Nehemia 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Maar op de vier en twintigste van dezelfde maand kwamen de kinderen Israëls bijeen, om in zak en as te vasten.
1و در روز بیست و چهارم این ماه، بنیاسرائیل روزهدار و پلاس دربر و خاک برسر جمع شدند.
2Het zaad van Israël scheidde zich van alle vreemdelingen af; en zij traden vooruit, om hun eigen zonden te belijden en de schuld hunner vaderen.
2و ذریت اسرائیل خویشتن رااز جمیع غربا جدا نموده، ایستادند و به گناهان خود و تقصیرهای پدران خویش اعتراف کردند.
3Gedurende een vierde deel van de dag lazen zij, overeind op hun plaats, uit het wetboek van Jahweh, hun God; gedurende een ander vierde deel legden ze hun belijdenis af, en wierpen zich neer voor Jahweh, hun God.
3و در جای خود ایستاده، یک ربع روز کتاب تورات یهوه خدای خود را خواندند و ربع دیگراعتراف نموده، یهوه خدای خود را عبادت نمودند.
4Op de verhoging der levieten stonden Jesjóea, Bani, Kadmiël, Sjebanja, Boenni, Sjerebeja, Bani en Kenáni, en smeekten met luider stem tot Jahweh, hun God.
4و یشوع و بانی و قدمیئیل و شبنیا و بنی و شربیا و بانی و کنانی بر زینه لاویان ایستادند و به آواز بلند، نزد یهوه خدای خویش استغاثه نمودند.
5En de levieten Jesjóea, Kadmiël, Bani, Chasjabneja, Sjerebeja, Hodi-ja, Sjebanja, Petachja antwoordden: Op, zegent Jahweh, uw God, in de eeuwen der eeuwen! En men loofde de heerlijke Naam, die alle lof en roem te boven gaat.
5آنگاه لاویان، یعنی یشوع و قدمیئیل وبانی و حشبنیا و شربیا و هودیا و شبنیا و فتحیاگفتند: «برخیزید و یهوه خدای خود را از ازل تا به ابد متبارک بخوانید. و اسم جلیل تو که از تمام برکات و تسبیحات اعلی تر است متبارک باد.
6Nu sprak Esdras: Gij, Jahweh, Gij alleen hebt de hemel gemaakt, de hemel der hemelen met heel zijn heir, de aarde met al wat er op is, de zeeën met alles erin. Gij zijt het, die alles in leven houdt, en voor wien het heir van de hemel zich buigt.
6توبه تنهایی یهوه هستی. تو فلک و فلک الافلاک وتمامی جنود آنها را و زمین را و هرچه بر آن است و دریاها را و هرچه در آنها است، ساختهای و توهمه اینها را حیات میبخشی و جنود آسمان تورا سجده میکنند.
7Gij, Jahweh, zijt de God, die Abram hebt uitverkoren, uit Oer der Chaldeën geleid, en hem Abraham hebt genoemd.
7توای یهوه آن خدا هستی که ابرام را برگزیدی و او را از اور کلدانیان بیرون آوردی واسم او را به ابراهیم تبدیل نمودی.
8Gij hebt zijn hart trouw voor uw aanschijn bevonden, en met hem een verbond gesloten, om aan zijn kroost het land der Kanaänieten, Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Jeboesieten en Girgasjieten te geven. En Gij hebt uw woord gestand gedaan, omdat Gij gerecht zijt.
8ودل او را به حضور خود امین یافته، با وی عهدبستی که زمین کنعانیان و حتیان و اموریان وفرزیان و یبوسیان و جرجاشیان را به او ارزانی داشته، به ذریت او بدهی و وعده خود را وفا نمودی، زیرا که عادل هستی.
9Gij hebt de ellende onzer vaderen in Egypte aanschouwd, en hun kermen gehoord bij de Rode Zee.
9و مصیبت پدران ما را در مصر دیدی و فریاد ایشان را نزد بحر قلزم شنیدی.
10En Gij hebt tekenen en wonderen gewrocht aan Farao, aan al zijn dienaars en aan het ganse volk van zijn land; want Gij wist, hoe zij hen hadden mishandeld. Zo hebt Gij U een naam bereid, zoals Gij thans nog bezit.
10و آیات و معجزات بر فرعون و جمیع بندگانش و تمامی قوم زمینش ظاهر ساختی، چونکه میدانستی که بر ایشان ستم مینمودندپس به جهت خود اسمی پیدا کردی، چنانکه امروز شده است.
