de zonen van Azgad, drie en twintighonderd twee en twintig;
17Синів Азгадових дві тисячі триста двайцять два.
18de zonen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
18Синів Адоникамових шістьсот шістьдесять сїм.
19de zonen van Bigwai, tweeduizend zeven en zestig;
19Синів Бігвайових дві тисячі шістьсот сїм.
20de zonen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;
20Синів Адинових шістьсот пятьдесять пять.
21de zonen van Ater, uit de familie Chizki-ja, acht en negentig;
21Синів Атерових із дому Езекії девятьдесять вісїм.
22de zonen van Chasjoem, driehonderd acht en twintig;
22Синів Хашумових триста двайцять вісїм.
23de zonen van Besai, driehonderd vier en twintig;
23Синів Вецайових триста двайцять чотири.
24de zonen van Charif, honderd twaalf;
24Синів Харифових сто дванайцять.
25de zonen van Gibon, vijf en negentig;
25Тих, що родом з Габаону, девятьдесять пять.
26de burgers van Betlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
26Осадників Бетлеєма й Нетофи сто вісїмдесять вісїм.
27de burgers van Anatot, honderd acht en twintig;
27Осадників Анатота сто двайцять вісїм.
28de burgers van Bet-Azmáwet, twee en veertig;
28Осадників Бет-Азмавета сорок два.
29de burgers van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot, zevenhonderd drie en veertig;
29Осадників Каріятярима, Кефіри і Беерота сїмсот сорок три.
30de burgers van Rama en Géba, zeshonderd een en twintig;
30Осадників Рами і Геви шістьсот двайцять один.
31de burgers van Mikmas, honderd twee en twintig;
31Осадників Михмаса сто двайцять два.
32de burgers van Betel en Ai, honderd drie en twintig;
32Осадників Бетеля й Гая сто двайцять три.
33de burgers van het andere Nebo, twee en vijftig;
33Осадників другого Нево пятьдесять два.
34de zonen van den anderen Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
34Синів другого Елама тисяча двістї пятьдесять чотири.
35de zonen van Charim, driehonderd twintig;
35Синів Харимових триста двайцять.
36de burgers van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
36Тих, що родом із Ерихону, триста сорок пять.
37de burgers van Lod, Chadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
37Тих, що родом із Лода, Хадида й Оно, сїмсот двайцять один.
38de zonen van Senaä, negen en dertighonderd dertig.
38Тих, що родом із Сенаї, три тисячі девятьсот трийцять.
39De priesters: de zonen van Jedaja, uit het geslacht van Jesjóea, telden negenhonderd drie en zeventig man;
39Сьвященників, синів Едаїї, з дому Ісусового, девятьсот сїмдесять три.
40de zonen van Immer, duizend twee en vijftig;
40Синів Іммерових тисяча пятьдесять два.
41de zonen van Pasjchoer, twaalfhonderd zeven en veertig;
41Синів Пашхурових тисяча двістї сорок сїм.
42de zonen van Charim, duizend zeventien.
42Синів Харимових тисяча сїмнайцять.
43De levieten: de zonen van Jesjóea, Kadmiël en Hodeja telden vier en zeventig man.
43Левітів: синів Ісусових, із дому Кадмиїлового, з дому синів Годеви, сїмдесять чотири.
44De zangers: de zonen van Asaf telden honderd acht en veertig man.
44Сьпівцїв: синів Асафових сто сорок вісїм.
45De poortwachters: de zonen van Sjalloem, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkoeb, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai telden honderd acht en dertig man.
45Воротарі: сини Шаллумові, сини Атерові, сини Талмонові, сини Аккувові, сини Хатитині, сини Шовайові — сто трийцять вісїм.
46De tempelknechten waren: de zonen van Sicha; de zonen van Chasoefa; de zonen van Tabbaot;
46Нетинеї: сини Зіхині, сина Хасуфині, сини Таббаотові,
47de zonen van Keros; de zonen van Sia; de zonen van Padon;
47Сини Киросові, сини Сіїні, сини Фадонові,
48de zonen van Lebana; de zonen van Chagaba; de zonen van Salmai;
48Сини Леванині, сини Хагавині, сини Салмайові,
49de zonen van Chanan; de zonen van Giddel; de zonen van Gáchar;
49Сини Хананові, сини Гідделові, сини Гахарові,
50de zonen van Reaja; de zonen van Resin; de zonen van Nekoda;
50Сини Реаїїні, сини Резинові, сини Некодині,
51de zonen van Gazzam; de zonen van Oezza; de zonen van Paséach;
51Сини Газзамові, сини Уззині, сини Пасеахові,
52de zonen van Besai; de zonen van Meoenim; de zonen van Nefoesjesim;
52Сини Весайові, сини Меунимові, сини Нефишсимові,
53de zonen van Bakboek; de zonen van Chakoefa; de zonen van Charchoer;
53Сини Ваквукові, сини Хакуфині, сини Хархурові,
54de zonen van Basloet; de zonen van Mechida; de zonen van Charsja;
54Сини Вазлитові, сини Мехидині, сини Харшині,
55de zonen van Barkos; de zonen van Sisera; de zonen van Támach;
55Сини Варкосові, сини Сисарині, сини Тамахові,
56de zonen van Nesiach; de zonen van Chatifa.
