Nehemia 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Bezegeld door den landvoogd Nehemias den zoon van Chakalja, en door Sidki-ja.
1Ті, що приложили печатї, були: Неємія-Тиршата, син Гахалїїн, і Седекія,
2Door Seraja, Azarja, Jirmeja,
2Сераїя, Азарія, Еремія,
3Pasjchoer, Amarja, Malki-ja,
3Пашхур, Амарія, Малхія,
4Chattoesj, Sjebanja, Malloek,
4Хаттуш, Шеванїя, Маллух,
5Charim, Meremot, Obadja,
5Харим, Меремот, Обадія,
6Daniël, Ginneton, Baroek,
6Даниїл, Гіннетон, Барух,
7Mesjoellam, Abi-ja, Mi-Jamin,
7Мешуллам, Авія, Міямин,
8Maäzja, Bilgai en Sjemaja; dit zijn de priesters.
8Маазія, Вилгай, Шемаїя: се сьвященники.
9Door de levieten Jesjóea, den zoon van Azana; door Binnoej, uit de zonen van Chenadad, en Kadmiël,
9Левіти: Ісус, син Азанїїн, Биннуй, з синів Хенададових, Кадмиїл,
10met hun broeders Sjebanja, Hodi-ja, Kelita, Pelaja, Chanan,
10І брати їх: Шеванїя, Годія, Клита, Фелаїя, Ханан,
11Mika, Rechob, Chasjabja,
11Миха, Рехов, Хашавія,
12Zakkoer, Sjerebeja, Sjebanja,
12Закхур, Шеревія, Шеванїя,
13Hodija, Bani en Beninoe.
13Годїя, Ванїй, Венинуй,
14Door de volkshoofden Parosj, Pachat-Moab, Elam, Zattoe, Bani,
14Голови народу: Парош, Пахат-Моаб, Елам, Затту, Банїя,
15Boenni, Azgad, Bebai,
15Вуннїй, Азгад, Бевай,
16Adoni-ja, Bigwai, Adin,
16Адонїя, Бігвай, Адин,
17Ater, Chizki-ja, Azzoer,
17Атер, Езекія, Азур,
18Hodi-ja, Chasjoem, Besai,
18Годїя, Хашум, Безай,
19Charif, Anatot, Nebai,
19Хариф, Анатот, Невай,
20Magpiasj, Mesjoellam, Chezir,
20Магнїяш, Мешуллам, Хезир,
21Mesjezabel, Sadok, Jaddóea,
21Мешезавел, Садок, Яддуй,
22Pelatja, Chanan, Anaja,
22Фелатїя, Ханан, Анаїя,
23Hosjéa, Chananja, Chassjoeb,
23Осія, Хананїя, Хашшув,
24Hallochesj, Pilcha, Sjobek,
24Лохеш, Пилха, Шовек,
25Rechoem, Chasjabna, Maäseja,
25Рехум, Хашавна, Маасея,
26Achi-ja, Chanan, Anan,
26Ахія, Ханан, Анан,
27Malloek, Charim en Baäna.
27Маллух, Харим, Баана.
28Het gewone volk, de priesters, levieten, poortwachters, zangers en tempelknechten, allen, die zich hebben afgezonderd van de landsbevolking en zich hebben aangesloten bij de Wet van God, met hun vrouwen, zonen en dochters, voor zover zij tot de jaren van verstand zijn gekomen,
28І прочий народ, сьвященники, левіти, воротарі, сьпівцї, нетинеї і всї, відлучились від чужоземських народів до закону Божого; й жінки їх, сини їх і дочки їх, усї, що могли втямити,
29in overeenstemming met hun broeders, de adel: zijn overeengekomen onder vloek en eed, te leven naar de Wet van God, die Hij ons heeft gegeven door Moses, Gods dienaar, en nauwgezet alle geboden, voorschriften en instellingen van Jahweh, onzen Heer, te onderhouden.
29Пристали до братів своїх, до переднїйших їх, і дали обітницю з клятьбою й заприсяглись поступати по закону Божому, даному рукою Мойсея, слуги Божого, й держати й хоронити всї заповідї Господа, Бога нашого, й постанови його й закони його,
30Verder, dat wij onze dochters niet aan de landsbevolking zullen geven, en hun dochters niet voor onze zonen zullen nemen.