11De zee hebt Gij voor hen in tweeën gekloofd, zodat ze droogvoets door de zee konden trekken; maar hun vervolgers hebt Gij in de kolken geslingerd, als een steen in de geweldige wateren.
11و دریا را به حضور ایشان منشق ساختی تا از میان دریا به خشکی عبورنمودند و تعاقب کنندگان ایشان را به عمقهای دریا مثل سنگ در آب عمیق انداختی.
12In een wolkkolom hebt Gij hen geleid overdag, in een vuurkolom in de nacht, om hun weg te verlichten, die ze hadden te gaan.
12وایشان را در روز، به ستون ابر و در شب، به ستون آتش رهبری نمودی تا راه را که در آن باید رفت، برای ایشان روشن سازی.
13Op de berg Sinaï zijt Gij nedergedaald, hebt van de hemel uit tot hen gesproken, en hun rechtvaardige voorschriften, betrouwbare wetten, voortreffelijke instellingen en geboden geschonken.
13و بر کوه سینا نازل شده، با ایشان از آسمان تکلم نموده و احکام راست و شرایع حق و اوامر و فرایض نیکو را به ایشان دادی.
14Gij hebt hun uw heilige sabbat verkondigd door uw dienaar Moses, hun geboden, instellingen en wetten gegeven.
14و سبت مقدس خود را به ایشان شناسانیدی و اوامر و فرایض و شرایع به واسطه بنده خویش موسی به ایشان امر فرمودی.
15Gij hebt hun brood uit de hemel tegen de honger geschonken, en water uit de rots doen stromen tegen hun dorst. Gij hebt hun gezegd, het land in bezit te gaan nemen, dat Gij met opgestoken hand hadt beloofd, hun te geven.
15و نان از آسمان برای گرسنگی ایشان دادی و آب ازصخره برای تشنگی ایشان جاری ساختی و به ایشان وعده دادی که به زمینی که دست خود رابرافراشتی که آن را به ایشان بدهی داخل شده، آن را به تصرف آورند.
16Maar onze vaderen waren opstandig, hardnekkig, en wilden naar uw geboden niet luisteren.
16«لیکن ایشان و پدران ما متکبرانه رفتارنموده، گردن خویش را سخت ساختند و اوامر تورا اطاعت ننمودند.
17Ze weigerden te gehoorzamen, en dachten niet terug aan de wonderen, die Gij voor hen hadt gewrocht; hardnekkig en koppig wilden ze terug naar de slavernij van Egypte. Maar Gij waart een God vol vergeving, genadig, barmhartig, lankmoedig en van grote ontferming, en Gij liet hen niet in de steek.
17و از شنیدن ابا نمودند واعمال عجیبهای را که در میان ایشان نمودی بیادنیاوردند، بلکه گردن خویش را سخت ساختند و فتنه انگیخته، سرداری تعیین نمودند تا (به زمین )بندگی خود مراجعت کنند. اما تو خدای غفار وکریم و رحیم و دیرغضب و کثیراحسان بوده، ایشان را ترک نکردی.
18Zelfs toen ze zich een gegoten kalf hadden gemaakt, en in vreselijke godslastering hadden gezegd: “Dit is uw god, die u uit Egypte heeft geleid”,
18بلکه چون گوساله ریخته شدهای برای خود ساختند و گفتند: (ای اسرائیل )! این خدای تو است که تو را از مصربیرون آورد. و اهانت عظیمی نمودند.
19zelfs toen nog hebt Gij in uw grote ontferming ze in de woestijn niet verlaten. De wolkkolom week niet van hen overdag, om hen op de weg te geleiden, en de vuurkolom niets des nachts, om hun weg te verlichten, die ze hadden te gaan;
19آنگاه تونیز برحسب رحمت عظیم خود، ایشان را دربیابان ترک ننمودی، و ستون ابر در روز که ایشان را در راه رهبری مینمود از ایشان دور نشد و نه ستون آتش در شب که راه را که در آن باید بروندبرای ایشان روشن میساخت.
20Gij zijt uw goede geest blijven schenken, om hen te onderrichten; Gij hebt uw manna aan hun mond niet ontzegd, en water voor hun dorst gegeven;
20و روح نیکوی خود را به جهت تعلیم ایشان دادی و من خویش را از دهان ایشان باز نداشتی و آب برای تشنگی ایشان، به ایشان عطا فرمودی.
