Nehemia 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1had ik in de maand Nisan van het twintigste jaar van koning Artaxerxes de zorg voor de wijn; ik bracht hem den koning, en reikte hem over. Maar nog nooit was ik zo droevig geweest.
1В місяцї Нисанї, на двайцятім року царя Артаксеркса, стояло перед ним вино. І я взяв вино та подав цареві, і, здавалось, не був я смутний перед ним.
2De koning zei dus tot mij: Waarom kijkt ge zo treurig; ge zijt toch niet ziek? Dat kan niet anders dan harteleed zijn. Ik begon te rillen van angst,
2Але царь промовив до мене: Чого ти сумний на виду; ти не слабий, сього не видко, а певно смуток на серцї? Я злякався вельми,
3en sprak tot den koning: De koning leve voor eeuwig! Hoe zou ik niet treuren, daar de stad ligt verwoest, waar de graven van mijn vaderen zijn, en daar haar poorten door het vuur zijn verteerd?
3І сказав цареві: Нехай живе царь по вік! Як же не має бути смутним лице моє, коли город, місце гробовищ батьків моїх, стоїть опустошене, й ворота його попалені огнем!
4De koning antwoordde mij: Wat zoudt ge dan willen? Ik bad tot den God des hemels,
4І сказав царь до мене: Чого ж ти бажаєш? Я помолився Богові небесному,
5en sprak tot den koning: Zo het den koning behaagt, en gij uw dienaar daartoe geschikt acht, zend mij dan naar Juda, om de stad te herbouwen, waar de graven van mijn vaderen zijn.
5І сказав цареві: Коли царська ласка, й коли слуга твій запобіг ласки перед лицем твоїм, то пошли мене в Юдею, в місто, де гробовища батьків моїх, щоб я одбудував його.
6De koning en zijn gemalin, die naast hem zat, zeiden tot mij: Hoe lang duurt uw tocht, en wanneer komt ge terug? Ik noemde hem een termijn, en het behaagde den koning, mij de opdracht te geven.
6І сказав менї царь і цариця, що седїла коло його: Як довго протягнеться твоя вандрівка, й коли вернешся? І сподобалось цареві послати мене; й я означив час.
7Nu sprak ik tot den koning: Zo het den koning behaagt, moge hij mij brieven meegeven voor de stadhouders aan de overzijde van de Rivier, dat ze mij doortocht verlenen, totdat ik Juda bereik;
7І сказав я цареві: Коли царська ласка, то дав би менї листи до зарічних начальників краєвих, щоб давали менї пропуст, доки я не дійду до Юдеї,
8bovendien een brief voor Asaf, den koninklijken houtvester, dat hij mij hout moet leveren, om de poorten van de burcht te overkappen, die tot de tempel behoort, en voor de stadsmuur en de woning, waar ik mijn intrek zal nemen. En de koning verleende ze mij, daar de hand van God vol goedheid op mij rustte.
8Та й лист до Асафа, доглядника лїсів царських, щоб дав менї деревнї на ворота в твердинї, що при домі Божому, й на міські мури, та на дім, в котрому б менї жити. І дав менї царь, бо добродїйна рука Бога мого була надо мною.
9Vergezeld van de legeroversten en ruiters, die de koning mij meegaf, kwam ik bij de stadhouders aan de overzijde van de Rivier, en reikte hun de brieven van den koning over.
9І прийшов я до зарічних начальників краєвих і віддав їм письма царські. А царь послав був зо мною військових начальників із верховцями.
10Maar toen Sanbállat, de Choroniet, en Tobi-ja, de ammonietische slaaf, het vernamen, waren zij er hevig over ontstemd, dat er iemand gekomen was, om Israëls kinderen goed te doen.
10Коли перечув про се Санаваллат, Хороніт і Товія, слуга Амманицький, то їм стало дуже досадно, що прийшов чоловік піклуватись про добро синів Ізрайлевих.
