Nehemia
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Daničić–Karadžić B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
1had ik in de maand Nisan van het twintigste jaar van koning Artaxerxes de zorg voor de wijn; ik bracht hem den koning, en reikte hem over. Maar nog nooit was ik zo droevig geweest.
1А месеца Нисана године двадесете Артаксеркса цара беше вино пред њим, и ја узевши вино дадох га цару. А пре не бејах невесео пред њим.
2De koning zei dus tot mij: Waarom kijkt ge zo treurig; ge zijt toch niet ziek? Dat kan niet anders dan harteleed zijn. Ik begon te rillen van angst,
2И рече ми цар: Што си лица невеселог, кад ниси болестан? Није друго него туга у срцу. А ја се уплаших врло.
3en sprak tot den koning: De koning leve voor eeuwig! Hoe zou ik niet treuren, daar de stad ligt verwoest, waar de graven van mijn vaderen zijn, en daar haar poorten door het vuur zijn verteerd?
3И рекох цару: Да је жив цар до века! Како не бих био лица невеселог, кад је град где су гробови мојих отаца опустео и врата му огњем спаљена?
4De koning antwoordde mij: Wat zoudt ge dan willen? Ik bad tot den God des hemels,
4А цар ми рече: Шта хоћеш? Тада се помолих Богу небеском,
5en sprak tot den koning: Zo het den koning behaagt, en gij uw dienaar daartoe geschikt acht, zend mij dan naar Juda, om de stad te herbouwen, waar de graven van mijn vaderen zijn.
5и рекох цару: Ако је угодно цару и ако ти је мио слуга твој, пошљи ме у Јудеју у град где су гробови отаца мојих да га саградим.
6De koning en zijn gemalin, die naast hem zat, zeiden tot mij: Hoe lang duurt uw tocht, en wanneer komt ge terug? Ik noemde hem een termijn, en het behaagde den koning, mij de opdracht te geven.
6А цар ми рече, а жена његова сеђаше до њега: Колико ти времена треба на пут, и кад ћеш се вратити? И би угодно цару, и пусти ме кад му казах време.
7Nu sprak ik tot den koning: Zo het den koning behaagt, moge hij mij brieven meegeven voor de stadhouders aan de overzijde van de Rivier, dat ze mij doortocht verlenen, totdat ik Juda bereik;
7Потом рекох цару: Ако је угодно цару, да ми се да књига на кнезове преко реке да ме прате докле не дођем у Јудеју,
8bovendien een brief voor Asaf, den koninklijken houtvester, dat hij mij hout moet leveren, om de poorten van de burcht te overkappen, die tot de tempel behoort, en voor de stadsmuur en de woning, waar ik mijn intrek zal nemen. En de koning verleende ze mij, daar de hand van God vol goedheid op mij rustte.
8и књига на Асафа, чувара шуме цареве да ми да дрва за брвна на врата од двора уз дом Божји и за зид градски и за кућу у коју ћу ући. И даде ми цар, јер добра рука Бога мог беше нада мном.
9Vergezeld van de legeroversten en ruiters, die de koning mij meegaf, kwam ik bij de stadhouders aan de overzijde van de Rivier, en reikte hun de brieven van den koning over.
9И тако дођох са кнезовима преко реке, и дадох им књиге цареве. А цар посла са мном војводе и коњике.
10Maar toen Sanbállat, de Choroniet, en Tobi-ja, de ammonietische slaaf, het vernamen, waren zij er hevig over ontstemd, dat er iemand gekomen was, om Israëls kinderen goed te doen.
10А кад то чу Санавалат Ороњанин и Товија, слуга Амонац, би им врло мрско што дође човек да се постара за добро синовима Израиљевим.
11De herbouw van Jerusalems muren. Toen ik te Jerusalem was aangekomen, en daar drie dagen vertoefd had,
11Потом дођох у Јерусалим, и бих онде три дана.
12stond ik in de volgende nacht op. Ik nam slechts enkele mannen met mij mee, en vertelde aan niemand, wat mijn God mij had ingegeven, voor Jerusalem te doen; ook was er geen ander rijdier bij, dan dat ik zelf bereed.
12Па устах ноћу с неколико људи, а ником не казах шта ми је Бог мој дао у срце да учиним у Јерусалиму; и не имах кљусета са собом осим оног на коме јахах.
13In de nacht ging ik door de Dalpoort naar buiten, en trok in de richting van de Drakenbron naar de Aspoort; intussen onderzocht ik Jerusalems muren, die in puin lagen, en zijn poorten, die door het vuur waren verteerd.
13И изиђох ноћу на врата од долине, на извор змајевски, и на врата гнојна, и разгледах зидове јерусалимске како беху разваљени и како му врата беху огњем попаљена.
14Vandaar ging ik verder naar de Bronpoort en de Koningsvijver; maar hier was geen ruimte meer voor het dier, dat ik bereed, om er doorheen te komen.
14Отуда прођох на изворска врата и на царско језеро, а онде не беше места да кљусе пода мном пређе.
15Door het dal ging ik dus opwaarts in de nacht, telkens de muur onderzoekend. Daarna sloeg ik af, en keerde door de Dalpoort terug naar huis.
15Зато јахах уз поток по ноћи и разгледах зид, па се вратих на врата од долине, и тако дођох натраг.
16Zelfs de voormannen wisten niet, waar ik heen was gegaan en wat ik beoogde; want ik had er aan Joden noch priesters, aan edelen noch regenten, noch aan de overigen, die het werk moesten doen, tot nu toe iets van gezegd.
16Али поглавари не знаху куда сам ишао ни шта сам радио, јер дотада не бејах ништа рекао ни Јудејцима ни свештеницима ни кнезовима ни поглаварима ни другима који управљаху послом.
17Maar nu sprak ik tot hen: Gij ziet de ellende, waarin wij verkeren; hoe Jerusalem in puinen ligt, en zijn poorten door het vuur zijn verteerd. Komt, laat ons Jerusalems muren herbouwen, en niet langer meer worden bespot.
17Зато им рекох: Видите у каквом смо злу, Јерусалим пуст и врата му попаљена огњем; дајте да зидамо зидове јерусалимске, да више не будемо руг.
18En ik vertelde hun, hoe de hand van God vol goedheid op mij had gerust, en wat de koning mij had gezegd. Ze gaven ten antwoord: We willen beginnen te bouwen! En vol moed sloegen ze de hand aan het heerlijke werk.
18И казах им како је добра рука Бога мог нада мном и речи цареве које ми је рекао. Тада рекоше: Устанимо и зидајмо. И укрепише им се руке на добро.
19Toen Sanbállat, de Choroniet, Tobi-ja, de ammonietische slaaf, en Gésjem, de Arabier, het hoorden, lachten ze ons uit, en bespotten ons. En ze zeiden: Wat moet dat betekenen; maakt ge soms opstand tegen den koning?
19А кад то чу Санавалат Ороњанин и Товија, слуга Амонац и Гисем Арапин, подсмеваше нам се и ругаше нам се говорећи: Шта то радите? Да се нећете одметнути цару?
20Maar ik stond hun te woord, en sprak tot hen: De God des hemels zal ons doen slagen; wij, zijn dienaars, beginnen de bouw. Maar gij hebt in Jerusalem geen deel en geen recht, zelfs geen naam!
20А ја им одговорих и рекох: Бог небески даће нам срећу, а ми, слуге Његове устасмо и зидамо; али ви немате дела ни права ни спомена у Јерусалиму.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.