56Сини Незіяхові, сини Хатифині,
57De zonen van Salomons slaven waren: de zonen van Sotai; de zonen van Soféret; de zonen van Perida;
57Сини слуг Соломонових: сини Сотайові, сини Соферетові, сини Феридині,
58de zonen van Jaäla; de zonen van Darkon; de zonen van Giddel;
58Сини Яалині, сини Дарконові, сини Гідделові,
59de zonen van Sjefatja; de zonen van Chattil; de zonen van Pokéret-Hassebajim; de zonen van Amon.
59Сини Сафатіїні, сини Хаттилові, сини Похерет-Газеваїмові, сини Амонові.
60De tempelknechten telden met de zonen van Salomons slaven tezamen driehonderd twee en negentig man.
60Усїх нетинеїв і синів слуг Соломонових триста девятьдесять два.
61De volgenden zijn wel mee opgetrokken uit Tel-Mélach, Tel- Charsja, Keroeb, Addon en Immer, maar ze konden hun familie- en stamboom niet overleggen als bewijs, dat zij tot Israël behoorden.
61А ось ті, що вийшли з Телмелаха, Телхарші, Херув-Аддона та Іммера, але вони не могли вказати на дім батьків своїх і на племя своє, чи вони від Ізраїля.
62Het waren: De zonen van Delaja; de zonen van Tobi-ja; de zonen van Nekoda: zeshonderd twee en veertig man.
62Сини Делаїїні, сини Товіїні, сини Некодині — шістьсот сорок два.
63Uit de priesters: de zonen van Chobaja; de zonen van Hakkos; de zonen van Barzillai, die getrouwd was met een dochter van Barzillai, en naar hem werd genoemd.
63А з сьвященників: сини Ховаїїні, сини Гаккозові, сини Берзеллїйові, що взяв жінку з дочок Берзеллїя Галаадїя, і став зватись їх іменням.
64Daar zij, hoe ze ook zochten, hun geslachtsregister niet konden vinden, werden ze van de priesterlijke bediening uitgesloten,
64Вони шукали своєї родописї, та не знайшлась, і через те вилучено їх від сьвященства.
65en verbood hun de landvoogd, van de allerheiligste spijzen te eten, totdat er een priester met de Oerim en Toemmim zou optreden.
65І Тиршата сказав їм, щоб вони не їли великих сьвятощів, доки не настане сьвященник із урімом і туммімом.
66De hele gemeente bestond uit twee en veertig duizend driehonderd zestig personen.
66Усієї громади вкупі було сорок дві тисячі триста шістьдесять чоловіка,
67Hierbij kwamen nog zevenduizend driehonderd zeven en dertig slaven en slavinnen, en tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.
67Окрім невольників їх та невольниць їх; а сих було сїм тисяч триста трийцять сїм; між ними сьпівцїв та сьпівачок двістї сорок пять,
68-
68Коней було в їх сїмсот трийцять шість, мулів в їх — двістї сорок пять,
69Er waren vierhonderd vijf en dertig kamelen, en zesduizend zevenhonderd twintig ezels.
69Верблюдів чотиріста трийцять пять, ослів шість тисяч сїмсот двайцять.
70Sommige familiehoofden schonken een som, die voor de eredienst was bestemd. De landvoogd gaf voor het fonds: duizend drachmen aan goud, vijftig plengschalen en vijfhonderd dertig priestergewaden.
70Декотрі старшини в поколїннях причинились до роботи: Тиршата дав у скарбницю золотом тисячу драхм, пятьдесять чаш, і пятьсот трийцять риз сьвященницьких.
71Enige familiehoofden gaven voor het fonds, dat voor de eredienst was bestemd: twintigduizend drachmen aan goud, en twee en twintighonderd mina aan zilver.
71Тай инші старшини в поколїннях зложили в скарбівню на роботи двайцять тисяч драхм золота й дві тисячі двістї мін срібла.
72De rest van het volk gaf: twintigduizend drachmen aan goud, tweeduizend mina aan zilver, en zeven en zestig priestergewaden.
72А прочі з народу дали двайцять тисяч драхм золота та дві тисячі мін срібла й шістьдесять сїм риз сьвященницьких.
73Daarna gingen de priesters, de levieten, de poortwachters, de zangers, met een deel van het volk en de tempelknechten zich te Jerusalem vestigen, en de rest van Israël in hun steden. Toen de kinderen Israëls zich in hun steden hadden gevestigd, brak de zevende maand aan.
73І стали жити священники й левіти; воротарі й сьпівцї, народ і нетинеї, й ввесь Ізраїль по містах своїх.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.