Nehemia
Chapter 9
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Maar op de vier en twintigste van dezelfde maand kwamen de kinderen Israëls bijeen, om in zak en as te vasten.
1ΚΑΙ ἐν ἡμέρᾳ εἰκοστῇ καὶ τετάρτῃ τοῦ μηνὸς τούτου συνήχθησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐν νηστείᾳ καὶ ἐν σάκκοις καὶ σποδῷ ἐπὶ κεφαλῆς αὐτῶν.
2Het zaad van Israël scheidde zich van alle vreemdelingen af; en zij traden vooruit, om hun eigen zonden te belijden en de schuld hunner vaderen.
2καὶ ἐχωρίσθησαν οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἀπὸ παντὸς υἱοῦ ἀλλοτρίου καὶ ἔστησαν καὶ ἐξηγόρευσαν τὰς ἁμαρτίας αὐτῶν καὶ τὰς ἀνομίας τῶν πατέρων αὐτῶν.
3Gedurende een vierde deel van de dag lazen zij, overeind op hun plaats, uit het wetboek van Jahweh, hun God; gedurende een ander vierde deel legden ze hun belijdenis af, en wierpen zich neer voor Jahweh, hun God.
3καὶ ἔστησαν ἐπὶ τῇ στάσει αὐτῶν καὶ ἀνέγνωσαν ἐν βιβλίῳ νόμου Κυρίου Θεοῦ αὐτῶν καὶ ἦσαν ἐξαγορεύοντες τῷ Κυρίῳ καὶ προσκυνοῦντες τῷ Κυρίῳ Θεῷ αὐτῶν.
4Op de verhoging der levieten stonden Jesjóea, Bani, Kadmiël, Sjebanja, Boenni, Sjerebeja, Bani en Kenáni, en smeekten met luider stem tot Jahweh, hun God.
4καὶ ἔστη ἐπὶ ἀναβάσει τῶν Λευιτῶν Ἰησοῦς καὶ οἱ υἱοὶ Καδμιήλ, Σεχενία υἱὸς Σαραβία, υἱοὶ Χωνενὶ καὶ ἐβόησαν φωνῇ μεγάλῃ πρὸς Κύριον τὸν Θεὸν αὐτῶν.
5En de levieten Jesjóea, Kadmiël, Bani, Chasjabneja, Sjerebeja, Hodi-ja, Sjebanja, Petachja antwoordden: Op, zegent Jahweh, uw God, in de eeuwen der eeuwen! En men loofde de heerlijke Naam, die alle lof en roem te boven gaat.
5καὶ εἴποσαν οἱ Λευῖται Ἰησοῦς καὶ Καδμιήλ· ἀνάστητε, εὐλογεῖτε Κύριον τὸν Θεὸν ἡμῶν ἀπὸ τοῦ αἰῶνος καὶ ἕως τοῦ αἰῶνος· καὶ εὐλογήσουσιν ὄνομα δόξης σου καὶ ὑψώσουσιν ἐπὶ πάσῃ εὐλογίᾳ καὶ αἰνέσει.
6Nu sprak Esdras: Gij, Jahweh, Gij alleen hebt de hemel gemaakt, de hemel der hemelen met heel zijn heir, de aarde met al wat er op is, de zeeën met alles erin. Gij zijt het, die alles in leven houdt, en voor wien het heir van de hemel zich buigt.
6καὶ εἶπεν Ἔσδρας· σὺ εἶ αὐτὸς Κύριος μόνος, σὺ ἐποίησας τὸν οὐρανὸν καὶ τὸν οὐρανὸν τοῦ οὐρανοῦ καὶ πᾶσαν τὴν στάσιν αὐτῶν, τὴν γῆν καὶ πάντα, ὅσα ἐστὶν ἐν αὐτῇ, τὰς θαλάσσας καὶ πάντα τὰ ἐν αὐταῖς, καὶ σὺ ζωοποιεῖς τὰ πάντα, καὶ σοὶ προσκυνοῦσιν αἱ στρατιαὶ τῶν οὐρανῶν.
7Gij, Jahweh, zijt de God, die Abram hebt uitverkoren, uit Oer der Chaldeën geleid, en hem Abraham hebt genoemd.
