Nehemia
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Greek …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen Sanbállat, Tobi-ja, de Arabier Gésjem en onze andere vijanden vernamen, dat ik de muur had voltooid, en er geen bres was overgebleven, ofschoon ik toen nog geen deuren in de poorten had opgehangen,
1ΚΑΙ ἐγένετο καθὼς ἠκούσθη τῷ Σαναβαλλὰτ καὶ Τωβίᾳ καὶ τῷ Γησὰμ τῷ Ἀραβὶ καὶ τοῖς καταλοίποις ἐχθρῶν ἡμῶν ὅτι ᾠκοδόμησα τὸ τεῖχος, καὶ οὐ κατελείφθη ἐν αὐτοῖς πνοή. ἕως τοῦ καιροῦ ἐκείνου θύρας οὐκ ἐπέστησα ἐν ταῖς πύλαις.
2zonden Sanbállat en Gésjem mij de volgende boodschap: Kom, laat ons een samenkomst met elkander hebben te Kefirim in het Ono-dal. Daar ze echter kwaad tegen mij in het schild voerden,
2καὶ ἀπέστειλε Σαναβαλλὰτ καὶ Γησὰμ πρός με λέγων· δεῦρο καὶ συναχθῶμεν ἐπὶ τὸ αὐτὸ ἐν ταῖς κώμαις ἐν πεδίῳ Ὠνώ· καὶ αὐτοὶ λογιζόμενοι ποιῆσαί μοι πονηρίαν.
3zond ik boden tot hen terug met het antwoord: Ik heb een groot werk onder handen, en kan dus niet komen. Het werk zou zeker stil blijven liggen, als ik mij er van terugtrok, om tot u te komen.
3καὶ ἀπέστειλα ἐπ' αὐτοὺς ἀγγέλους λέγων· ἔργον μέγα ἐγὼ ποιῶ καὶ οὐ δυνήσομαι καταβῆναι, μή ποτε καταπαύσῃ τὸ ἔργον· ὡς ἂν τελειώσω αὐτό, καταβήσομαι πρὸς ὑμᾶς.
4Tot vier keer toe zonden ze mij dezelfde boodschap, maar telkens gaf ik hun hetzelfde antwoord.
4καὶ ἀπέστειλαν πρός με ὡς τὸ ρῆμα τοῦτο, καὶ ἀπέστειλα αὐτοῖς κατὰ ταῦτα.
5Daarop zond Sanbállat mij voor de vijfde maal een dienaar met hetzelfde verzoek; maar nu bracht deze een open brief met zich mee,
5καὶ ἀπέστειλε πρός με Σαναβαλλὰτ τὸν παῖδα αὐτοῦ καὶ ἐπιστολὴν ἀνεῳγμένην ἐν χειρὶ αὐτοῦ.
6waarin stond geschreven: Onder de volken loopt het gerucht, en het wordt door Gésjem bevestigd, dat gij en de Joden van plan zijt, oproer te maken, en dat gij de muur herbouwt, omdat gij koning over hen wilt worden, of iets van die aard;
6καὶ ἦν γεγραμμένον ἐν αὐτῇ· ‘ Ἐν ἔθνεσιν ἠκούσθη ὅτι σὺ καὶ οἱ Ἰουδαῖοι λογίζεσθε ἀποστατῆσαι, διὰ τοῦτο σὺ οἰκοδομεῖς τὸ τεῖχος, καὶ σὺ ἔσῃ αὐτοῖς εἰς βασιλέα·
7ook dat gij profeten hebt aangesteld, om u in Jerusalem tot koning van Juda uit te roepen. Zo iets wordt zeker den koning bekend! Kom dus, en laat ons met elkander beraden.
7καὶ πρὸς τούτοις προφήτας ἔστησας σεαυτῷ, ἵνα καθίσῃς ἐν Ἱερουσαλὴμ εἰς βασιλέα ἐπὶ Ἰούδα· καὶ νῦν ἀπαγγελήσονται τῷ βασιλεῖ οἱ λόγοι οὗτοι· καὶ νῦν δεῦρο βουλευσώμεθα ἐπὶ τὸ αὐτό.
8Maar ik liet hem antwoorden: Geen woord is er waar, van al wat ge zegt; ge verzint het zelf.
8καὶ ἀπέστειλα πρὸς αὐτὸν λέγων· οὐκ ἐγενήθη ὡς οἱ λόγοι οὗτοι, ὡς σὺ λέγεις, ὅτι ἀπὸ καρδίας σου σὺ ψεύδῃ αὐτούς.
9Want allen wilden ons vrees aanjagen, en dachten: Dan zullen hun handen bij het werk verslappen, en komt het nimmer tot stand. Het was dus zaak, om sterk te staan.
9ὅτι πάντες φοβερίζουσιν ἡμᾶς λέγοντες· ἐκλυθήσονται αἱ χεῖρες αὐτῶν ἀπὸ τοῦ ἔργου τούτου, καὶ οὐ ποιηθήσεται· καὶ νῦν ἐκραταίωσα τὰς χεῖράς μου’.
10Een andere keer ging ik het huis van Sjemaja binnen, den zoon van Delaja, zoon van Mehetabel. Ofschoon het goed gesloten kon worden, sprak hij tot mij: Laat ons samen naar het huis van God gaan en binnen de tempel, en de deuren van de tempel gesloten houden; want men komt u vermoorden, vannacht nog komt men u doden.