21veertig jaar lang zijt Gij hen in de woestijn blijven verzorgen, zodat het hun aan niets heeft ontbroken, hun kleren niet waren versleten, hun voeten niet waren gezwollen.
21و ایشان را دربیابان چهل سال پرورش دادی که به هیچچیزمحتاج نشدند. لباس ایشان مندرس نگردید وپایهای ایشان ورم نکرد.
22Gij hebt hun koninkrijken en volkeren overgeleverd, en ze stuk voor stuk verdeeld; zo hebben zij het land van Sichon, den koning van Chesjbon, veroverd, en het land van Og, den koning van Basjan.
22و ممالک و قومها به ایشان ارزانی داشته، آنها را تا حدود تقسیم نمودی و زمین سیحون و زمین پادشاه حشبون وزمین عوج پادشاه باشان را به تصرف آوردند.
23Hun kinderen hebt Gij talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel, en ze naar het land gebracht, dat Gij hun vaderen bevolen hadt, in bezit te gaan nemen.
23وپسران ایشان را مثل ستارگان آسمان افزوده، ایشان را به زمینی که به پدران ایشان وعده داده بودی که داخل شده، آن را به تصرف آورند، درآوردی.
24En die kinderen zijn in het land gekomen, en hebben het veroverd; en Gij hebt de Kanaänieten, die het land bewoonden, aan hen onderworpen en ze in hun macht gegeven, koningen zowel als de landsbevolking, om met hen te doen, wat ze wilden.
24«پس، پسران ایشان داخل شده، زمین را به تصرف آوردند و کنعانیان را که سکنه زمین بودند، به حضور ایشان مغلوب ساختی و آنها را با پادشاهان آنها و قومهای زمین، بهدست ایشان تسلیم نمودی، تا موافق اراده خود با آنها رفتارنمایند.
25Ze hebben versterkte steden en vette akkers veroverd, huizen genomen met heel de have erin, uitgehouwen vijvers en wijngaarden, olijven en vruchtbomen zonder tal. Maar toen zij hadden gegeten, verzadigd waren en vet, en van al uw goede gaven hadden genoten,
25پس شهرهای حصاردار و زمینهای برومند گرفتند و خانه های پر از نفایس وچشمه های کنده شده و تاکستانها و باغات زیتون و درختان میوه دار بیشمار به تصرف آوردند وخورده و سیر شده و فربه گشته، از نعمتهای عظیم تو متلذذ گردیدند.
26zijn ze weerbarstig geworden, en tegen U in opstand gekomen, hebben zij uw Wet achter de rug gesmeten en uw profeten vermoord, die hen vermaanden, zich tot U te bekeren, en vreselijke godslasteringen uitgebraakt.
26و بر تو فتنه انگیخته و تمردنموده، شریعت تو را پشت سر خود انداختند وانبیای تو را که برای ایشان شهادت میآوردند تابسوی تو بازگشت نمایند، کشتند و اهانت عظیمی به عمل آوردند.
27Toen hebt Gij hen aan hun verdrukkers overgeleverd, die hen benauwden. Doch als zij in hun tijd van benauwing maar weer tot U riepen, hebt Gij van de hemel uit hen verhoord, en hun in uw grote ontferming redders geschonken, die hen uit de macht hunner verdrukkers verlosten.
27آنگاه تو ایشان را بهدست دشمنانشان تسلیم نمودی تا ایشان را به تنگ آورند و در حین تنگی خویش، نزد تواستغاثه نمودند و ایشان را از آسمان اجابت نمودی و برحسب رحمتهای عظیم خود، نجات دهندگان به ایشان دادی که ایشان را ازدست دشمنانشان رهانیدند.
28Maar nauwelijks hadden ze rust herkregen, of ze deden weer kwaad voor uw aanschijn. Dan bracht Gij ze onder de macht van hun vijand, die ze vertrapte. Doch riepen ze weer tot U, dan hebt Gij van de hemel uit hen verhoord, en in uw grote ontferming hen talloze malen verlost.
28«اما چون استراحت یافتند، بار دیگر به حضور تو شرارت ورزیدند و ایشان را بهدست دشمنانشان واگذاشتی که بر ایشان تسلط نمودند. و چون باز نزد تو استغاثه نمودند، ایشان را ازآسمان اجابت نمودی و برحسب رحمتهای عظیمت، بارهای بسیار ایشان را رهایی دادی.
