Nehemia 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen in die tijd uit het boek van Moses aan het volk werd voorgelezen, vond men daarin voorgeschreven: Geen Ammoniet of Moabiet mag ooit tot de gemeente Gods toetreden;
1В той день читано з книги Мойсейової перед слухаючим народом, і знайдено написане в неї: Аммонїй й Моабій не може ввійти в громаду Божу по віки,
2want zij hebben de kinderen Israëls niet aan brood en water geholpen, maar hebben Balaäm gehuurd, om hen te vervloeken, ofschoon onze God de vloek in zegening heeft veranderd.
2За те, що вони не встріли синів Ізрайлевих із хлїбом та водою й найняли проти його Балаама, щоб проклясти його, але Бог наш обернув проклін у благословеннє.
3Toen men deze wet had gehoord, zonderde men allen, die van gemengd ras waren, van Israël af.
3Почувши сей закон, відлучили вони все чужородне від Ізраїля.
4Maar reeds vroeger was de priester Eljasjib, die met het toezicht over de kamers van het huis van onzen God was belast, aan Tobi-ja verwant geworden.
4І стало ся, що сьвященник Елїяшив, приставлений до кімнат при домі Бога нашого, близький родич Товії,
5Daarom had hij hem een grote kamer ingeruimd, waar men vroeger het spijsoffer, de wierook, de vaten, de tienden van koren, most en olie, als de cijns voor de levieten, zangers en poortwachters, en het hefoffer der priesters had opgeborgen.
5Опорядив задля його велику складницю, де переднїйше складали харчові приноси, ладан і посуд, і десятини збіжеві, й з вина й оливи, постановлені законом про левітів, сьпівцїв та воротарів і приноси задля сьвященників.
6Toen dit alles voorviel, was ik echter niet in Jerusalem; want in het twee en dertigste jaar van Artaxerxes, den koning van Babel, was ik naar den koning gegaan, en eerst enige tijd later had ik den koning verlof gevraagd,
6Як се все дїялось, не був я в Ерусалимі, бо трийцять другого року царя Вавилонського Артаксеркса ходив я до царя та в кілька день відпросився в царя.
7om naar Jerusalem terug te keren. Toen ik bemerkte, wat kwaad Eljasjib had gedaan, door voor Tobi-ja een kamer in te ruimen op de voorhoven van het huis van God,
7Як прийшов я в Ерусалим і довідався про погане дїло, яке зробив Елїяшив, опорядивши про Товію складницю в дворах дому Божого,
8was ik er hevig over verontwaardigd. Ik liet al het huisraad van Tobi-ja naar buiten smijten,
8То менї стало дуже немило, й я повикидав із складницї всї хатні речі Товіїні,
9gelastte, de kamer te reinigen, en liet er de tempelvaten met het spijsoffer en de wierook in terugbrengen.
9І сказав, щоб вичистили кімнати, й приказав повносити знов посуд дому Божого, харчовий принос та ладан.
10Ook vernam ik, dat de cijnzen voor de levieten niet. werden opgebracht, en dat daarom de levieten met de zangers, die voor de eredienst moesten zorgen, naar hun eigen akkers waren teruggetrokken.
10Ще ж довідався я, що левітам не дають частки, та що левіти й сьпівцї, що робили своє дїло, порозбігались, кожний на своє поле.
11Ik beklaagde mij erover bij de voormannen, en sprak: Waarom heeft men het huis van God verwaarloosd? Ik riep ze dus terug, en stelde ze weer op hun post;
11І докоряв я старшинам і сказав: Чому опустили ми дім Божий? І я зібрав їх і поставив їх на їх місце.
12en al de Judeërs brachten weer de tienden aan koren, most en olie naar de voorraadkamers.
12І всї Юдеї стали приносити десятини пашні, вина та оливи в комори.
13Vervolgens stelde ik den priester Sjelemja, den schriftgeleerde Sadok en den leviet Pedaja aan, om toezicht op de voorraadkamers te houden, en als hun helper Chanan, den zoon van Zakkoer, zoon van Mattanja; en daar zij voor eerlijke lieden golden, werd hun de taak opgedragen, de uitkering aan hun broeders te doen.
13І приставив я до комор Шелемію, сьвященника, та письменника Садока, та Федаю з левітів, а при їх Ханана, сина Закхурового, сина Маттанїїного, бо їх уважали за певних. І їм поручено роздавати частки братам своїм.
14Mijn God, wees hierom mijner indachtig, en wis mijn goede daden niet uit, die ik voor het huis van God en zijn eredienst heb verricht!
14Згадай про мене за се, Боже мій, й не затри щирих дїл моїх, що я вчинив задля дому Бога мого й служби при йому!
15In die tijd bemerkte ik, dat sommigen in Juda op de sabbat de perskuipen traden en vrachten koren binnenhaalden, en dat zij zelfs op de sabbat wijn, druiven, vijgen en allerlei koopwaar op ezels laadden en naar Jerusalem brachten. Hen waarschuwde ik, zodra zij levensmiddelen verkochten.
15В ті часи побачив я в Юдеї, що в суботу топчуть в точилах, возять снопи і навантажують на ослів вина, винограду, фіґ і всякої ваги й везуть у Ерусалим в день субітнїй. І я докоряв їм дуже того ж таки дня, як вони продавали їжу.
16Maar toen ook de Tyriërs, die in Jerusalem woonden, op de sabbat vis en allerlei koopwaar begonnen aan te voeren en aan de Judeërs verkochten,
16Та й Тирийцї жили в Юдеї і привозили рибу та всякий крам і продавали в суботу осадникам Юдеї та Ерусалиму.