7σὺ εἶ Κύριος ὁ Θεός· σὺ ἐξελέξω ἐν ¨Αβραμ καὶ ἐξήγαγες αὐτὸν ἐκ τῆς χώρας τῶν Χαλδαίων καὶ ἐπέθηκας αὐτῷ ὄνομα Ἁβραάμ·
8Gij hebt zijn hart trouw voor uw aanschijn bevonden, en met hem een verbond gesloten, om aan zijn kroost het land der Kanaänieten, Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Jeboesieten en Girgasjieten te geven. En Gij hebt uw woord gestand gedaan, omdat Gij gerecht zijt.
8καὶ εὗρες τὴν καρδίαν αὐτοῦ πιστὴν ἐνώπιόν σου καὶ διέθου πρὸς αὐτὸν διαθήκην δοῦναι αὐτῷ τὴν γῆν τῶν Χαναναίων καὶ Χετταίων καὶ Ἀμορραίων καὶ Φερεζαίων καὶ Ἰεβουσαίων καὶ Γεργεσαίων καὶ τῷ σπέρματι αὐτοῦ· καὶ ἔστησας τοὺς λόγους σου, ὅτι δίκαιος σύ.
9Gij hebt de ellende onzer vaderen in Egypte aanschouwd, en hun kermen gehoord bij de Rode Zee.
9καὶ εἶδες τὴν ταπείνωσιν τῶν πατέρων ἡμῶν ἐν Αἰγύπτῳ καὶ τὴν κραυγὴν αὐτῶν ἤκουσας ἐπὶ θάλασσαν ἐρυθράν.
10En Gij hebt tekenen en wonderen gewrocht aan Farao, aan al zijn dienaars en aan het ganse volk van zijn land; want Gij wist, hoe zij hen hadden mishandeld. Zo hebt Gij U een naam bereid, zoals Gij thans nog bezit.
10καὶ ἔδωκας σημεῖα καὶ τέρατα ἐν Αἰγύπτῳ ἐν Φαραὼ καὶ ἐν πᾶσι τοῖς παισὶν αὐτοῦ καὶ ἐν παντὶ τῷ λαῷ τῆς γῆς αὐτοῦ, ὅτι ἔγνως ὅτι ὑπερηφάνησαν ἐπ' αὐτούς, καὶ ἐποίησας σεαυτῷ ὄνομα ὡς ἡ ἡμέρα αὕτη.
11De zee hebt Gij voor hen in tweeën gekloofd, zodat ze droogvoets door de zee konden trekken; maar hun vervolgers hebt Gij in de kolken geslingerd, als een steen in de geweldige wateren.
11καὶ τὴν θάλασσαν ἔρρηξας ἐνώπιον αὐτῶν, καὶ παρήλθοσαν ἐν μέσῳ τῆς θαλάσσης ἐν ξηρασίᾳ, καὶ τοὺς καταδιώξοντας αὐτοὺς ἔρριψας εἰς βυθὸν ὡσεὶ λίθον ἐν ὕδατι σφοδρῷ.
12In een wolkkolom hebt Gij hen geleid overdag, in een vuurkolom in de nacht, om hun weg te verlichten, die ze hadden te gaan.
12καὶ ἐν στύλῳ νεφέλης ὡδήγησας αὐτοὺς ἡμέρας καὶ ἐν στύλῳ πυρὸς τὴν νύκτα τοῦ φωτίσαι αὐτοῖς τὴν ὁδόν, ἐν ᾗ πορεύσονται ἐν αὐτῇ.
13Op de berg Sinaï zijt Gij nedergedaald, hebt van de hemel uit tot hen gesproken, en hun rechtvaardige voorschriften, betrouwbare wetten, voortreffelijke instellingen en geboden geschonken.
13καὶ ἐπὶ ὄρος Σινὰ κατέβης καὶ ἐλάλησας πρὸς αὐτοὺς ἐξ οὐρανοῦ καὶ ἔδωκας αὐτοῖς κρίματα εὐθέα καὶ νόμους ἀληθείας, προστάγματα καὶ ἐντολὰς ἀγαθάς·
14Gij hebt hun uw heilige sabbat verkondigd door uw dienaar Moses, hun geboden, instellingen en wetten gegeven.
14καὶ τὸ σάββατόν σου τὸ ἅγιον ἐγνώρισας αὐτοῖς, ἐντολὰς καὶ προστάγματα καὶ νόμον ἐνετείλω αὐτοῖς ἐν χειρὶ Μωυσῆ δούλου σου.