29Gij zijt ze blijven vermanen, om ze tot uw Wet te bekeren. Maar zij bleven opstandig, gehoorzaamden niet aan uw geboden, en zondigden tegen uw voorschriften, wier vervulling den mens het leven behoudt; ze maakten hun schouder onwillig, en star hun nek, en wilden niet horen.
29و برای ایشان شهادت فرستادی تا ایشان را به شریعت خود برگردانی، اما ایشان متکبرانه رفتارنموده، اوامر تو را اطاعت نکردند و به احکام توکه هرکه آنها را بجا آورد از آنها زنده میماند، خطاورزیدند و دوشهای خود را معاند و گردنهای خویش را سخت نموده، اطاعت نکردند.
30Jaren lang hadt Gij geduld met hen, en bleeft Gij ze vermanen door uw geest, die Gij hun door uw profeten zondt; maar zij luisterden niet. Toen hebt Gij ze overgeleverd aan de volken der landen.
30«معهذا سالهای بسیار با ایشان مدارانمودی و به روح خویش به واسطه انبیای خودبرای ایشان شهادت فرستادی، اما گوش نگرفتند. لهذا ایشان را بهدست قوم های کشورهاتسلیم نمودی.
31Maar ook toen nog hebt Gij ze in uw grote ontferming niet geheel vernietigd, niet geheel verlaten; want Gij zijt een genadige en barmhartige God!
31اما برحسب رحمتهای عظیمت، ایشان را بالکل فانی نساختی و ترک ننمودی، زیراخدای کریم و رحیم هستی.
32Nu dan Jahweh, onze God: grote, sterke, ontzagwekkende God, die het Verbond en de genade gestand doet: tel toch al de rampen niet licht, die ons, onze koningen en leiders, priesters en profeten, onze vaderen en uw ganse volk hebben getroffen sinds de tijd der koningen van Assjoer tot de dag van vandaag!
32و الانای خدای ما، ای خدای عظیم و جبار و مهیب که عهد ورحمت را نگاه میداری، زنهار تمامی این مصیبتی که بر ما و بر پادشاهان و سروران و کاهنان و انبیا و پدران ما و بر تمامی قوم تو از ایام پادشاهان اشور تا امروز مستولی شده است، درنظر تو قلیل ننماید.
33Gij waart rechtvaardig bij al wat ons is geschied; want Gij hieldt uw trouw, maar wij deden kwaad.
33و تو در تمامی این چیزهایی که بر ما وارد شده است عادل هستی، زیرا که تو به راستی عمل نمودهای، اما ما شرارت ورزیدهایم.
34Onze koningen, leiders en priesters, onze vaderen hebben uw wet niet volbracht, niet geluisterd naar uw geboden en waarschuwingen, die Gij hun hebt gegeven.
34و پادشاهان و سروران و کاهنان وپدران ما به شریعت تو عمل ننمودند و به اوامر وشهادات تو که به ایشان امر فرمودی، گوش ندادند.
35Toen zij het koningschap hadden, hebben zij trots de rijke zegen, die Gij hun hadt gegeven, trots de uitgestrektheid en vruchtbaarheid van het land, dat Gij hun hadt geschonken, U niet gediend, en zich van hun zondig gedrag niet bekeerd.
35و در مملکت خودشان و در احسان عظیمی که به ایشان نمودی و در زمین وسیع وبرومند که پیش روی ایشان نهادی تو را عبادت ننمودند و از اعمال شنیع خویش بازگشت نکردند.
36Daarom zijn wij nu slaven in het land, dat Gij aan onze vaderen hebt geschonken, om er de vruchten en het goede van te genieten. Ja, slaven zijn wij in het land;
36«اینک ما امروز غلامان هستیم و در زمینی که به پدران ما دادی تا میوه و نفایس آن رابخوریم، اینک در آن غلامان هستیم.
37en de koningen, die Gij om onze zonden over ons hebt gesteld, halen de rijke oogst ervan in. Zij beschikken naar willekeur over ons lijf en ons vee, en wij verkeren in grote ellende!
37و آن، محصول فراوان خود را برای پادشاهانی که بهسبب گناهان ما، بر ما مسلط ساختهای میآورد و ایشان بر جسدهای ما و چهارپایان ما برحسب اراده خود حکمرانی میکنند و ما در شدت تنگی گرفتار هستیم.
38Daarom gaan wij heden een schriftelijke verbintenis aan, bezegeld door onze leiders, levieten en priesters.
38و بهسبب همه این امور، ما عهدمحکم بسته، آن را نوشتیم و سروران و لاویان وکاهنان ما آن را مهر کردند.»
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.