Nehemia 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Toen in die tijd uit het boek van Moses aan het volk werd voorgelezen, vond men daarin voorgeschreven: Geen Ammoniet of Moabiet mag ooit tot de gemeente Gods toetreden;
1در آن روز، کتاب موسی را به سمع قوم خواندند و در آن نوشتهای یافت شد که عمونیان و موآبیان تا به ابد به جماعت خدا داخل نشوند.
2want zij hebben de kinderen Israëls niet aan brood en water geholpen, maar hebben Balaäm gehuurd, om hen te vervloeken, ofschoon onze God de vloek in zegening heeft veranderd.
2چونکه ایشان بنیاسرائیل را به نان و آب استقبال نکردند، بلکه بلعام را به ضد ایشان اجیرنمودند تا ایشان را لعنت نماید اما خدای ما لعنت را به برکت تبدیل نمود.
3Toen men deze wet had gehoord, zonderde men allen, die van gemengd ras waren, van Israël af.
3پس چون تورات راشنیدند، تمامی گروه مختلف را از میان اسرائیل جدا کردند.
4Maar reeds vroeger was de priester Eljasjib, die met het toezicht over de kamers van het huis van onzen God was belast, aan Tobi-ja verwant geworden.
4و قبل از این الیاشیب کاهن که بر حجره های خانه خدای ما تعیین شده بود، با طوبیا قرابتی داشت.
5Daarom had hij hem een grote kamer ingeruimd, waar men vroeger het spijsoffer, de wierook, de vaten, de tienden van koren, most en olie, als de cijns voor de levieten, zangers en poortwachters, en het hefoffer der priesters had opgeborgen.
5و برای او حجره بزرگ ترتیب داده بودکه در آن قبل از آن هدایای آردی و بخور وظروف را و عشر گندم و شراب و روغن را که فریضه لاویان و مغنیان و دربانان بود و هدایای افراشتنی کاهنان را میگذاشتند.
6Toen dit alles voorviel, was ik echter niet in Jerusalem; want in het twee en dertigste jaar van Artaxerxes, den koning van Babel, was ik naar den koning gegaan, en eerst enige tijd later had ik den koning verlof gevraagd,
6و در همه آن وقت، من در اورشلیم نبودم زیرا در سال سی ودوم ارتحشستا پادشاه بابل، نزد پادشاه رفتم و بعداز ایامی چند از پادشاه رخصت خواستم.
7om naar Jerusalem terug te keren. Toen ik bemerkte, wat kwaad Eljasjib had gedaan, door voor Tobi-ja een kamer in te ruimen op de voorhoven van het huis van God,
7وچون به اورشلیم رسیدم، از عمل زشتی که الیاشیب درباره طوبیا کرده بود، از اینکه حجرهای برایش در صحن خانه خدا ترتیب نموده بود، آگاه شدم.
8was ik er hevig over verontwaardigd. Ik liet al het huisraad van Tobi-ja naar buiten smijten,
8و این امر به نظر من بسیار ناپسند آمده، پس تمامی اسباب خانه طوبیا را از حجره بیرون ریختم.
9gelastte, de kamer te reinigen, en liet er de tempelvaten met het spijsoffer en de wierook in terugbrengen.
9و امر فرمودم که حجره را تطهیر نمایندو ظروف خانه خدا و هدایا و بخور را در آن بازآوردم.
10Ook vernam ik, dat de cijnzen voor de levieten niet. werden opgebracht, en dat daarom de levieten met de zangers, die voor de eredienst moesten zorgen, naar hun eigen akkers waren teruggetrokken.
10و فهمیدم که حصه های لاویان را به ایشان نمی دادند و از این جهت، هر کدام از لاویان ومغنیانی که مشغول خدمت میبودند، به مزرعه های خویش فرار کرده بودند.
11Ik beklaagde mij erover bij de voormannen, en sprak: Waarom heeft men het huis van God verwaarloosd? Ik riep ze dus terug, en stelde ze weer op hun post;
11پس باسروران مشاجره نموده، گفتم چرا درباره خانه خدا غفلت مینمایند. و ایشان را جمع کرده، درجایهای ایشان برقرار نمودم.