15Gij hebt hun brood uit de hemel tegen de honger geschonken, en water uit de rots doen stromen tegen hun dorst. Gij hebt hun gezegd, het land in bezit te gaan nemen, dat Gij met opgestoken hand hadt beloofd, hun te geven.
15καὶ ἄρτον ἐξ οὐρανοῦ ἔδωκας αὐτοῖς εἰς σιτοδοτίαν αὐτῶν καὶ ὕδωρ ἐκ πέτρας ἐξήνεγκας αὐτοῖς εἰς δίψαν αὐτῶν. καὶ εἶπας αὐτοῖς εἰσελθεῖν κληρονομῆσαι τὴν γῆν, ἐφ' ἣν ἐξέτεινας τὴν χεῖρά σου δοῦναι αὐτοῖς.
16Maar onze vaderen waren opstandig, hardnekkig, en wilden naar uw geboden niet luisteren.
16καὶ αὐτοὶ καὶ οἱ πατέρες ἡμῶν ὑπερηφανεύσαντο καὶ ἐσκλήρυναν τὸν τράχηλον αὐτῶν καὶ οὐκ ἤκουσαν τῶν ἐντολῶν σου·
17Ze weigerden te gehoorzamen, en dachten niet terug aan de wonderen, die Gij voor hen hadt gewrocht; hardnekkig en koppig wilden ze terug naar de slavernij van Egypte. Maar Gij waart een God vol vergeving, genadig, barmhartig, lankmoedig en van grote ontferming, en Gij liet hen niet in de steek.
17καὶ ἀνένευσαν τοῦ εἰσακοῦσαι καὶ οὐκ ἐμνήσθησαν τῶν θαυμασίων σου, ὧν ἐποίησας μετ' αὐτῶν καὶ ἐσκλήρυναν τὸν τράχηλον αὐτῶν καὶ ἔδωκαν ἀρχὴν ἐπιστρέψαι εἰς δουλείαν αὐτῶν ἐν Αἰγύπτῳ. καὶ σὺ ὁ Θεὸς ἐλεήμων καὶ οἰκτίρμων, μακρόθυμος καὶ πολυέλεος, καὶ οὐκ ἐγκατέλιπες αὐτούς.
18Zelfs toen ze zich een gegoten kalf hadden gemaakt, en in vreselijke godslastering hadden gezegd: “Dit is uw god, die u uit Egypte heeft geleid”,
18ἔτι δὲ καὶ ἐποίησαν ἑαυτοῖς μόσχον χωνευτὸν καὶ εἶπαν· οὗτοι οἱ θεοὶ οἱ ἐξαγαγόντες ἡμᾶς ἐξ Αἰγύπτου· καὶ ἐποίησαν παροργισμοὺς μεγάλους.
19zelfs toen nog hebt Gij in uw grote ontferming ze in de woestijn niet verlaten. De wolkkolom week niet van hen overdag, om hen op de weg te geleiden, en de vuurkolom niets des nachts, om hun weg te verlichten, die ze hadden te gaan;
19καὶ σὺ ἐν οἰκτιρμοῖς σου τοῖς πολλοῖς οὐκ ἐγκατέλιπες αὐτοὺς ἐν τῇ ἐρήμῳ, τὸν στύλον τῆς νεφέλης οὐκ ἐξέκλινας ἀπ' αὐτῶν ἡμέρας ὁδηγῆσαι αὐτοὺς ἐν τῇ ὁδῷ καὶ τὸν στύλον τοῦ πυρὸς τὴν νύκτα, φωτίζειν αὐτοῖς τὴν ὁδόν, ἐν ᾗ πορεύσονται ἐν αὐτῇ.
20Gij zijt uw goede geest blijven schenken, om hen te onderrichten; Gij hebt uw manna aan hun mond niet ontzegd, en water voor hun dorst gegeven;
20καὶ τὸ πνεῦμά σου τὸ ἀγαθὸν ἔδωκας συνετίσαι αὐτοὺς καὶ τὸ μάννα σου οὐκ ἀφυστέρησας ἀπὸ στόματος αὐτῶν καὶ ὕδωρ ἔδωκας αὐτοῖς ἐν τῷ δίψει αὐτῶν.
