Nehemia 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1De leiders van het volk vestigden zich te Jerusalem. De rest van het volk wierp het lot, om een tiende deel aan te wijzen, dat zich in Jerusalem, de heilige stad, moest vestigen, terwijl de negen andere tienden in de overige steden konden wonen.
1І жили старшини народу в Ерусалимі, прочі ж із народу кинули жереби, щоб одна десята часть їх ійшла жити в сьвяте місто Ерусалим, а девять в инчих містах.
2Het volk zegende echter allen, die zich vrijwillig aanboden, om zich in Jerusalem te vestigen.
2І благословив народ усїх, що самохіть згодились жити в Ерусалимі.
3Dit zijn de hoofden van de provincie, die zich in Jerusalem vestigden. De hoofden van Israël, van de priesters, levieten, tempelknechten en zonen van Salomons slaven gingen ook in de steden van Juda wonen, iedereen op zijn eigen erfdeel in die steden,
3Оце голови в краю, що жили в Ерусалимі, — а в містах Юдеї жили, кожний в посїлостї своїй по містах своїх: Ізрайлитяне, сьвященники, левіти, нетинеї й сини слуг Соломонових;
4terwijl die van de Judeërs en Benjamieten zich in Jerusalem vestigden. Van de Judeërs: Ataja, de zoon van Oezzi-ja, zoon van Zekarja, zoon van Amarja, zoon van Sjefatja, zoon van Mahalalel, uit de zonen van Fáres.
4В Ерусалимі жили деякі з синів Юди та з синів Бенямина. З синів Юди: Атаїя, син Сафатії, сина Малелеїлового, з синів Фаресових,
5Vervolgens Maäseja, de zoon van Baroek, zoon van Kol-Choze, zoon van Chazaja, zoon van Adaja, zoon van Jojarib, zoon van Zekarja, zoon van den Sjeloniet.
5І Маасея, син Баруха, син Колхозея, син Хазаїї, син Адаїї, син Йоярива, син Захарії, син Шилонїя.
6De zonen van Fáres, die in Jerusalem woonden, telden tezamen vierhonderd acht en zestig weerbare mannen.
6Усїх синів Фаресових, живших у Ерусалимі, чотириста шістьдесять вісїм, люде добірні.
7Dit zijn de Benjamieten: Salloe, de zoon van Mesjoellam, zoon van Joëd, zoon van Pedaja, zoon van Kolaja, zoon van Maäseja. zoon van Itiël, zoon van Jesjaja,
7А се сини Беняминові: Саллу, син Мешуллама, син Йоеда, син Федаїї, син Калаїї, син Маасеї, син Ітиїла, син Ісаїї,
8en zijn broeders, negenhonderd acht en twintig weerbare mannen.
8А по йому Габбай, Саллай, — девятьсот двайцять вісїм.
9Joël, de zoon van Zikri, stond aan hun hoofd, en Jehoeda, de zoon van Hassenoea was het tweede hoofd van de stad.
9Йоіль, син Зіхрин, був їх начальником, а Юда, син Сенуїн, був другим над містом.
10Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, zoon van Jakin,
10З сьвященників: Едаїя, син Йоярива, Яхин,
11en Seraja, de zoon van Chilki-ja, zoon van Mesjoellam, zoon van Sadok, zoon van Merajot, zoon van Achitoeb stonden aan het hoofd van de tempel;
11Сераїя, син Хелкії, син Мешуллама, син Садока, син Мерайота, син Ахитува, був старшиною в домі Божому,
12met hun broeders, die dienst in de tempel verrichtten, telden zij achthonderd twee en twintig man. Vervolgens Adaja, de zoon van Jerocham, zoon van Pelalja, zoon van Amsi, zoon van Zekarja, zoon van Pasjchoer, zoon van Malki-ja,
12І брати їх, що були на службі при домі Божому — вісїмсот двайцять два; і Адаїя, син Ерохамів, сина Фелалїїного, син Амзія, син Захарії, син Пашхура, син Малхії,
13en zijn broeders, die familiehoofden waren, telden tweehonderd twee en veertig man, Amasai, de zoon van Azarel, zoon van Achzai, zoon van Mesjillemot, zoon van Immer,
13І брати їх голови в поколїннях — двістї сорок два; і Амашсай, син Азариїла, син Ахзая, син Мешиллемота, син Іммера,
14en zijn broeders telden honderd acht en twintig weerbare mannen; hun hoofd was Zabdiël, de zoon van Haggedolim.
14І брати його, люде добірні, — сто двайцять вісїм. Начальником над ними був Завдиїл, син Гагедолимів.
15Van de levieten: Sjemaja, de zoon van Chassjoeb, zoon van Azrikam, zoon van Chasjabja, zoon van Boenni.