12en al de Judeërs brachten weer de tienden aan koren, most en olie naar de voorraadkamers.
12و جمیع یهودیان، عشر گندم و عصیر انگور و روغن را درخزانهها آوردند.
13Vervolgens stelde ik den priester Sjelemja, den schriftgeleerde Sadok en den leviet Pedaja aan, om toezicht op de voorraadkamers te houden, en als hun helper Chanan, den zoon van Zakkoer, zoon van Mattanja; en daar zij voor eerlijke lieden golden, werd hun de taak opgedragen, de uitkering aan hun broeders te doen.
13و شلمیای کاهن و صادوق کاتب و فدایا را که از لاویان بود، بر خزانه هاگماشتم و به پهلوی ایشان، حانان بن زکور بن متنیارا، زیرا که مردم ایشان را امین میپنداشتند و کارایشان این بود که حصه های برادران خود را به ایشان بدهند.
14Mijn God, wees hierom mijner indachtig, en wis mijn goede daden niet uit, die ik voor het huis van God en zijn eredienst heb verricht!
14ای خدایم مرا درباره این کار بیاد آور وحسناتی را که برای خانه خدای خود و وظایف آن کردهام محو مساز.
15In die tijd bemerkte ik, dat sommigen in Juda op de sabbat de perskuipen traden en vrachten koren binnenhaalden, en dat zij zelfs op de sabbat wijn, druiven, vijgen en allerlei koopwaar op ezels laadden en naar Jerusalem brachten. Hen waarschuwde ik, zodra zij levensmiddelen verkochten.
15در آن روزها، در یهودا بعضی را دیدم که چرخشتها را در روز سبت میفشردند و بافه هامی آوردند و الاغها را بار میکردند و شراب وانگور و انجیر و هر گونه حمل را نیز در روز سبت به اورشلیم میآوردند. پس ایشان را بهسبب فروختن ماکولات در آن روز تهدید نمودم.
16Maar toen ook de Tyriërs, die in Jerusalem woonden, op de sabbat vis en allerlei koopwaar begonnen aan te voeren en aan de Judeërs verkochten,
16وبعضی از اهل صور که در آنجا ساکن بودند، ماهی و هرگونه بضاعت میآوردند و در روز سبت، به بنی یهودا و اهل اورشلیم میفروختند.
17beklaagde ik mij daarover bij de edelen van Juda, en sprak tot hen: Beseft gij niet, wat kwaad gij doet, door zó de sabbat te ontheiligen?
17پس با بزرگان یهودا مشاجره نمودم و به ایشان گفتم: «این چه عمل زشت است که شمامی کنید و روز سبت را بیحرمت مینمایید؟
18Hebben uw vaderen niet hetzelfde gedaan, en heeft onze God daarom niet over ons en deze stad al die rampen gebracht? Gaat gij nu de gramschap over Israël nog erger doen woeden, door de sabbat te ontheiligen?
18آیا پدران شما چنین نکردند و آیا خدای ما تمامی این بلا را بر ما و بر این شهر وارد نیاورد؟ وشما سبت را بیحرمت نموده، غضب را براسرائیل زیاد میکنید.»
19En ik beval, bij het begin van de sabbat, zodra de poorten van Jerusalem in het donker lagen, de deuren te sluiten, en ze niet te openen, voordat de sabbat voorbij was. Ik stelde enigen van mijn mannen bij de poorten op wacht, zodat er op de sabbat geen last naar binnen kon worden gebracht.
19و هنگامی که دروازه های اورشلیم قبل از سبت سایه میافکند، امر فرمودم که دروازهها را ببندند و قدغن کردم که آنها را تا بعد از سبت نگشایند و بعضی از خادمان خود را بر دروازهها قرار دادم که هیچ بار در روزسبت آورده نشود.
20Toen nu echter de kramers en kooplieden in allerlei waren buiten Jerusalem bleven overnachten,
20پس سوداگران و فروشندگان هرگونه بضاعت، یک دو دفعه بیرون از اورشلیم شب رابسر بردند.
21waarschuwde ik hen en sprak tot hen: Hoe durft gij vlak bij de muur overnachten! Zo gij het nog eens durft wagen, zal ik mijn hand aan u slaan. Sinds die tijd zijn ze op de sabbat niet meer gekomen.