21veertig jaar lang zijt Gij hen in de woestijn blijven verzorgen, zodat het hun aan niets heeft ontbroken, hun kleren niet waren versleten, hun voeten niet waren gezwollen.
21καὶ τεσσαράκοντα ἔτη διέθρεψας αὐτοὺς ἐν τῇ ἐρήμῳ, οὐχ ὑστέρησας αὐτοῖς οὐδέν· ἱμάτια αὐτῶν οὐκ ἐπαλαιώθησαν, καὶ πόδες αὐτῶν οὐ διερράγησαν.
22Gij hebt hun koninkrijken en volkeren overgeleverd, en ze stuk voor stuk verdeeld; zo hebben zij het land van Sichon, den koning van Chesjbon, veroverd, en het land van Og, den koning van Basjan.
22καὶ ἔδωκας αὐτοῖς βασιλείας καὶ λαοὺς ἐμέρισας αὐτοῖς, καὶ ἐκληρονόμησαν τὴν γῆν Σηὼν βασιλέως Ἐσεβὼν καὶ τὴν γῆν Ὢγ βασιλέως τοῦ Βασάν.
23Hun kinderen hebt Gij talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel, en ze naar het land gebracht, dat Gij hun vaderen bevolen hadt, in bezit te gaan nemen.
23καὶ τοὺς υἱοὺς αὐτῶν ἐπλήθυνας ὡς τοὺς ἀστέρας τοῦ οὐρανοῦ καὶ εἰσήγαγες αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν, ἣν εἶπας τοῖς πατράσιν αὐτῶν, καὶ ἐκληρονόμησαν αὐτήν.
24En die kinderen zijn in het land gekomen, en hebben het veroverd; en Gij hebt de Kanaänieten, die het land bewoonden, aan hen onderworpen en ze in hun macht gegeven, koningen zowel als de landsbevolking, om met hen te doen, wat ze wilden.
24καὶ ἐξέτριψας ἐνώπιον αὐτῶν τοὺς κατοικοῦντας τὴν γῆν τῶν Χαναναίων καὶ ἔδωκας αὐτοὺς εἰς τὰς χεῖρας αὐτῶν καὶ τοὺς βασιλεῖς αὐτῶν καὶ τοὺς λαοὺς τῆς γῆς ποιῆσαι αὐτοῖς ὡς ἀρεστὸν ἐνώπιον αὐτῶν.
25Ze hebben versterkte steden en vette akkers veroverd, huizen genomen met heel de have erin, uitgehouwen vijvers en wijngaarden, olijven en vruchtbomen zonder tal. Maar toen zij hadden gegeten, verzadigd waren en vet, en van al uw goede gaven hadden genoten,
25καὶ κατελάβοσαν πόλεις ὑψηλὰς καὶ ἐκληρονόμησαν οἰκίας πλήρεις πάντων ἀγαθῶν, λάκκους λελατομημένους, ἀμπελῶνας καὶ ἐλαιῶνας καὶ πᾶν ξύλον βρώσιμον εἰς πλῆθος· καὶ ἐφάγοσαν καὶ ἐνεπλήσθησαν καὶ ἐλιπάνθησαν καὶ ἐτρύφησαν ἐν ἀγαθωσύνῃ σου τῇ μεγάλῃ.
26zijn ze weerbarstig geworden, en tegen U in opstand gekomen, hebben zij uw Wet achter de rug gesmeten en uw profeten vermoord, die hen vermaanden, zich tot U te bekeren, en vreselijke godslasteringen uitgebraakt.
26καὶ ἤλλαξαν καὶ ἀπέστησαν ἀπὸ σοῦ καὶ ἔρριψαν τὸν νόμον σου ὀπίσω σώματος αὐτῶν καὶ τοὺς προφήτας σου ἀπέκτειναν, οἳ διεμαρτύραντο ἐν αὐτοῖς ἐπιστρέψαι αὐτοὺς πρός σε, καὶ ἐποίησαν παροργισμοὺς μεγάλους.
27Toen hebt Gij hen aan hun verdrukkers overgeleverd, die hen benauwden. Doch als zij in hun tijd van benauwing maar weer tot U riepen, hebt Gij van de hemel uit hen verhoord, en hun in uw grote ontferming redders geschonken, die hen uit de macht hunner verdrukkers verlosten.