10Κἀγὼ εἰσῆλθον εἰς οἶκον Σεμεΐ υἱοῦ Δαλαΐα, υἱοῦ Μεταβεήλ καὶ αὐτὸς συνεχόμενος καὶ εἶπε· συναχθῶμεν εἰς οἶκον τοῦ Θεοῦ ἐν μέσῳ αὐτοῦ καὶ κλείσωμεν τὰς θύρας αὐτοῦ, ὅτι ἔρχονται νυκτὸς φονεῦσαί σε.
11Maar ik gaf ten antwoord: Zou een man, als ik, op de vlucht slaan? En wie, zoals ik, zou in leven blijven, als hij binnen de tempel kwam? Neen, ik ga er niet heen!
11καὶ εἶπα· τίς ἐστιν ὁ ἀνήρ, ὃς εἰσελεύσεται εἰς τὸν οἶκον καὶ ζήσεται;
12Want ik begreep, dat God hem niet had gezonden, maar dat Tobi-ja en Sanbállat hem hadden omgekocht, om deze voorspelling tot mij te richten.
12καὶ ἐπέγνων καὶ ἰδοὺ ὁ Θεὸς οὐκ ἀπέστειλεν αὐτόν, ὅτι ἡ προφητεία λόγος κατ' ἐμοῦ, καὶ Τωβίας καὶ Σαναβαλλὰτ ἐμισθώσαντο
13Hij was omgekocht, om mij vrees aan te jagen. Dan zou ik wel iets dergelijks doen en een zonde begaan; en dan hadden ze gelegenheid, mijn naam te bekladden, en mij in opspraak te brengen.
13ἐπ' ἐμὲ ὄχλον, ὅπως φοβηθῶ καὶ ποιήσω οὕτως καὶ ἁμάρτω καὶ γένωμαι αὐτοῖς εἰς ὄνομα πονηρόν, ὅπως ὀνειδίσωσί με.
14Mijn God, reken Tobi-ja en Sanbállat dit drijven aan, maar ook Noadja, de profetes, en de andere profeten, die mij bang wilden maken!
14μνήσθητι, ὁ Θεός, Τωβία καὶ Σαναβαλλάτ, ὡς τὰ ποιήματα αὐτοῦ ταῦτα, καὶ τῷ Νωαδίᾳ τῷ προφήτῃ καὶ τοῖς καταλοίποις τῶν προφητῶν, οἳ ἦσαν φοβερίζοντές με.
15Op de vijf en twintigste van Eloel was de muur in twee en vijftig dagen voltooid.
15Καὶ ἐτελέσθη τὸ τεῖχος πέμπτῃ καὶ εἰκάδι τοῦ Ἐλοὺλ μηνὸς εἰς πεντήκοντα καὶ δύο ἡμέρας.
16Toen al onze vijanden het hoorden, en alle omliggende volken het zagen, scheen het een machtig wonder in hun ogen, en begrepen ze, dat dit werk door onzen God was gewrocht.
16καὶ ἐγένετο ἡνίκα ἤκουσαν πάντες οἱ ἐχθροὶ ἡμῶν, καὶ ἐφοβήθησαν πάντα τὰ ἔθνη τὰ κύκλῳ ἡμῶν, καὶ ἐπέπεσε φόβος σφόδρα ἐν ὀφθαλμοῖς αὐτῶν, καὶ ἔγνωσαν ὅτι παρὰ τοῦ Θεοῦ ἡμῶν ἐγενήθη τελειωθῆναι τὸ ἔργον τοῦτο.
17Maar ook toen nog bleven sommige edelen van Juda brieven aan Tobi-ja zenden, en kwamen er brieven van Tobi-ja bij hen aan.
17καὶ ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις ἀπὸ πολλῶν ἐντίμων Ἰούδα ἐπιστολαὶ ἐπορεύοντο πρὸς Τωβίαν, καὶ αἱ Τωβία ἤρχοντο πρὸς αὐτούς,
18Want hij had vele bondgenoten in Juda, daar hij de schoonvader was van Sjekanja, den zoon van Arach, en zijn zoon Jehochanan gehuwd was met de dochter van Mesjoellam, den zoon van Berekja.
18ὅτι πολλοὶ ἐν Ἰούδᾳ ἔνορκοι ἦσαν αὐτῷ, ὅτι γαμβρὸς ἦν τοῦ Σεχενία υἱοῦ Ἡραέ, καὶ Ἰωνὰν υἱὸς αὐτοῦ ἔλαβε τὴν θυγατέρα Μεσουλὰμ υἱοῦ Βαραχία εἰς γυναῖκα.
19En ofschoon Tobi-ja herhaaldelijk brieven schreef, om mij vrees aan te jagen, durfden zij mij veel goeds van hem vertellen, en brachten mijn woorden aan hem over.
19καὶ τοὺς λόγους αὐτοῦ ἦσαν λέγοντες πρός με καὶ λόγους μου ἦσαν ἐκφέροντες αὐτῷ, καὶ ἐπιστολὰς ἀπέστειλε Τωβίας φοβερίσαι με.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.