15А з левітів: Шемаїя, син Хашшува, син Азрикама, син Хашавії, син Вуннїя,
16Sjabbetai en Jozabad behoorden tot de hoofden der levieten, en waren belast met het toezicht op de uitwendige aangelegenheden van de tempel.
16І Шавтай, і Йозавад із голов у левітів по надвірнїх справах дому Божого,
17Mattanja, de zoon van Mika, zoon van Zabdi, zoon van Asaf, was de leider van het lofgezang bij het gebed, en Bakboekja was de tweede onder zijn broeders. Verder Abda, de zoon van Sjamóea, zoon van Galal, zoon van Jedoetoen.
17І Маттанїя, син Михи, син Завдїя, син Асафа, головний провідник сьпіву при молитві, і Бакбукія, другий після його за братів його, і Авда, син Шаммуя, син Галала, син Ідитуна.
18In het geheel telden de levieten in de heilige stad tweehonderd vier en tachtig man.
18Усїх левітів у сьвятому містї двістї вісїмдесять чотири.
19De poortwachters waren: Akkoeb, Talmon en hun broeders, die de wacht hielden in de poorten; ze telden honderd twee en zeventig man.
19А воротарі: Аккув, Талмон і брати їх, що сторожували коло брам — сто вісїмдесять два.
20De overige Israëlieten, priesters en levieten woonden in de verschillende steden van Juda, iedereen op zijn erfdeel.
20Прочі Ізрайлитяне, сьвященники, левіти жили по всїх містах Юдеї, кожний в свойму удїлї.
21De tempelknechten woonden op de Ofel; Sicha en Gisjpa stonden aan het hoofd der tempelknechten.
21А нетинеї жили в Офелї; над нетинеями ж Зиха й Гишфа.
22Het hoofd der levieten te Jerusalem was Oezzi, de zoon van Bani, de zoon van Chasjabja, zoon van Mattanja, zoon van Mika; hij behoorde tot de zonen van Asaf, de zangers bij de dienst in de tempel.
22Старшиною над левітами в Ерусалимі був Уззій, син Банїя, син Хашавії, син Маттанїї, син Михи, з синів Асафових, що були сьпівцями при службі Божій в домі Божому,
23Want er bestond aangaande hen een koninklijk besluit, dat aan de zangers een dagelijkse toelage verzekerde.
23Бо від царя був (окремний) приказ про сьпівцїв, і заведений порядок на кожний день.
24Petachja, de zoon van Misjezabel, uit de zonen van Zara, den zoon van Juda, was gevolmachtigde van den koning3 in alle aangelegenheden van het volk.
24І Петахія, син Мешезавелів, із синів Зари, сина Юдиного, був уповносилений від царя до всяких справ, що дотикали народу.
25Wat hun dorpen buiten betreft: Judeërs woonden in Kirjat-Arba en onderhorige plaatsen; in Dibon en onderhorige plaatsen; in Jekabseël en zijn dorpen;
25Із тих же, що по селах, по землях своїх, жили сини Юдині в Киріят-Арбі та залежних від неї містах, в Дибонї й залежних від його містах, в Екавзеїлї й селах його,
26in Jesjóea, Molada, Bet-Pélet,
26В Ешуї, в Моладї й Бет-Палетї,
27Chasar-Sjoeal en Beër-Sjéba met onderhorige plaatsen;
27В Хазар-Шуалї, в Бирсабії й залежних від неї містах,
28in Sikelag en Mekona met onderhorige plaatsen;
28В Секелазї, в Мехонї й залежних від неї городах,
29in En-Rimmon, Sora, Jarmoet,
29В Ен-Риммонї, в Зорі й в Ярмутї,
30Zanóach, Adoellam en hun dorpen; in Lakisj met zijn velden; in Azeka met onderhorige plaatsen. Ze woonden dus van Beër-Sjéba tot het Hinnom-dal.
30В Заноасї, Одоламі й селах їх, в Лахисї й на полях його, в Азецї і в залежних від неї містах. Вони сїли осадами від Бирсабії до долини Енномової.
31De Benjamieten waren in Géba, Mikmas, Ajja, Betel met onderhorige plaatsen;
31Сини Беняминові, (починаючи) від Геви, в Михмасї, Гаї, в Бетелї й залежних від його містах,
32in Anatot, Nob, Ananja,
32В Анатотї, Нові, Ананїї,
33Chasor, Rama, Gittáim,
33Газорі, Рамі, Гиттаїмі,
34Chadid, Seboïm, Neballat,
34Хадидї, Зевоїмі, Неваллатї,
35Lod, Ono en het Handwerkersdal.
35Лодї, Оно, в долинї Харашимі.
36Van de levieten woonden afdelingen zowel in Juda als in Benjamin.
36І левіти мали осади свої в удїлах Юдиних та Беняминових.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.