27καὶ ἔδωκας αὐτοὺς ἐν χειρὶ θλιβόντων αὐτούς, καὶ ἔθλιψαν αὐτούς· καὶ ἀνεβόησαν πρός σε ἐν καιρῷ θλίψεως αὐτῶν, καὶ σὺ ἐξ οὐρανοῦ σου ἤκουσας καὶ ἐν οἰκτιρμοῖς σου τοῖς μεγάλοις ἔδωκας αὐτοῖς σωτῆρας καὶ ἔσωσας αὐτοὺς ἐκ χειρὸς θλιβόντων αὐτούς.
28Maar nauwelijks hadden ze rust herkregen, of ze deden weer kwaad voor uw aanschijn. Dan bracht Gij ze onder de macht van hun vijand, die ze vertrapte. Doch riepen ze weer tot U, dan hebt Gij van de hemel uit hen verhoord, en in uw grote ontferming hen talloze malen verlost.
28καὶ ὡς ἀνεπαύσαντο, ἐπέστρεψαν ποιῆσαι τὸ πονηρὸν ἐνώπιόν σου· καὶ ἐγκατέλιπες αὐτοὺς εἰς χεῖρας ἐχθρῶν αὐτῶν, καὶ κατῆρξαν ἐν αὐτοῖς· καὶ πάλιν ἀνεβόησαν πρός σε, καὶ σὺ ἐξ οὐρανοῦ εἰσήκουσας καὶ ἐρρύσω αὐτοὺς ἐν οἰκτιρμοῖς σου πολλοῖς.
29Gij zijt ze blijven vermanen, om ze tot uw Wet te bekeren. Maar zij bleven opstandig, gehoorzaamden niet aan uw geboden, en zondigden tegen uw voorschriften, wier vervulling den mens het leven behoudt; ze maakten hun schouder onwillig, en star hun nek, en wilden niet horen.
29καὶ ἐπεμαρτύρω αὐτοῖς ἐπιστρέψαι αὐτοὺς εἰς τὸν νόμον σου, καὶ οὐκ ἤκουσαν, ἀλλ' ἐν ταῖς ἐντολαῖς σου καὶ κρίμασί σου ἡμάρτοσαν, ἃ ποιήσας αὐτὰ ἄνθρωπος ζήσεται ἐν αὐτοῖς· καὶ ἔδωκαν νῶτον ἀπειθοῦντα καὶ τράχηλον αὐτῶν ἐσκλήρυναν καὶ οὐκ ἤκουσαν.
30Jaren lang hadt Gij geduld met hen, en bleeft Gij ze vermanen door uw geest, die Gij hun door uw profeten zondt; maar zij luisterden niet. Toen hebt Gij ze overgeleverd aan de volken der landen.
30καὶ εἵλκυσας ἐπ' αὐτοὺς ἔτη πολλὰ καὶ ἐπεμαρτύρω αὐτοῖς ἐν πνεύματί σου ἐν χειρὶ προφητῶν σου· καὶ οὐκ ἠνωτίσαντο, καὶ ἔδωκας αὐτοὺς ἐν χειρὶ λαῶν τῆς γῆς.
31Maar ook toen nog hebt Gij ze in uw grote ontferming niet geheel vernietigd, niet geheel verlaten; want Gij zijt een genadige en barmhartige God!
31καὶ σὺ ἐν οἰκτιρμοῖς σου τοῖς πολλοῖς οὐκ ἐποίησας αὐτοὺς συντέλειαν καὶ οὐκ ἐγκατέλιπες αὐτούς, ὅτι ἰσχυρὸς εἶ καὶ ἐλεήμων καὶ οἰκτίρμων.
32Nu dan Jahweh, onze God: grote, sterke, ontzagwekkende God, die het Verbond en de genade gestand doet: tel toch al de rampen niet licht, die ons, onze koningen en leiders, priesters en profeten, onze vaderen en uw ganse volk hebben getroffen sinds de tijd der koningen van Assjoer tot de dag van vandaag!