30І не віддавати дочок своїх чужоземським народам, а їх дочок не брати за синів своїх;
31Dat wij op sabbat of feestdag van de landsbevolking geen waren of koren zullen kopen, als zij die op de sabbat ter markt brengt. Dat wij in het zevende jaar afstand zullen doen van de oogst en van iedere schuldvordering.
31І як чужоземські народи привозити муть крам і всяку потріб на продаж у суботу, не брати в їх в суботу і в сьвятий день, а на сьомий рік усякі довги дарувати.
32Verder, dat wij de verplichting op ons nemen, jaarlijks een derde sikkel te geven voor de eredienst in het huis van onzen God:
32І постановили ми собі за закон, давати від себе по третинї секля на рік на потреби дому Бога нашого:
33voor het toonbrood, het dagelijks spijs- en brandoffer, voor de offers op sabbat, nieuwe maan en hoogfeest, voor het dank- en zondeoffer, om verzoening voor Israël te verkrijgen, en voor de verdere dienst in het huis van God.
33На хлїби показні, на повсячасні хлїбні приноси й на повсячасні всепалення кожної суботи, кожного нового місяця, в великі сьвята та инші днї сьвяточні й на жертви за гріх про очищеннє Ізраїля, й на всяку потребу в домі Бога нашого.
34Dat wij, priesters, levieten en volk, het lot zullen werpen, om jaarlijks op vaste tijden in familiegroepen hout te leveren en naar het huis van God te brengen tot brandstof op het altaar van Jahweh, onzen God, zoals het in de Wet is bepaald.
34І ми кинули жереби про доставу дров, — сьвященники, левіти й народ, коли котрому нашому родові в призначений час що року привозити їх до дому Бога нашого, щоб вони горіли на жертовникові Господа, Бога нашого, як се написано в законї;
35Verder, dat wij de eerstelingen van onze akker en de eerstelingen van al onze vruchtbomen jaarlijks naar het huis van Jahweh zullen brengen.
35(І обіцялись ми) що року приносити в дом Господнїй первоплід із землї нашої і перві плоди з усякого дерева;
36Dat wij de eerstgeborenen van onze zonen en van ons lastvee, zoals in de Wet is bepaald, met de eerstgeborenen van onze runderen en schapen naar het huis van onzen God zullen brengen voor de priesters, die dienst verrichten in het huis van onzen God.
36І приводити в дом Бога нашого до сьвященників, що служать в домі Бога нашого, первенцїв із синів наших і з скотини нашої, як написано в законї, і первенцї з товару й овець наших.
37Dat wij voor de priesters de keur van ons meel, van onze hefoffers, van alle boomvruchten, van most en olie naar de kamers van het huis van onzen God zullen brengen, en voor de levieten de tienden van onze akker. Dat de levieten de tienden in al onze landbouwplaatsen zullen innen,
37І первоплід із борошна нашого і усяких приносів, і овощів з усякого дерева, вина й оливи ми приставляти мемо сьвященникам в комори при домі Бога нашого, й десятину з землї нашої левітам. Вони, левіти, брати муть десятину по всїх містах, де в нас хлїборобство.
38maar dat de priester, de zoon van Aäron, bij de levieten zal zijn, als zij de tienden ophalen. Dat de levieten het tiende deel van de tienden naar het huis van onzen God zullen brengen in de kamers van de opslagplaats.
38При левітах, як вони брати муть левітську десятину, знаходити меться сьвященник, син Ааронів, щоб левіти десяту частку з своїх десятин одвозили до дому Бога нашого в кімнати, призначені на переховок;
39Dat de kinderen Israëls en de zonen van Levi het hefoffer aan koren, most en olie naar die kamers zullen brengen, waar de vaten voor het heiligdom, voor de dienstdoende priesters en voor de poortwachters en zangers zijn. Dat wij ook het huis van onzen God niet zullen verwaarlozen.
39Бо в цї кімнати як сини Ізрайлеві, так і левіти мали приставляти приноси: хлїб, вино й оливу. Там сьвященний посуд, і служащі сьвященники, й воротарі, й сьвівцї. І ми не опустимо дому Бога нашого.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.