17beklaagde ik mij daarover bij de edelen van Juda, en sprak tot hen: Beseft gij niet, wat kwaad gij doet, door zó de sabbat te ontheiligen?
17І я докоряв значнїйшим із Юдеїв і сказав їм: Навіщо робите ви таке погане дїло й поганите день суботнїй?
18Hebben uw vaderen niet hetzelfde gedaan, en heeft onze God daarom niet over ons en deze stad al die rampen gebracht? Gaat gij nu de gramschap over Israël nog erger doen woeden, door de sabbat te ontheiligen?
18Чи ж не так чинили батькі наші, й за те послав Бог наш на нас і на се місто все це лихо? А ви збільшуєте гнїв його на Ізраїля, зневажаючи суботу!
19En ik beval, bij het begin van de sabbat, zodra de poorten van Jerusalem in het donker lagen, de deuren te sluiten, en ze niet te openen, voordat de sabbat voorbij was. Ik stelde enigen van mijn mannen bij de poorten op wacht, zodat er op de sabbat geen last naar binnen kon worden gebracht.
19Після сього, як смеркало перед суботою в воротях Ерусалимських, приказав я запірати двері й звелїв, щоб не отвирали їх аж до ранку послї суботи. І ставив я коло воріт слуг моїх, щоб нїяка вантага не проходила в день суботнїй.
20Toen nu echter de kramers en kooplieden in allerlei waren buiten Jerusalem bleven overnachten,
20І ночували крамарі та перекупнї всякого краму не раз і не два знадвору під Ерусалимом.
21waarschuwde ik hen en sprak tot hen: Hoe durft gij vlak bij de muur overnachten! Zo gij het nog eens durft wagen, zal ik mijn hand aan u slaan. Sinds die tijd zijn ze op de sabbat niet meer gekomen.
21Але я сварив на їх дуже і сказав їм: Чого ви ночуєте коло муру? Коли се вчините ще раз, то я наложу на вас руку. Від того часу вони не приходили в суботу.
22Toch beval ik de levieten, zich te reinigen, en de poorten te komen bewaken, om de sabbat heilig te houden. Mijn God, wees mij ook hierom indachtig, en ontferm U mijner naar de rijkdom van uw genade.
22І сказав я левітам, щоб вони очистились і прийшли відбувати сторожу коло воріт, щоб сьвятити день субітнїй. І за се спогадай на мене, Боже мій, і пощади мене після великого милосердя твого!
23In die tijd bemerkte ik ook, dat er Joden waren, die vrouwen uit Asjdod, Ammon en Moab hadden getrouwd,
23Ще бачив я в тих часах Юдеїв, що побрали собі жінок із Азотїїв, Аммонїїв та Моабіїв;
24en wier kinderen voor de helft geen joods konden spreken, maar wel asjdodietisch of de taal van een of ander volk.
24А через те їх дїти говорять пополовинї по азотсьски, або мовою инчих народів, і не вміють говорити по юдейськи.
25Ik verweet het hun en vervloekte hen, ranselde sommigen hunner af en trok ze de haren uit. Ik bezwoer ze bij God: Neen, gij moogt uw dochters niet aan hun zonen geven, en hun dochters niet voor uw zonen nemen of voor uzelf!
25Я лаяв і кляв їх за се, а декотрих чоловіків бив, скуб їх за волосся й заклинав їх Богом, щоб вони не видавали дочок своїх за синів їх, і не брали дочок їх за синів своїх і за себе.
26Is Salomon, Israëls koning, niet om vreemde vrouwen in zonde gevallen? Ofschoon er onder de grote volken geen koning was zoals hij, ofschoon hij een gunsteling was van zijn God, die hem tot koning over heel Israël had aangesteld, hebben zij hem tot zonde verleid.
26Бо чи ж не через їх грішив Соломон, царь Ізрайлїв? В багатьох народів не було такого царя, як він. Він був любий Богові свойму, й Бог настановив його царем над усїма Ізрайлитянами, одначе ж чужоземські жінки довели до гріха й його.
27Is het dan niet ongehoord, dat gij zo’n groot kwaad durft bedrijven, en ontrouw wordt aan onzen God, door vreemde vrouwen te huwen?
27Хиба ж можемо ми (байдужно) чути про вас, що ви чините таке велике зло, й грішите перед Богом нашим, приймаючи чужоземських жінок?
28En een der zonen van Jojada, den zoon van den hogepriester Eljasjib, die de schoonzoon van Sanbállat, den Choroniet, was geworden, joeg ik uit mijn omgeving weg.
28Навіть споміж синів Йоади, сина первосьвященника Елїяшива, був один зятем Санаваллата з Хорону. Я ж і прогнав його від себе.
29Mijn God, reken hun de ontwijding van het priesterschap en het verbond der priesters en levieten aan!
29Пригадай їм, Боже мій, що вони опоганили сьвященство і заповіт сьвященницький і левітський!
30Zo reinigde ik hen van al wat uitheems was, regelde de dienst van priesters en levieten, zodat ieder zijn eigen taak had,
30Так обчистив я їх від усього чужоземського й позаводив наново служби сьвященників і левітів, кожного при його дїлї,
31en regelde de levering van hout op vaste tijden, en de eerstelingen. Mijn God, gedenk mijner ten goede!
31І приставу дров в призначений час, і первоплодів. Спогадай мене, Боже мій, на добро менї!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.