11De herbouw van Jerusalems muren. Toen ik te Jerusalem was aangekomen, en daar drie dagen vertoefd had,
11І прийшов я в Ерусалим. І пробув там три днї,
12stond ik in de volgende nacht op. Ik nam slechts enkele mannen met mij mee, en vertelde aan niemand, wat mijn God mij had ingegeven, voor Jerusalem te doen; ook was er geen ander rijdier bij, dan dat ik zelf bereed.
12І встав я вночі, і кілька чоловік зо мною, і нїкому не сказав, що поклав Бог мій менї на серце зробити для Ерусалиму; животини ж не було при менї нїякої, окрім тієї, що на їй я їхав.
13In de nacht ging ik door de Dalpoort naar buiten, en trok in de richting van de Drakenbron naar de Aspoort; intussen onderzocht ik Jerusalems muren, die in puin lagen, en zijn poorten, die door het vuur waren verteerd.
13І проїхав я вночі через Долинні ворота перед Драконовою криницею до воріт Гнояних, і оглядїв я розвалені мури Ерусалиму й його ворота, спалені огнем.
14Vandaar ging ik verder naar de Bronpoort en de Koningsvijver; maar hier was geen ruimte meer voor het dier, dat ik bereed, om er doorheen te komen.
14І приїхав я до воріт Криничаних і до царського водопроводу, але там не було місця, щоб пройти животинї, що була підо мною,
15Door het dal ging ik dus opwaarts in de nacht, telkens de muur onderzoekend. Daarna sloeg ik af, en keerde door de Dalpoort terug naar huis.
15І я поїхав назад через потік вночі й оглядав мур, і, проїхавши знов через Долинні ворота, вернувся.
16Zelfs de voormannen wisten niet, waar ik heen was gegaan en wat ik beoogde; want ik had er aan Joden noch priesters, aan edelen noch regenten, noch aan de overigen, die het werk moesten doen, tot nu toe iets van gezegd.
16І не знали начальники, куди я ходив, та що я роблю: нї Юдеям, нї сьвященникам, нї суддям, нї старшинам, нї иншим робітникам я до того часу нїчого не казав.
17Maar nu sprak ik tot hen: Gij ziet de ellende, waarin wij verkeren; hoe Jerusalem in puinen ligt, en zijn poorten door het vuur zijn verteerd. Komt, laat ons Jerusalems muren herbouwen, en niet langer meer worden bespot.
17Опісля же сказав я їм: Ви бачите нужду, в якій ми знаходимось: Ерусалим спустошений, й ворота його спалені огнем; ходїм, побудуймо мури Ерусалимські й не будьмо довше в пониженнї.
18En ik vertelde hun, hoe de hand van God vol goedheid op mij had gerust, en wat de koning mij had gezegd. Ze gaven ten antwoord: We willen beginnen te bouwen! En vol moed sloegen ze de hand aan het heerlijke werk.
18І я оповідав їм про добродїйну для мене руку Бога мого, а так само й слова царя, що він говорив менї. І сказали вони: будемо будувати, — і скріпили руки свої на добре дїло.
19Toen Sanbállat, de Choroniet, Tobi-ja, de ammonietische slaaf, en Gésjem, de Arabier, het hoorden, lachten ze ons uit, en bespotten ons. En ze zeiden: Wat moet dat betekenen; maakt ge soms opstand tegen den koning?
19Почувши про се, Санаваллат, Хороніт та Товія, слуга Амманицький, та Гешем, Араб, сьміялись із нас і говорили з погордою: Що се за дїло, що ви робите? Чи не задумуєте ви часом збунтуватись проти царя?
20Maar ik stond hun te woord, en sprak tot hen: De God des hemels zal ons doen slagen; wij, zijn dienaars, beginnen de bouw. Maar gij hebt in Jerusalem geen deel en geen recht, zelfs geen naam!
20Я дав їм одповідь і сказав їм: Бог небесний, Він нам допоможе, а ми, слуги його, розпочнемо будувати; вам же нема частки, нї права нї згадки про вас у Ерусалимі.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.