32καὶ νῦν, ὁ Θεὸς ἡμῶν ὁ ἰσχυρός, ὁ μέγας, ὁ κραταιὸς καὶ ὁ φοβερός, φυλάσσων τὴν διαθήκην σου καὶ τὸ ἔλεός σου, μὴ ὀλιγωθήτω ἐνώπιόν σου πᾶς ὁ μόχθος, ὃς εὗρεν ἡμᾶς καὶ τοὺς βασιλεῖς ἡμῶν καὶ τοὺς ἄρχοντας ἡμῶν καὶ τοὺς ἱερεῖς ἡμῶν καὶ τοὺς προφήτας ἡμῶν καὶ τοὺς πατέρας ἡμῶν καὶ ἐν παντὶ τῷ λαῷ σου ἀπὸ ἡμερῶν βασιλέων Ἀσσοὺρ καὶ ἕως τῆς ἡμέρας ταύτης.
33Gij waart rechtvaardig bij al wat ons is geschied; want Gij hieldt uw trouw, maar wij deden kwaad.
33καὶ σὺ δίκαιος ἐπὶ πᾶσι τοῖς ἐρχομένοις ἐφ' ἡμᾶς, ὅτι ἀλήθειαν ἐποίησας, καὶ ἡμεῖς ἐξημάρτομεν,
34Onze koningen, leiders en priesters, onze vaderen hebben uw wet niet volbracht, niet geluisterd naar uw geboden en waarschuwingen, die Gij hun hebt gegeven.
34καὶ οἱ βασιλεῖς ἡμῶν καὶ οἱ ἄρχοντες ἡμῶν καὶ οἱ ἱερεῖς ἡμῶν καὶ οἱ πατέρες ἡμῶν οὐκ ἐποίησαν τὸν νόμον σου καὶ οὐ προσέσχον τῶν ἐντολῶν σου καὶ τὰ μαρτύριά σου, ἃ διεμαρτύρω αὐτοῖς.
35Toen zij het koningschap hadden, hebben zij trots de rijke zegen, die Gij hun hadt gegeven, trots de uitgestrektheid en vruchtbaarheid van het land, dat Gij hun hadt geschonken, U niet gediend, en zich van hun zondig gedrag niet bekeerd.
35καὶ αὐτοὶ ἐν βασιλείᾳ σου καὶ ἐν ἀγαθωσύνῃ σου τῇ πολλῇ, ᾗ ἔδωκας αὐτοῖς, καὶ ἐν τῇ γῇ τῇ πλατείᾳ καὶ λιπαρᾷ, ᾗ ἔδωκας ἐνώπιον αὐτῶν, οὐκ ἐδούλευσάν σοι καὶ οὐκ ἀπέστρεψαν ἀπὸ ἐπιτηδευμάτων αὐτῶν τῶν πονηρῶν.
36Daarom zijn wij nu slaven in het land, dat Gij aan onze vaderen hebt geschonken, om er de vruchten en het goede van te genieten. Ja, slaven zijn wij in het land;
36ἰδοὺ σήμερόν ἐσμεν δοῦλοι, καὶ ἡ γῆ, ἣν ἔδωκας τοῖς πατράσιν ἡμῶν φαγεῖν τὸν καρπὸν αὐτῆς καὶ τὰ ἀγαθὰ αὐτῆς, ἰδού ἐσμεν δοῦλοι ἐπ' αὐτῆς,
37en de koningen, die Gij om onze zonden over ons hebt gesteld, halen de rijke oogst ervan in. Zij beschikken naar willekeur over ons lijf en ons vee, en wij verkeren in grote ellende!
37καὶ οἱ καρποὶ αὐτῆς πολλοὶ τοῖς βασιλεῦσιν, οἷς ἔδωκας ἐφ' ἡμᾶς ἐν ἁμαρτίαις ἡμῶν, καὶ ἐπὶ τὰ σώματα ἡμῶν ἐξουσιάζουσι καὶ ἐν κτήνεσιν ἡμῶν ὡς ἀρεστὸν αὐτοῖς, καὶ ἐν θλίψει μεγάλῃ ἐσμέν.
38Daarom gaan wij heden een schriftelijke verbintenis aan, bezegeld door onze leiders, levieten en priesters.
38καὶ ἐν πᾶσι τούτοις ἡμεῖς διατιθέμεθα πίστιν καὶ γράφομεν, καὶ ἐπισφραγίζουσιν ἄρχοντες ἡμῶν, Λευῖται ἡμῶν, ἱερεῖς ἡμῶν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.