21اما من ایشان را تهدید کرده، گفتم: «شما چرا نزد دیوار شب را بسر میبرید؟ اگر باردیگر چنین کنید، دست بر شما میاندازم.» پس ازآنوقت دیگر در روز سبت نیامدند.
22Toch beval ik de levieten, zich te reinigen, en de poorten te komen bewaken, om de sabbat heilig te houden. Mijn God, wees mij ook hierom indachtig, en ontferm U mijner naar de rijkdom van uw genade.
22و لاویان را امر فرمودم که خویشتن راتطهیر نمایند و آمده، دروازهها را نگاهبانی کنندتا روز سبت تقدیس شود. ای خدایم این را نیزبرای من بیاد آور و برحسب کثرت رحمت خود، بر من ترحم فرما.
23In die tijd bemerkte ik ook, dat er Joden waren, die vrouwen uit Asjdod, Ammon en Moab hadden getrouwd,
23در آن روزها نیز بعضی یهودیان را دیدم، که زنان از اشدودیان و عمونیان و موآبیان گرفته بودند.
24en wier kinderen voor de helft geen joods konden spreken, maar wel asjdodietisch of de taal van een of ander volk.
24و نصف کلام پسران ایشان، در زبان اشدود میبود و به زبان یهود نمی توانستند به خوبی تکلم نمایند، بلکه به زبان این قوم و آن قوم.
25Ik verweet het hun en vervloekte hen, ranselde sommigen hunner af en trok ze de haren uit. Ik bezwoer ze bij God: Neen, gij moogt uw dochters niet aan hun zonen geven, en hun dochters niet voor uw zonen nemen of voor uzelf!
25بنابراین با ایشان مشاجره نموده، ایشان را ملامت کردم و بعضی از ایشان را زدم و موی ایشان را کندم و ایشان را به خدا قسم داده، گفتم: «دختران خود را به پسران آنها مدهید و دختران آنها را به جهت پسران خود و به جهت خویشتن مگیرید.
26Is Salomon, Israëls koning, niet om vreemde vrouwen in zonde gevallen? Ofschoon er onder de grote volken geen koning was zoals hij, ofschoon hij een gunsteling was van zijn God, die hem tot koning over heel Israël had aangesteld, hebben zij hem tot zonde verleid.
26آیا سلیمان پادشاه اسرائیل در همین امر گناه نورزید با آنکه در امت های بسیارپادشاهی مثل او نبود؟ و اگرچه او محبوب خدای خود میبود و خدا او را به پادشاهی تمامی اسرائیل نصب کرده بود، زنان بیگانه او را نیزمرتکب گناه ساختند.
27Is het dan niet ongehoord, dat gij zo’n groot kwaad durft bedrijven, en ontrouw wordt aan onzen God, door vreemde vrouwen te huwen?
27پس آیا ما به شما گوش خواهیم گرفت که مرتکب این شرارت عظیم بشویم و زنان بیگانه گرفته، به خدای خویش خیانت ورزیم؟»
28En een der zonen van Jojada, den zoon van den hogepriester Eljasjib, die de schoonzoon van Sanbállat, den Choroniet, was geworden, joeg ik uit mijn omgeving weg.
28و یکی از پسران یهویاداع بن الیاشیب رئیس کهنه، داماد سنبلط حورونی بود. پس او رااز نزد خود راندم.
29Mijn God, reken hun de ontwijding van het priesterschap en het verbond der priesters en levieten aan!
29ای خدای من ایشان را بیاد آور، زیرا که کهانت و عهد کهانت و لاویان را بیعصمت کردهاند.
30Zo reinigde ik hen van al wat uitheems was, regelde de dienst van priesters en levieten, zodat ieder zijn eigen taak had,
30پس من ایشان را از هر چیز بیگانه طاهرساختم و وظایف کاهنان و لاویان را برقرارنمودم که هر کس بر خدمت خود حاضر شود.
31en regelde de levering van hout op vaste tijden, en de eerstelingen. Mijn God, gedenk mijner ten goede!
31و هدایای هیزم، در زمان معین و نوبرها رانیز. ای خدای من مرا به نیکویی بیاد آور.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.