Nehemia
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen Sanbállat, Tobi-ja, de Arabier Gésjem en onze andere vijanden vernamen, dat ik de muur had voltooid, en er geen bres was overgebleven, ofschoon ik toen nog geen deuren in de poorten had opgehangen,
1Як дійшла чутка до Санаваллата і Товії, й Араба Гешема та инших наших ворогів, що я відбудував мур та що не зісталось в ньому виломів, — одначе до того часу я ще не вставив дверей в ворота, —
2zonden Sanbállat en Gésjem mij de volgende boodschap: Kom, laat ons een samenkomst met elkander hebben te Kefirim in het Ono-dal. Daar ze echter kwaad tegen mij in het schild voerden,
2Тодї Санаваллат та Гешем прислали до мене сказати: Прийди, а зійдемось разом ув одному з сїл на рівнинї Оно. Вони ж задумували заподїяти менї лихо.
3zond ik boden tot hen terug met het antwoord: Ik heb een groot werk onder handen, en kan dus niet komen. Het werk zou zeker stil blijven liggen, als ik mij er van terugtrok, om tot u te komen.
3Але я послав до їх посланцїв і звелїв сказати: Я маю роботу коло великого дїла; не можу зійти; робота застановилась би, коли б я покинув її і зійшов до вас.
4Tot vier keer toe zonden ze mij dezelfde boodschap, maar telkens gaf ik hun hetzelfde antwoord.
4Чотири рази посилали вони до мене з такими ж запросинами, та я відповідав їм те саме.
5Daarop zond Sanbállat mij voor de vijfde maal een dienaar met hetzelfde verzoek; maar nu bracht deze een open brief met zich mee,
5Тодї прислав Санаваллат до мене пятий раз свого слугу, а в його руцї був розгорнутий лист.
6waarin stond geschreven: Onder de volken loopt het gerucht, en het wordt door Gésjem bevestigd, dat gij en de Joden van plan zijt, oproer te maken, en dat gij de muur herbouwt, omdat gij koning over hen wilt worden, of iets van die aard;
6У йому ж було написано: Ходить у народів поголоска, та й Гешем каже, що ти й Юдеї задумали відпасти, та тому й будуєш мур, і хочеш бути в їх царем, після тої ж чутки;
7ook dat gij profeten hebt aangesteld, om u in Jerusalem tot koning van Juda uit te roepen. Zo iets wordt zeker den koning bekend! Kom dus, en laat ons met elkander beraden.
7І пророків ти настановив, щоб оповіщали про тебе в Ерусалимі і говорили: Е царь Юдейський! се дійде до царя. Так приходь, і порадимось вкупі.
8Maar ik liet hem antwoorden: Geen woord is er waar, van al wat ge zegt; ge verzint het zelf.
8Але я послав до його сказати: Нїчого такого не було, про що ти говориш; се ти вигадав своїм розумом.
9Want allen wilden ons vrees aanjagen, en dachten: Dan zullen hun handen bij het werk verslappen, en komt het nimmer tot stand. Het was dus zaak, om sterk te staan.
9Бо всї вони страхали нас, гадаючи: Опадуть їх руки перед сим дїлом, і робота спиниться; та я ще більше скріпив руки мої.
10Een andere keer ging ik het huis van Sjemaja binnen, den zoon van Delaja, zoon van Mehetabel. Ofschoon het goed gesloten kon worden, sprak hij tot mij: Laat ons samen naar het huis van God gaan en binnen de tempel, en de deuren van de tempel gesloten houden; want men komt u vermoorden, vannacht nog komt men u doden.
10І прийшов я в дім Шемаїї, сина Делаїї, сина Мегетавелового, й заперся він і сказав: Ходїм у дом Божий в середину храма, й замкнемо за собою двері храма, бо прийдуть вбити тебе, а прийдуть вбити тебе вночі.
11Maar ik gaf ten antwoord: Zou een man, als ik, op de vlucht slaan? En wie, zoals ik, zou in leven blijven, als hij binnen de tempel kwam? Neen, ik ga er niet heen!
11Але я відказав: Чи може ж тїкати такий чоловік, як я? Чи може такий, як я, ввійти в храм, щоб бути живим? Не піду.
12Want ik begreep, dat God hem niet had gezonden, maar dat Tobi-ja en Sanbállat hem hadden omgekocht, om deze voorspelling tot mij te richten.
12Я знав, що не Бог послав його, хоч він по пророцьки говорив до мене, але що то Товія та Санаваллат підкупили його.
13Hij was omgekocht, om mij vrees aan te jagen. Dan zou ik wel iets dergelijks doen en een zonde begaan; en dan hadden ze gelegenheid, mijn naam te bekladden, en mij in opspraak te brengen.
13А підкупили його на те, щоб я злякався і зробив так, і согрішив, та щоб про мене пішла недобра слава, щоб вони могли мене гудити.
14Mijn God, reken Tobi-ja en Sanbállat dit drijven aan, maar ook Noadja, de profetes, en de andere profeten, die mij bang wilden maken!
14Спомяни, мій Боже, Товію і Санаваллата по сих дїлах їх, та й пророчицю Ноадїю й инчих пророків, що хотїли настрахати мене!
15Op de vijf en twintigste van Eloel was de muur in twee en vijftig dagen voltooid.
15Мур був скінчений двайцять пятого дня місяця Елула, за пятьдесять два днї.
16Toen al onze vijanden het hoorden, en alle omliggende volken het zagen, scheen het een machtig wonder in hun ogen, en begrepen ze, dat dit werk door onzen God was gewrocht.
16Як почули про се всї вороги наші, й побачили се всї народи, що навкруги нас, тодї вони впали в очах своїх; вони спізнали, що се дїло від Бога нашого.
17Maar ook toen nog bleven sommige edelen van Juda brieven aan Tobi-ja zenden, en kwamen er brieven van Tobi-ja bij hen aan.
17Окрім того писало під той час багато старшин Юдейських листи, й посилали їх до Товії, а Товіїні листи приходили до їх.
18Want hij had vele bondgenoten in Juda, daar hij de schoonvader was van Sjekanja, den zoon van Arach, en zijn zoon Jehochanan gehuwd was met de dochter van Mesjoellam, den zoon van Berekja.
18Бо багато було в Юдеї таких, що поклялись на побратимство з ним; він бо був зять Шеханїї, сина Арахового, а його син Йоханан взяв за себе дочку Мешуллама, сина Берехіїного.
19En ofschoon Tobi-ja herhaaldelijk brieven schreef, om mij vrees aan te jagen, durfden zij mij veel goeds van hem vertellen, en brachten mijn woorden aan hem over.
19Навіть про добрість його говорили вони при менї, й мої слова переносились до його. Товія ж присилав листи, щоб лякати мене.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.